De aard van het beestje: wie wij zijn, en hoe dat komt

De mens is een eigenaardig dier. Het is de enige soort die boeken schrijft over de eigen soort in een poging zichzelf beter te begrijpen. Voor een volledig begrip van onszelf is er nog wel wat werk aan de winkel, maar een aantal recente boeken geeft de richting aan. De mens, een gebruiksaanwijzing. Door Geerdt Magiels


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#3


In het nawoord van de nieuwe jubileumeditie van The Naked Ape van Desmond Morris, vijftig jaar na dato eindelijk correct vertaald als De kale aap, schrijft Frans de Waal hoe hij als jonge biologiestudent van zijn hoogleraar de raad kreeg het boek niet te lezen. Het was niet ernstig, en oneerbiedig. Een betere aansporing om een boek te lezen kan je moeilijk krijgen. Het was een verfrissend boek, omdat het (menselijk) diergedrag beschreef, inclusief agressie, seks en samenwerking, op een manier die een leek kon begrijpen. Het boek stond aan de wieg van een inmiddels lange rij wetenschappers die de wetenschap helder weten uit te leggen aan een breed publiek, van wie De Waal er zelf een is. Herlezend wat een halve eeuw geleden zoveel stof deed opwaaien, valt het hem op dat de verklarende kracht van de biologie nu heel vanzelfsprekend gevonden wordt. Indertijd mocht men niet eens veronderstellen dat genen invloed hebben op menselijk gedrag. Cultuur maakt ons menselijk, zo luidde het, en de genetica kwam in de discussie niet ter sprake. Morris hakte een stevig gat in het denkbeeld dat de mens het leven als een onbeschreven blad begint.

Een van de schrijvende biologen die in zijn voetsporen stapte is E.O. Wilson. Met zijn achtentachtig jaren inmiddels een éminence grise in de biologie, is hij – naast wereldautoriteit op het gebied van mieren en eusociale insecten en de grondlegger van de sociobiologie – ook een begenadigd schrijver, zelfs van fictie (zoals het onvolprezen Anthill: A Novel, over het hoofd gezien door de literatuurcritici). In zijn recente The Origins of Creativity levert hij misschien wel zijn filosofische testament af. Erudiet en glashelder als altijd, drijvend op het voortschrijdend inzicht in de wetenschappen van de laatste eeuw, ontleedt hij wat de mens tot mens maakt. Hij schetst hoe talig denken in symbolen en metaforen de mens in een co-evolutie van brein en cultuur in staat stelt de creativiteit te ontplooien die nodig is om zowel betrouwbare kennis over, als imaginaire perspectieven op de werkelijkheid te ontwikkelen. (Zonder metaforen geen moderne mensen, Douglas Hofstadter en Emmanuel Sander werkten dat enkele jaren geleden grandioos uit in Analogie.) Nog steeds gestuurd door de emotionele en cognitieve instrumenten van haar prehistorische primatenvoorouders is de menselijke soort daardoor tegelijkertijd uitzonderlijk gesofistikeerd én uitzonderlijk gevaarlijk.

Het vuur van de evolutie

Wilson bestrijkt in nauwelijks tweehonderd pagina’s een breed terrein. Hij kan ingewikkelde verhalen condenseren tot kernachtige inzichten die steeds weer uitkomen op de bevinding dat creativiteit en cultuur genetische wortels en een evolutionaire geschiedenis hebben. De oorsprong van de creativiteit gaat terug op de hominiden in de Afrikaanse savanne. Onze voorouders waren relatief asociale vegetariërs. De grote sprong voorwaarts kwam toen ze vlees gingen eten. Ze begonnen te jagen, in groep, op grote prooien. Sociaal gedrag werd onvermijdelijk, want er moest samengewerkt en verdeeld worden. Communicatie en sociale intelligentie hielpen om te overleven en leverden evolutionaire meerwaarde. Toen ze ook nog leerden vuur te beheersen, kon voedsel gekookt en gebraden worden. Een hele dag kauwen op rauw voer was verleden tijd. Gekookt voedsel is beter verteerbaar en er kwam meer energie beschikbaar voor een groter stel hersenen. Die vormden het substraat voor verbeeldingskracht, versterkt door taal die het mogelijk maakt in metaforen te denken en kennis door te geven. Aan het vuur werd de basis gelegd voor de menselijke cultuur. Aan het nachtelijk kampvuur dat warmte en bescherming bood, ontstond ook de kunst van het verhalen vertellen. (Wilson haalt hier warme herinneringen op aan de tijd toen hij als jonge scout in de bossen van Alabama leerde om vuur te transporteren in een tondeldoos. Hij verweeft regelmatig verrassende en ontwapenende biografische elementen in zijn wetenschappelijke bespiegelingen.)

De exponentiële groei van het menselijke brein die twee miljoen jaar geleden begon is de snelste transformatie in een complex organisme in de geschiedenis van het leven op aarde. Ze werd aangezwengeld door een uniek evolutionair mechanisme, de co-evolutie van genen en cultuur. Culturele innovatie (noem het creativiteit) verhoogde de snelheid waarmee genen, die intelligentie en samenwerking bevorderen, werden verspreid, terwijl de resulterende genetische veranderingen de kans op culturele innovatie verhoogden. Neurowetenschapper David Eagleman en componist Anthony Brandt analyseren in hun recente The Runaway Specieshoe creativiteit onze soort helpt de wereld te veranderen. Rijk geïllustreerd en stampvol onderhoudende voorbeelden maken ze duidelijk hoe creativiteit werkt, maar ze missen de diepgang van Wilson en laten bijvoorbeeld het verband tussen creatief denken en psychische aandoeningen totaal onbehandeld.

Wilson laat zien hoe de schedelinhoud van de eerste mensachtigen spectaculair toenam. Maar er zijn fysieke limieten aan de grootte van de schedel en de sterkte van de nek, dus deze evolutie hield op een bepaald moment op. Ongeveer driehonderdduizend jaar geleden werden de anatomische grenzen van de menselijke geestelijke hardware bereikt. Hier neemt het verhaal van Wilson een nieuwe en originele wending. De genetisch-culturele co-evolutie is volgens hem het fundament van de onvervreemdbare eenheid tussen natuur- en menswetenschappen, enkele eeuwen geleden elkaar kwijtgespeeld toen de wetenschap zich afsplitste van de (natuur)filosofie.

De biologie voorbij

Dankzij al die ongebreidelde inventiviteit behoort de mens ondertussen tot de expansiefste soorten op aarde, zeker gezien de hoeveelheid individuen en hun impact op hun leefomgeving. Terwijl we een integraal onderdeel zijn van de natuur (en niet de overheersende factor of een soort rentmeester, zoals lang gedacht werd) zijn we bezig die natuur in hoog tempo te veranderen. Ondertussen blijft de natuur tegelijk een bron van verrukking en angst. Om de relatie tussen mens en natuur (zowel onze eigen natuur als de natuur om ons heen) beter te begrijpen, stelt Wilson zijn hoop op de integratie tussen natuur- en menswetenschappen. Het is een poging tot vertaling van wat Wilson de sciences en de humanities noemt, waarbij hij tot die laatsten ook de kunsten rekent. De eerste vormen volgens hem de solide basis van onze kennis, de tweede hebben een grotere reikwijdte. (Wilson is een groot kunstliefhebber en verwijst vaak naar schilderijen, films, romans, muziek en gedichten.) De wetenschappen onderzoeken de werkelijke wereld, de kunsten exploreren de denkbare werelden, de menswetenschappen kunnen de brug slaan tussen de twee. In dat brede spectrum van kennisvormen is de biologie volgens Wilson de natuurwetenschap die het dichtst bij de menswetenschappen staat, door haar diepgaande belangstelling voor de complexiteit van het menszijn.

De steen der wijzen van de menselijke zelfkennis is in de ogen van de bioloog de relatie tussen de biologische en de culturele evolutie. We kunnen de menselijke conditie anno 2018 slechts begrijpen (de taak van de filosofie) vanuit de diepe tijd van de biologische evolutie. In tegenstelling tot een handvol fysici die zich laatdunkend over het nut van de filosofie hebben uitgelaten, schrijft Wilson: ‘because humanity is still swept along by animal passions in a digitalized world, and because we are conflicted between what we are and what we wish to become, and because we are drowning in information and starved for wisdom, it would seem appropriate to return philosophy to its once esteemed position, this time as the center of a humanistic science and a scientific humanities.’

Met behulp van wat hij de Big Five noemt (paleontologie, antropologie, psychologie, evolutionaire biologie en neurobiologie) kunnen we de betekenis van de menselijkheid leren doorgronden, in al haar diverse aspecten, zoals agressie en altruïsme, geboorte en dood, seksualiteit en gender, bewustzijn en waanzin.

De soms schijnbaar onverenigbare extremen van het menselijk gedrag, van orgaandonatie tot genocide, fascineren ook bioloog Robert Sapolsky. Hoe is het mogelijk dat de menselijke soort even goed in staat is tot coöperatie en medeleven (onze betere kant) als tot competitie en geweld (onze slechtere kant)? Sapolsky is uitstekend geplaatst om een antwoord te zoeken op deze intimiderende vraag. Hij is hoogleraar biologie, endocrinologie en neurologie aan de universiteit van Stanford in Californië en behoort na decennia veldwerk met bavianen in het wild tot de wereldtop in de gedragsbiologie. Met Behave levert hij een ambitieus panorama van de aard van het beest mens, verpakt in een meesterwerk van wetenschapsvertelkunst.

Wat gebeurde er voor er gebeurde wat er gebeurde?

Sapolsky neemt zijn lezers mee op een uitgebreide rondleiding door lichaam en geest. Hij vertrekt bij het moment dat een vinger beweegt om iemand te strelen of om de trekker over te halen en gaat vanaf daar terug in de tijd. Hij begint bij de milliseconden net voor de spieren bewegen en wat er dan gebeurt in de hersenen. Stap voor stap traceert hij wat zich afspeelde in het systeem van lijf en brein, in de minuten, uren, dagen of jaren voor die daad. Hij zoomt steeds verder uit. Hij laat ons terugkijken naar het verre verleden waarin de evolutie op een toevallige maar specifieke manier vormgaf aan lichamen en hun gedragingen. In die verre voorgeschiedenis ontmoeten we de voorlopers van genen, neurotransmitters en hormonen die nu nog altijd ons gedrag meebepalen.

Deze omgekeerd chronologische reis is een uitstekend organiserend principe waardoor ook de kleinste neuronale of genetisch gebeurtenis een plaats krijgt binnen een breed ecologisch en historisch perspectief. Ons gedrag is dat van onze soort, verwant en toch typisch anders dan dat van andere soorten, geworteld in eenzelfde biologisch substraat.

Sapolsky laat zien dat de context en de betekenis van een gedrag gewoonlijk interessanter (en/want complexer) zijn dan de mechanismen van dat gedrag. Om dat gedrag te begrijpen moet je zowel de neuronen als de hormonen, de embryonale ontwikkeling, de kinderjaren, de genen en een brede waaier van andere factoren in kaart brengen. Bovendien zijn genen, hormonen, neuronen noch omgeving afgebakende entiteiten met rechtlijnige oorzakelijke impact. (Neen, er bestaat geen hersencentrum voor angst of aandacht noch een gen voor agressie of homoseksualiteit.) In de biologie wordt niet gezocht naar eenduidige oorzaken, maar naar potenties, gevoeligheden, tendensen, interacties, modulaties, toevalligheden, contextafhankelijkheden, variatie, flexibiliteit en veerkracht. Dat maakt het niet gemakkelijker, en niet minder belangrijk. Sapolsky’s mantra en leidraad: ‘Het is ingewikkeld.’ Hij houdt een terugkerend pleidooi voor bescheidenheid. Hij constateert dat de woorden ‘gemiddeld’, ‘in het algemeen’, ‘typisch’, ‘vaak’ en ‘neigt naar’ meer dan vijfhonderd keer in zijn boek voorkomen. Misschien is dat nog te weinig, mijmert hij. Er kan niet genoeg benadrukt worden dat individuele verschillen en interessante uitzonderingen schering en inslag zijn in de wetenschap.

De menselijke natuur

Misschien ook wel omdat Sapolsky niet één sluitend antwoord geeft, is dit voorlopig een van de beste boeken die je over de menselijke natuur kan lezen, met een lichte toon, een verbluffende eruditie, overweldigende bronnenkennis, speelse anekdotes (in vaak vrolijke voetnoten) en een overdonderende reikwijdte. Hij waarschuwt keer op keer dat we, ondanks de stortvloed aan onderzoeken naar gedrag en de factoren die dat gedrag meebepalen, nog steeds bitter weinig weten. We berekenen nauwgezet statistische gemiddelden in groepen, maar staan met lege handen als het gaat om het voorspellen van het gedrag van een individu.

Na bijna achthonderd bladzijden die soms technisch maar nooit onbegrijpelijk en altijd meeslepend geschreven zijn, belandt Sapolsky bij de vraag aan de basis van dit boek: hoe komt het dat de mens in staat is tot onnoemelijke wreedheden (hij leefde jaren in Rwanda) en tot onbaatzuchtige weldaden (zoals de anonieme donatie van een nier). De mogelijkheid tot geweld, haat en afkeer maar ook geweldloosheid, verzoening en begrip liggen verankerd in onze biologie en worden gecultiveerd door de culturele context. Dat perspectief leidt tot frisse bespiegelingen over vrije wil, rechtspraak, straf en boete, oorlog en vrede, radicalisme en verbondenheid. De uitvinding van de landbouw had bijvoorbeeld het ontstaan van socioeconomische status als neveneffect, wat leidde tot ongelijkheid, een splijtzwam in het groepsgevoel. De kloof tussen rijk en arm is nog steeds een voedingsbodem van destructief gedrag.

Context, context, context

Omgevingsfactoren hebben een directe impact op het brein. De makaken in een grote groep hebben een dikkere prefrontale cortex (waar sociaal gedrag wordt gestuurd) dan hun soortgenoten in een kleinere groep. De menselijke prefrontale cortex, die pas in de late adolescentie en vroege volwassenheid uitrijpt, wordt grotendeels gevormd door ervaring (met andere woorden: omgeving en context). Dat deel van de hersenschors is ook de plek waar emoties gemoduleerd worden, het deel van de hersenen dat helpt om ‘het moeilijkere te doen wat het juiste is’. Het is een centraal zenuwknooppunt waar ons moreel gedrag ontstaat. Sapolsky schetst de groeiende moleculair-genetische en neuro-endocrinologische bewijzen voor het belang van een gezonde, veilige, liefdevolle, kansrijke leefomgeving voor een welvarend leven in een gezonde samenleving. Sapolsky wijst met nadruk en steeds weer op de ecologische dimensies van ons gedrag.

Hoe moedeloos stemmend sommige van de zwartste bladzijden uit de geschiedenis ook kunnen zijn, we kunnen met Sapolsky blijven hopen dat meer en beter wetenschappelijk inzicht in de bronnen en processen van ons gedrag (angst, groepsdenken, stereotypes en vooroordelen, of de verschillen tussen sympathie, empathie en compassie, of de tegenstellingen tussen Wij en Zij, of de mechanismen van gehoorzaamheid en hiërarchie) kunnen bijdragen aan een wereld met minder geweld en meer samenwerking.

Ondertussen bij de octopussen

Om te weten te komen wat de mens tot mens maakt kan het leerzaam zijn eens over het muurtje bij andere soorten te gaan kijken. Dat is wat de Australische, biologisch geïnspireerde wetenschapsfilosoof Peter Godfrey-Smith doet in zijn wonderlijk verfrissende verkenning van Other Minds. Hij is een fervent duiker en ontmoet op zijn onderwatertochten vaak cefalopoden, weekdieren zoals zeekatten, inktvissen en octopussen. Godfrey-Smith spreekt expliciet over ‘ontmoeten’, want het blijken intelligente en nieuwsgierige dieren, geïnteresseerd in de voorbijzwemmende filosoof. Een octopus zwemt naar hem toe en kijkt hem aan. Soms steekt er een één van zijn acht armen uit en raakt hem even aan.

De cefalopoden staan bekend als superslim. Het zijn houdini’s die overal uit weten te ontsnappen (vooral op het moment dat niemand kijkt). Een weekdier zijn zonder geraamte helpt daarbij. Deze weekdieren kunnen raadsels of ruimtelijke problemen oplossen. Ze lijken hun leefwereld goed te doorgronden. Ze kunnen één worden met hun omgeving dankzij huidpigmenten. (Terwijl ze gek genoeg die kleuren zelf niet kunnen zien.) En er zijn verhalen bekend van octopussen in gevangenschap die water spuiten naar een lamp aan het plafond net zolang tot er kortsluiting ontstaat.

Hun intelligentie is verbluffend, hun leergedrag roept vragen op, zeker ook bij een filosoof die zich bezighoudt met kennis en bewustzijn. Hebben zij een geest en een bewustzijn? We hebben ondertussen al wel schoorvoetend moeten toegeven dat andere soorten intelligent zijn, zoals kraaien, dolfijnen, honden of mensapen, maar een weekdier, verwant aan slakken, mosselen en oesters?

Anders intelligent

Godfrey-Smith reconstrueert de evolutionaire ontstaansgeschiedenis van de cefalopoden. De laatste voorouder van de gewervelden en de cefalopoden leefde zowat zeshonderd miljoen jaar geleden, een wormachtig beestje met eenvoudige ogen en dito zenuwstelsel. Ondertussen hebben sommigen van die gewervelden zich ontwikkeld tot intelligente dieren. De weekdieren zaten in een heel andere tak van de evolutionaire boom. Hun intelligent gedrag toont aan dat intelligentie minstens twee keer en onafhankelijk van elkaar in de natuur is ontstaan.

De intelligentie van de cefalopoden is totaal anders dan de ons bekende vormen. Een octopus heeft evenveel zenuwcellen als een hond, maar die zitten niet georganiseerd in een centraal brein maar zijn gedistribueerd door het hele lijf. De acht armen hebben elk een hoge concentratie neuronen, ieder groter dan het centrale brein. De armen zijn zelfstandig en bewegen, voelen, jagen en proeven voor het grootste deel onafhankelijk van de rest. De armen hebben een soort van zelf bestuur. Toch kunnen ze er gecoördineerd mee optreden, bijvoorbeeld als ze een glazen bokaal van binnenuit weten open te draaien.

Wat doet dat voor het zelf beeld van de octopus en hoe zou dat er kunnen uitzien, vraagt Godfrey-Smith zich af. Kan er zonder een coherent (of in ieder geval gecentraliseerd) zelf een vorm van bewustzijn bestaan? Hij benadrukt dat hij niet weet hoe de octopussen en consorten zichzelf of hun leefwereld ervaren. Hij weet wel dat ze verwondingen afschermen en proberen te verzorgen. Daartoe moet er een vorm van pijnbewustzijn aanwezig zijn, wat bijvoorbeeld bij insecten ontbreekt. Ze moeten een zelf bewustzijn hebben om te weten waar en hoe ze zijn, zeker als ze zich onzichtbaar weten te maken met hun camouflagehuid. Hun lichaamsbeeld is voor ons haast onvoorstelbaar. Een reuzenkraak heeft een armwijdte van zes meter en weegt 25 kilogram, maar kan zich door een gaatje van enkele centimeters laten glijden, een opening ter grootte van zijn oog. (Een oog trouwens dat anatomisch volkomen gelijk is aan het menselijke.)

Andere geesten

De cefalopoden illustreren nog wat anders. Zij leven kort en solitair en hebben geen rijk sociaal leven. Bij de paring blijven man en vrouw octopus op armlengte afstand, de enige keer in hun leven dat ze contact hebben. Kort daarna sterven ze. Dat houdt ons, mensen, een spiegel voor. Wij zijn bij uitstek sociaal en die omgeving heeft onze soort gevormd. Anderzijds kan je je afvragen of een octopus met zijn vele breinen zichzelf niet als een groep voelt. De octopus is niettemin een verre verwant, intelligent geworden in een andere niche van onze gedeelde biotoop, die een heel ander verhaal te vertellen heeft.

De finale filosofische vraag waar de boeken van Wilson, Sapolsky en Godfrey-Smith om draaien is de verhouding of het verband tussen geest en materie. Other Minds opent met een citaat van de negentiende-eeuwse psycholoog William James. James schetst daarin een onderzoeksprogramma dat nog steeds geldt: we moeten onderzoeken waar bewustzijn vandaan gekomen is, in een continue evolutionaire ontwikkeling, waarin de menselijke geest een late variant is op een oeroud thema.

Als we andere geesten willen begrijpen, is de geest van de octopus wel de meest andere van allemaal. En toch moeten we het proberen, omdat het ons veel leert over onszelf. Hoe voelt het om die ander te zijn? Het was de vraag die Thomas Nagel al stelde over de vleermuis, en die wij haast dagelijks moeten stellen als we met andere mensen en andere dieren omgaan. Hoe voelt het om onszelf te zijn? Ontstaan uit en gevormd, getekend, gepokt en gemazeld door onze omgeving.