Gemeentepolitiek: Dirk Alkemade leest Gemeente in de genen

In aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen lezen dNBg-auteurs recent verschenen titels over gemeentepolitiek. Dirk Alkemade prijst Wim Voermans en Geerten Waling voor hun succesvolle pleidooi voor gemeentepolitiek. Toch mogen we de gevolgen van het decentraliseringsbeleid niet vergeten. ‘Lokale partijen en bestuurders zijn lang niet in dezelfde mate toegerust op al die omvangrijke taken.’ Door Dirk Alkemade


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *



Rond gemeenteraadsverkiezingen hangt dikwijls een aura van koddigheid. Denk aan de lokale politiek en onwillekeurig komt het beeld bovendrijven van een wat onbeholpen journalist die een dito politicus namens een regionale tv-zender aan de tand voelt over groenaanleg, parkeergelegenheden of de komst van een verkeerstunnel. In de gemeente waar ik woon (Leiden) hanteren de lokale afdelingen van de SP en de ChristenUnie deze verkiezingen een identieke slogan.

Dat beeld is misschien niet helemaal ongegrond, maar wel zonde, en gaat al snel voorbij aan het belang en de potentie van lokale politiek, zo betogen Wim Voermans en Geerten Waling in Gemeente in de genen. De auteurs, beiden verbonden aan de rechtenfaculteit van de Universiteit Leiden, pleiten voor een herwaardering van de gemeentepolitiek en in het bijzonder de gemeenteraad. Ze halen ruimschoots hun gelijk, maar al te snel wordt het belangrijke en omvangrijke werk dat lokale politici en bestuurders uitvoeren, miskend. Door het landelijke decentraliseringsbeleid dat sinds enkele jaren wordt gevoerd, komen immers steeds meer taken bij de gemeente te liggen – terwijl lokale partijen, bestuurders en gemeenteraadsleden daar lang niet allemaal in dezelfde mate op toegerust zijn. Het schuurt des te meer dat die decentralisering niet zozeer ingegeven werd door ideële overwegingen, maar een direct gevolg was van overheidsbezuinigingen. (In dezelfde periode werd het woord ‘participatiesamenleving’ geïntroduceerd: iets waar op zichzelf helemaal niets mis mee is, maar dat met zo’n agressief gebrek aan overtuiging werd gelanceerd dat het nooit van zijn aanhalingstekens is ontkomen.)

Gemeente in de genen heeft de toon en bezieling van een pamflet, en zo gelezen is het boek op zijn sterkst. Voermans en Waling stellen dat lokale democratie misschien wel het dichtst bij de burger staat, en om die reden in staat kan zijn veel directer de belangen van de burger te behartigen. Die decentralisering mogen we dus best toejuichen. Daarbij wijzen ze ook op de groei van het aantal lokale politieke partijen, waarvan er steeds minder voortkomen uit een landelijke moederpartij en zich juist zelfstandig weten te profileren. De historische bespiegelingen waarmee de hoofdstukken beginnen benadrukken bovendien dat lokale politiek altijd een belangrijke rol in de Nederlandse geschiedenis heeft gespeeld.

Ook zien we hoe een aantal recentere terreinverkenningen in participatieve en deliberatieve vormen van democratie (fenomenen als G1000 en de burgerbegroting) weliswaar nieuw elan geven aan lokale politiek, maar ook op gespannen voet kunnen staan met de bestaande politieke orde. Terwijl we de juiste spelregels voor deze nieuwe vormen nog zoeken, moeten we waakzaam blijven voor schijndemocratie. Het valt op dat de scepsis die de auteurs tonen voor dergelijke projecten afzwakt wanneer ze komen te praten over referenda (in welke vorm dan ook) en gekozen burgemeesters. Elke zelfrespecterende democratie behoort over deze vormen van directe volksraadpleging te beschikken, zo beweren de auteurs stellig. Helaas gaan ze niet in op de mogelijke disruptieve gevolgen van referenda, of de invloed die zij kunnen hebben op het functioneren van de gemeenteraad.

Gemeente in de genen is een publieksboek, geschreven door twee wetenschappers – Voermans is hoogleraar bestuurs- en staatsrecht, Waling is politiek historicus. Zo’n hybride vorm is lastig; wat hadden de auteurs precies voor ogen? De vrijheid die hij biedt, wenden ze aan om met extra vaart en inzicht te werk te gaan: het perspectief op actuele ontwikkelingen wordt aangenaam verbreed met theorieën over de aard van democratie, terwijl populaire uitspraken over het failliet van (lokale) democratie worden getoetst aan recent onderzoek. De vrije loop van het betoog maakt het boek prettig leesbaar, maar op den duur wordt de vlotte toon hinderlijk. Jammer, ook omdat beide auteurs hun welbespraaktheid en doorzicht inmiddels wel bewezen hebben in de publieke arena.

Daar komt bij dat de stijl niet altijd in balans is met de inhoud. De historische exposés zijn soms lang van stof, zijn niet altijd verhelderend en worden snel anekdotisch. Zo wordt het gepolder uit de middeleeuwen, de Opstand en de patriottentijd erbij gehaald om ons ervan te overtuigen dat de lokale politiek ons echt in het bloed is komen te zitten. In plaats van zulke gemeenplaatsen had ik liever meer gelezen over de blijvende (toenemende?) spanningen tussen landelijke, provinciale en lokale bestuurslagen, en hoe deze spanningen zich verhouden tot democratische vernieuwing. Welke kanten kunnen we allemaal op en welke stappen moeten we daarvoor zetten? Aan de andere kant: dat het pleidooi van Waling en Voermans zulke nieuwe vragen oproept, is misschien ook wel een verdienste. Hun oproep voor meer waardering voor lokale democratie valt in ieder geval te prijzen, en is de moeite van het lezen – ook ná 21 maart – zeker waard.