Op zoek naar verbinding
🖋 Kathy Mathys


In ‘De eenzame stad. Over de kunst van het alleen-zijn’ graaft Olivia Laing in leven en werk van enkele New Yorkse kunstenaars. Ze hoopt op troost in barre tijden. Door Kathy Mathys


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Olivia Laing, De eenzame stad. Over de kunst van het alleen-zijn (De Bezige Bij) 352 blz 

Denk ik aan eenzame figuren in films en verhalen, dan doemt het beeld op van Ikiru, de oude man in de gelijknamige film van Akira Kurosawa die met zijn broze lijf langs de zijlijn van het leven schuifelt. Of ik denk aan de lelijke eendjes uit tienerfilms: niemand wil naast hen zitten of met hen praten.

Wie eenzaam is hoeft zich niet letterlijk alleen in een ruimte te bevinden, tussen de mensen is het gevoel van algehele verlatenheid vaak des te schrijnender. Ik zal nooit de scène vergeten uit Elizabeth Strouts ‘Olive Kitteridge’, waarin het hoofdpersonage, een oudere dame, een ijsje gaat eten met haar zoon en diens gezin. Achteraf blijkt er een grote vlek op haar shirt te zitten. De verslagenheid en woede van het hoofdpersonage is gigantisch: haar zoon en schoondochter moeten de ijsvlek wel hebben gezien en toch zeiden ze er niets van. Misschien, zo speculeert Olive Kitteridge, dachten ze: ach, ze wordt oud. Zelden was haar gevoel van vervreemding en isolement groter.

Olivia Laings  derde boek ‘De eenzame stad. Over de kunst van het alleen-zijn’ gaat over wat eenzaamheid met een mens doet en welke kunst er uit eenzaamheid ontstaat. Laing boog zich over het werk van vier kunstenaars: Edward Hopper, Andy Warhol, David Wojnarowicz en Henry Darger. De eerste twee behoeven geen introductie. Wojnarowicz maakte schilderijen, installaties, foto’s, muziek en films waarin de zoektocht naar contact en alleen-zijn centrale thema’s vormen. Het oeuvre van Henry Darger werd pas ontdekt bij de ontruiming van zijn flat. Op zijn meer dan driehonderd schilderijen en in zijn lijvige manuscripten creëerde hij een bovennatuurlijke wereld. Een groot deel van zijn werk gaat over ‘The Realms of the Unreal’, waar een bloedige burgeroorlog plaatsvindt.

Van die vier kunstenaars is Darger de enige uit Chicago, de rest leefde in New York. Allemaal grootsteden dus en dit is geen toeval. Zo stelt Laing het: ‘Je kunt overal eenzaam zijn, maar eenzaamheid die voortkomt uit het wonen in een metropool, te midden van miljoenen andere stadsbewoners, heeft iets aparts.’

Wie ooit in een grootstad heeft gewoond kent deze taferelen: een nagenoeg leeg metroperron laat op de avond waarop enkelingen verzonken zijn in hun digitale wereld; een smoezelig vrouwtje dat zich achter het raam van een fastfoodrestaurant verwarmt aan een kartonnen beker; een losgeslagen dakloze die zich de ziel uit het lijf schreeuwt en straal genegeerd wordt door de voorbijgangers. De fysieke nabijheid van anderen heft gevoelens van eenzaamheid niet noodzakelijk op, zo blijkt.

Net als ‘Naar de rivier’, haar debuut, vloeit Laings derde boek voort uit het verdriet dat ze heeft om een kapotte liefde. ‘Eenzaam was ik, eenzaam en op drift,’ schrijft ze. Haar relatie met een Amerikaan liep stuk en omdat ze geen verplichtingen had in Engeland besloot ze in New York te blijven waar ze een jaar lang onderzoek deed naar eenzaamheid. Laing woonde op verschillende plekken: in de Lower East Side, in Brooklyn, nabij Times Square. Bescheiden onderkomens waren het, flats van vrienden of halve bekenden. Ze hoopte troost te vinden in haar onderzoek naar kunstenaars die in hetzelfde schuitje zaten. Je zou dus kunnen stellen dat ‘De eenzame stad’ een zelfhulpboek is, maar dan wel een vol schoonheid, aarzeling en nuance.

Gluurders en begluurden
Laing vermoedt dat ze er in die eenzame maanden net zo verweesd en droef uitzag als de personages op de schilderijen van Edward Hopper. Die portretteerde New York als een ‘stad van glas en dolende blikken’. Laing is op haar best wanneer ze losgaat in haar kenmerkende associatieve stijl, verbanden speurend tussen kunstwerken, tussen makers die op het eerste gezicht tot verschillende werelden behoren. Je hoort haar denken, volgt de kronkels van haar geest. Zo vergelijkt ze Hoppers personages met ‘miss Torso’ en ‘miss Lonelyhearts’, de vrouwen die L.B. Jeffries (vertolkt door James Stewart) bespioneert in ‘Rear Window’ van Alfred Hitchcock. Niet enkel de begluurde vrouwen zijn eenzaam, ook Jeffries is dat. Zozeer gaat hij op in zijn rol van voyeur dat hij zijn relatie verwaarloost.

Hoppers personages voelen zich niet enkel verlaten, ze voelen zich ook bekeken. Hopper schilderde veel glaspartijen en het is opvallend hoe vaak eenzamen de woorden ‘glas’ of ‘ijs’ in de mond nemen. ‘De hel is dat je bevriest in je isolement, dat je één blok ijs wordt,’ getuigt een vrouw in een wetenschappelijk werk over eenzaamheid. David Wojnarowicz heeft het over de ‘ademende glazen muur’ die hem omgeeft.

De ondertitel van ‘Naar de rivier’, waarin Laing een voetreis beschreef langs de Ouse, luidde: ‘Een reis onder het oppervlak’. Daarin stelde Laing dat er ‘diep onder de grond nog andere plekken zijn’. Laing is erg goed in de beschrijving van het oppervlak, of het nu gaat om de planten langs de rivier waarin Virginia Woolf zich verdronk of over het kilgroene licht op een Hopperschilderij. Toch is ze vooral geïnteresseerd in het ondergrondse, in wat zich achter de zichtbare buitenkant bevindt. Het is dus niet zo verrassend dat ze zich boog over Andy Warhol, de gepantserde die zich schuilhield onder make-up, die een pruik droeg en zich verschanste achter zijn eeuwige camera. Laing had niets met zijn kunst tot ze eenzaam werd en toegang kreeg tot zijn gigantische archief dat ondermeer vierduizend geluidsbanden bevat. Machines vervingen menselijk contact voor Warhol, hoezeer hij zich ook liet omringen door anderen. Nadat hij werd beschoten door Valerie Solanas vond hij vooral troost in het geratel van typemachines.

Laing kan zich niet vinden in het vaak opgehangen beeld van Warhol als vampier die de levens van anderen leegzoog met zijn camera. Voor haar is hij een soort ‘psychiater voor al die ongelukkige, verwarde mensen’. Laing voert ons terug naar zijn kindertijd die in het teken stond van ziekte. Het besef dat hij niet was als de anderen, dat hij niet begeerd kon worden, woelde toen al in hem en hij kampte met gevoelens van schaamte.

Eenzaamheid en schaamte gaan vaak samen. Frieda Fromm-Reichmann, een van de pioniers op het gebied van eenzaamheidonderzoek, beschreef eenzaamheid als ‘een gênante ervaring’. Psychiaters hebben om die reden een afkeer van eenzamen, aldus haar collega-onderzoeker Robert Weiss. Dat was in 1975. Tegenwoordig is er vanuit wetenschappelijke hoek veel aandacht voor de fysieke malaise die chronische eenzaamheid aanricht, van aanwassende golven aan adrenaline en cortisol tot een verhoogde bloeddruk en een verzwakt immuunsysteem. Geen wonder dat Warhol in een interview aan Time uit 1963 het volgende beweerde: ‘Machines hebben minder problemen. Ik wil graag een machine zijn, jij niet?’ Hij had het over hoe moeilijk het is om contact te leggen met anderen, al zat de fragiliteit van zijn lichaam hem net zo dwars. Na de aanslag van Solanas diende Warhol voor de rest van zijn leven een korset te dragen, alsof hij letterlijk uit elkaar dreigde te vallen.

Kinderjaren
Laings boek is doordrongen van de gedachte dat chronische eenzaamheid zich niet zomaar manifesteert. Verschillende van de opgevoerde kunstenaars waren homoseksueel en voelden zich daardoor anders, David Wojnarowicz bijvoorbeeld, die niet enkel worstelde met zijn seksuele identiteit maar ook verwaarloosd en misbruikt werd als kind. Geweld ritselde als een slang door zijn kinderjaren. Op zijn zeventiende kwam hij op straat terecht, in de jaren 1970 liet hij zich oppikken door mannen op Times Square. Terwijl Warhol, ook homo, liever bekeek van op een afstand, stortte Wojnarowicz zich volop in het leven. Door middel van kunst en seks trachtte hij zijn isolement te doorbreken.

Hopper stopte zijn figuren achter een glaswand, Wojnarowicz gebruikte maskers om het isolement van zijn personages te benadrukken. De fotoreeks ‘Arthur Rimbaud in New York’ bestaat uit portretten waarop het gezicht van de afgebeelde telkens verscholen zit achter een masker van de negentiende-eeuwse dichter die zich aangetrokken voelde tot criminaliteit en tot de onderkant van de maatschappij. Op de ene foto neemt Rimbaud een shot heroïne, op de andere eet hij in een cafetaria of masturbeert hij in bed.

Ook Henry Darger, die dus pas na zijn dood beroemd werd, had een zware kindertijd vol misbruik en tehuizen. Zijn hele leven werkte hij als schoonmaker voor ziekenhuizen, met zijn kunst trad hij niet naar buiten. Volgens sommigen heeft zijn oeuvre weinig met kunst te maken, is het niets anders dan de dwangmatige uiting van een gestoorde geest. Darger zou zowel schizofreen als autistisch zijn geweest, sommige bronnen hebben het ook over pedofilie. Laing meent dat hij sowieso een kunstenaarsvisie had. Ze looft zijn gevoel voor compositie en beschouwt zijn archief vol bronbeelden, die hij gebruikte voor collages of om over te trekken, niet als de verzameling van een knettergekke hamsteraar. Eenzaam was hij volgens Laing, deze man die zich nooit had leren te hechten, die altijd is verwaarloosd.

Een politieke kwestie
Eenzaamheid is als een schimmel.  ‘Hoe eenzamer je wordt, hoe minder behendig je de stromingen van het sociaal verkeer bevaart,’ schrijft Laing. De eenzame mijdt de ander, verstopt zich achter een beeldscherm of zoekt een donkere hoek op. Zo beschreven lijkt eenzaamheid een hyperpersoonlijke kwestie. Toch is het ook een maatschappelijk en politiek probleem.

In een van de meest bevlogen hoofdstukken uit dit boek beschrijft Laing het late leven van Wojnarowicz die stierf aan aids, net als vele van zijn vrienden en collega’s. In de vroege aidsjaren overwogen sommige politici om hiv-positieven in quarantainekampen te plaatsen. Stigmatisering kan leiden tot eenzaamheid maar het kan ook protest en activisme uitlokken. Dat was bijvoorbeeld het geval bij Wojnarowicz die geen traditionele begrafenis wilde. Zijn vrienden strooiden zijn as uit over de trappen van het Capitool in Washington.

Laing  verbindt de stigmatisering van zij die kiezen voor ‘een diepere, uitbundigere levensstijl’ met de veranderende architectuur in grootsteden. Vroeger was Times Square bekend om zijn tippelaars en pooiers, drugsgebruikers en travestieten. Nu is het een brave plek waar Mary Poppins je toelacht of Taylor Swift. Politici veegden locaties als Times Square schoon uit angst voor besmetting. Die angst voor viezigheid, voor alles wat afwijkt van de norm zit erg diep, aldus Laing. Op het moment dat de schrijfster deze angst verbindt met de oprukkende beeldschermcultuur, die contact mogelijk maakt zonder dat er kans is op besmetting, gaat het wat snel allemaal. Daar had ze beter wat langer over uitgeweid.

Ook is het jammer dat ze haar eigen kinderjaren slechts even aanraakt. Laing groeide op bij een lesbisch koppel. Haar moeder zat lange tijd in de kast om dan een relatie te beginnen met een vrouw die dronk. De schrijfster beklemtoont dat ze het lang niet zo zwaar te verduren kreeg als sommige kunstenaars die ze bespreekt, toch herkent ze bepaalde patronen. Ze worstelt ook met haar rol als vrouw en voelde zich als kind ‘een homojongen’. Jammer dat ze daar zo kort bij stilstaat.

Toch is ‘De eenzame stad. Over de kunst van het alleen-zijn’ een bezield meesterwerk. Laing verbeeldt met het oog van een romancier. Ze heeft het over de bruine papieren zak waarin Warhol zijn portfolio bewaarde, over stedelingen die staren naar  ‘de oplichtende muil van hun laptop’. Haar taal is helder, beeldend. Laing stelt zich zo kwetsbaar op dat sommige passages haast pijn doen om te lezen.

Het mooiste aan dit boek is misschien wel dat het ondanks de focus op enkele New Yorkse kunstenaars  over ons allen gaat. ‘Maar elkeen zijn wij elkanders leven’, zo staat het te lezen in ‘Romeinen 12 vers 5’. Laing opent er haar boek mee. ‘De eenzame stad’ gaat net zo goed over isolement als over verbondenheid. Het gaat over de troost van kunst voor kijkers en voor makers. Met name het werk van David Wojnarowicz doet Laing heropleven. Hoe donker het ook is, het laat haar opnieuw ademhalen.

In haar introductie noemde de schrijfster eenzaamheid ‘een drukbevolkte plek; een stad op zich’. Ook haar boek is een plattegrond, een kaart van de eenzaamheid. Laing ontdekt dat die eenzame stad veel prachtige dingen heeft voortgebracht. Net als in ‘Het uitstapje naar Echo  Spring. Waarom schrijvers drinken’ laat ze zien dat er uit ellende schoonheid kan ontstaan en dat je als kijker iets bijzonders kan ontdekken door die donkere gebieden te betreden.

Laing eindigt hoopvol met ‘Strange Fruit’ van Zoe Leonard. Die naaide van 302 fruitschillen zonder vruchtvlees de schil weer dicht. Kunstenaars gebruiken naald en draad wanneer ze pijn willen laten zien of beschadiging. Toch staan touw of draad ook symbool voor de behoefte aan verbinding, de nood aan contact. Darger werkte met draad, net als Warhol. Kunst kan wonden genezen en ze kan ook – en dat is nog veel belangrijker – laten zien dat littekens niet per se lelijk hoeven te zijn.