Het water, de stad en de natie op het aanslibsel der Franse en Duitse rivieren
🖋 Steven van Schuppen


De drie-eenheid van het water, de stad en de natie behoort Nederlands krachtigste nationale mythes. Een nog tamelijk relatief recente mythe overigens, ontstaan in de negentiende eeuw toen ook hier op het aanslibsel der Franse en Duitse rivieren een moderne natiestaat werd opgebouwd. Die bufferstaat tussen de toenmalige grootmachten Frankrijk, Groot-Brittannië en Pruisen was gebaseerd op zijn vroegmoderne voorganger, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, eigenlijk niet meer dan een losse verzameling gewesten aan de periferie van het sterk versnipperde en door (godsdienst)oorlogen geteisterde Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. Wel een staatkundige entiteit met een economische uitstraling op wereldschaal, waarin de steden in de dominante westelijke kustgewesten de eerste viool speelden, maar om staatkundige en waterstaattechnische redenen nog niet klaar voor de rol die zijn opvolger het Koninkrijk der Nederlanden vanaf de negentiende eeuw met verve wist te vervullen, triomfantelijk heersend over het water. Het absolute hoogtepunt van dat water- en staatkundige epos werd in de twintigste eeuw geschreven in de vorm van een ‘welvarende en egalitaire natie in een veilige delta’, zo betoogt de Delftse stedenbouwkundige Han Meyer in zijn nieuwe boek De staat van de delta. Waterwerken, stadsontwikkeling en natievorming in Nederland. Vanaf de jaren zeventig trad echter het verval in van dat nationale ideaalbeeld. De al te triomfante waterstaat viel ten prooi aan de bedreigingen van klimaatverandering, aan het model van de gespreide verstedelijking conform het Randstadconcept en aan door neoliberalisme en globalisering aangewakkerde ‘metropoolvorming’. De natie raakte beklemd in het krachtenspel tussen regionale en Europese machtsvorming.

* Verder lezen én de Boekengids steunen? Word nu abonnee. (Al abonnee? Log dan eerst even in.)