Advertentie
Princeton-university-press

Hoe dekoloniseer je de sociale wetenschap? Pierre Bourdieu, Abdelmalek Sayad en de ‘koloniale sociologie’

Sociologen Abdelmalek Sayad en Pierre Bourdieu onderhielden een jarenlange samenwerking vanuit de rotsvaste overtuiging dat het Franse kolonialisme niet alleen bestreden, maar ook bestudeerd moest worden. Socioloog Johan Heilbron las drie exemplarische publicaties over deze herontdekte ‘sociologie van het kolonialisme’, die ieder op hun eigen manier rekenschap geven van het koloniale verleden van het vakgebied.

Besproken boeken

Tientallen jaren na de staatkundige onafhankelijkheid van de voormalige koloniën is de dekolonisatie dan alsnog in volle gang. Niet eerder verschenen in korte tijd zovele indringende studies over de geschiedenis van slavernij en stelsels van koloniale overheersing. En niet eerder heeft die stroom aan onverschrokken onderzoek, in combinatie met sociale bewegingen als Black Lives Matter, zulke uitgesproken gevolgen gehad. 2023 werd het jaar waarin het staatshoofd en de regering officieel excuses aanboden voor het Nederlandse slavernijverleden. Dat was weliswaar 160 jaar te laat maar, zoals Sylvana Simons opmerkte: aan de historische betekenis ervan doet dat niets af.

Over de reikwijdte, de betekenis en de consequenties van kolonialisme is het debat intussen in alle disciplines gaande. In de geesteswetenschappen en de letteren zijn postkoloniale auteurs al vele jaren onderwerp van gesprek. De sociale wetenschappen – met uitzondering van een koloniaal vak als de antropologie – bleven daarbij achter. Al enige tijd worden Eurocentrische vooroordelen opgespoord en aangeklaagd, ooit gemarginaliseerde auteurs (her)ontdekt, alternatieve programma’s van onderzoek bepleit en beproefd, maar de roep om ook de sociale wetenschappen te ‘dekoloniseren’ klonk toch vooral buiten de hoofdstroom van de betreffende disciplines.

Met The Colonial Origins of Modern Social Thought heeft de Amerikaanse socioloog George Steinmetz in dit debat een nieuwe standaard gezet. Zijn rijke en doorwrochte studie is een exemplarisch voorbeeld van hoe vakgebieden zich rekenschap kunnen geven van hun koloniale verleden. Steinmetz’ casus is de sociologie in Frankrijk, het land dat zowel in koloniaal als in sociaalwetenschappelijk opzicht tot de internationale grootmachten behoort. Maar de betekenis van zijn boek reikt veel verder dan die ene discipline in een afbrokkelende wereldmacht.

Sociologen te velde

De kern van zijn lijvige werk gaat over Franstalige ‘koloniale sociologie’. Steinmetz gebruikt de ooit gangbare uitdrukking sociologie coloniale in beschrijvende zin. Hij spreekt ook over ‘sociologie van het kolonialisme’ – wat een minder dubbelzinnige aanduiding is. Hiertoe rekent hij alle geschriften van sociologen die in en over de Franse koloniën zijn geschreven. Hoewel goeddeels uit de disciplinegeschiedenis verdwenen, laat hij zien dat deze traditie zich in de loop van de twintigste eeuw ontwikkelde tot een eigenstandig, academisch ‘subveld’ waarmee rond 1960 bijna de helft van de Franse sociologen zich zou hebben ingelaten. Dat is al meteen een opmerkelijke bevinding, die regelrecht voortvloeit uit zijn ongewone aanpak. Anders dan gebruikelijk, stelt Steinmetz zich namelijk niet tevreden met het selecteren van een handjevol, min of meer saillante auteurs. Hoe imposant die ieder afzonderlijk ook mogen zijn, zijn aandacht gaat in beginsel uit naar het hele corpus aan sociologische publicaties over koloniale kwesties, en naar de voltallige populatie van onderzoekers.

Steinmetz heeft een nieuwe standaard gezet. Zijn rijke en doorwrochte studie is een exemplarisch voorbeeld van hoe vakgebieden zich rekenschap kunnen geven van hun koloniale verleden.

Daarbij laat hij zich leiden door de veldtheoretische benadering van Pierre Bourdieu (die overigens zelf tot de onderzoekspopulatie behoort). Kort gezegd worden intellectuele tradities hierin bezien als het resultaat van de dynamiek van relatief autonome (sub)velden. Zo kan tegelijk recht worden gedaan aan de academische en aan de maatschappelijke condities van onderzoek. Steinmetz laat inderdaad goed zien hoe de vele studies die de revue passeren waren ingebed in universitaire structuren, op welke wijze die weer verweven waren met koloniaal overheidsbeleid, en hoe de besproken onderzoekers hierin – individueel en groepsgewijs – hebben geopereerd.

Die benadering maakt overtuigend duidelijk dat louter ‘intern’, ideeënhistorisch onderzoek, en overwegend ‘externe’, vooral politiek-economische benaderingen, allebei tekortschieten. Voor hun werk waren onderzoekers afhankelijk van koloniaal beleid en overheidsfinanciering, maar – anders dan vele oriëntalisten – waren sociologen doorgaans antikoloniaal gezind. Zo kwamen de eerste pleidooien voor het ‘dekoloniseren’ van de sociologie voort uit deze groep, ver voor de meer recente oproepen hiertoe (van auteurs als Gurminder K. Bhambra, Raewyn Connell of Julian Go). Steinmetz noemt met name Jacques Berque en de jonge Pierre Bourdieu. Gezien de diversiteit en de kwaliteit van de koloniale sociologie valt ze onmogelijk te herleiden tot een verwerpelijke reeks van oefeningen in koloniale dienstbaarheid.

Koloniale sociologie

Academische instellingen en onderzoekers genieten gewoonlijk een zekere mate van onafhankelijkheid ten opzichte van commerciële belangen en markten, maar evenzeer ten opzichte van de staatsmacht, ook als de betreffende onderzoekers bij diezelfde overheid werkzaam zijn. Veel onderzoekers van koloniale verhoudingen wisten die autonomie te benutten en leverden belangrijke bijdragen aan een reeks van onderwerpen. Steinmetz roept ze in het eerste deel van zijn boek kort in herinnering. Ze lopen uiteen van de rol van imperia en koloniale grootmachten in de wereldgeschiedenis tot aan de effecten daarvan op agrarische dorpssamenlevingen en lokale economieën. In dit licht bekritiseert Steinmetz post- of dekoloniale auteurs die haastige oordelen vellen zonder eerst met enige precisie feitelijk verricht onderzoek te bezien. Pogingen om klassieke sociologen als Émile Durkheim en Max Weber voor te stellen als intellectuele medeplichtigen aan racisme en kolonialisme houden volgens de auteur bijvoorbeeld geen stand; de sociologie van beiden was – bij alle onderlinge verschillen – juist een alternatief voor negentiende-eeuwse rassentheorieën. Zo wordt, aldus Steinmetz, niet alleen voorbijgegaan aan de relatieve autonomie van universitair onderzoek maar wordt ook de ‘dekolonisering’ van het vakgebied een slechte dienst bewezen.

Na een inleidend deel over thematiek en benadering komt eerst de ontwikkeling van het Franse kolonialisme aan bod. Daarbij gaat het in het bijzonder om de groeiende vraag naar kennis ten behoeve van het koloniale bestuur en om de positie van instellingen voor hoger onderwijs en onderzoek. Daarop volgt de intellectuele context, dat wil zeggen de veranderende verhoudingen van de sociologie tot andere disciplines (antropologie, psychologie, geografie, rechten, economie), waarin de Franse koloniën eveneens onderwerp van studie waren. Vervolgens concentreert Steinmetz zich op zijn kernthema, de ‘koloniale sociologie’ in de periode tussen 1918 en 1960. Hij schetst de wording en de werking van dit onderzoeksveld, en biedt uitgebreide portretten van degenen die hij beschouwt als de meest oorspronkelijke auteurs: Raymond Aron, Jacques Berque, Georges Balandier en Pierre Bourdieu.

Deze historische sociologie van de Franstalige koloniale sociologie ontsluit een opmerkelijk rijke traditie van onderzoek en theorievorming. Steinmetz geeft daar tal van boeiende voorbeelden van. Tot de meest intrigerende behoort het werk van auteurs die zelf koloniale onderdanen waren, zoals de Tunesische socioloog Albert Memmi en de Algerijn Abdelmalek Sayad. De laatste ging in de late jaren vijftig van de vorige eeuw samenwerken met een jonge Franse docent die hij had ontmoet aan de Universiteit van Algiers en met wie hij bevriend raakte: Pierre Bourdieu. Hun langjarige samenwerking leidde onder meer tot Le Déracinement (1964; Engelse vertaling: Uprooting 2020) over de gedwongen, grootschalige ‘hergroepering’ van Algerijnse boeren, die door Franse militairen werden verdreven van hun land om in een van de honderden zogenaamde hergroeperingskampen te worden ondergebracht. Met behulp van uiteenlopende methoden (etnografie, cartografie, statistiek) brengen Bourdieu en Sayad de sociale ontwrichting in kaart die meer dan twee miljoen Algerijnen trof.

Inheemse kennis en uitheemse aspiraties

De samenwerking van Sayad en Bourdieu is een zeldzaam voorbeeld van het samengaan van inheemse en uitheemse perspectieven. In hun werk combineerden zij een intieme vertrouwdheid met het leven en werken van de gekoloniseerde Algerijnse bevolking met hun op Frankrijk gerichte wetenschappelijke aspiraties. Amín Pérez’ Bourdieu and Sayad Against Empire belicht de unieke samenwerking nader. Aan de hand van een schat aan archiefmateriaal laat Pérez zien hoe Bourdieu en Sayad, al improviserend en onder de extreem moeilijke omstandigheden van een oplaaiende koloniale oorlog, onderzoek entameerden. Daarvoor mobiliseerden ze zo ongeveer alles wat hun ter beschikking stond: in onderzoek geïnteresseerde studenten, familierelaties van Sayad, regelingen van officiële instanties en medewerkers van het statistisch bureau in Algiers. De onderzoeksprojecten onttrokken zich aan bureaucratische regels en formele onderzoeksprocedures, maar werden verricht in de rotsvaste overtuiging dat het Franse kolonialisme niet alleen bestreden, maar ook bestudeerd moest worden.

De onderzoeksprojecten van Bourdieu en Sayad onttrokken zich aan bureaucratische regels en formele onderzoeksprocedures, maar werden verricht in de rotsvaste overtuiging dat het Franse kolonialisme niet alleen bestreden, maar ook bestudeerd moest worden.

Dat leidde tot inzichten in de koloniale machtsverhoudingen, de Franse koloniale politiek en de gevolgen daarvan voor de Algerijnse bevolking, maar ook tot theoretische bijdragen die Bourdieu later verder zou ontwikkelen. Zo bleken de tegenstellingen tussen de traditionele dorpseconomie en stedelijke markten voor ontwortelde boeren onoverbrugbaar te zijn. De gebruiken en gedragingen van de plattelandsbevolking stonden wat dat betreft haaks op verwachtingen van het koloniale beleid. Bourdieu en Sayad lieten zien dat de ‘habitus’ van de boerenbevolking, hun leefwijze en gedragsrepertoire, op heel andere principes berustte dan koloniale beleidseconomen veronderstelden. De Algerijnse onderzoekservaringen leidden bovendien tot een nieuwe manier van sociologie beoefenen. Eenmaal teruggekeerd naar Frankrijk ontwikkelde Bourdieu deze onbureaucratische, reflexieve en geëngageerde stijl van sociologie verder aan het onderzoekscentrum waarvan Raymond Aron hem in 1961 de feitelijke leiding toevertrouwde. Daar initieerde hij de reeks van studies naar het hoger onderwijs, fotografie en museumbezoek waarmee hij bekendheid verwierf. Sayads loopbaan kende meer hindernissen, al werd hij een van de pioniers van het migratieonderzoek in Frankrijk en begint ook zijn werk nu internationaal weerklank te vinden.

Verstript

Maar de meest verrassende publicatie over de herontdekte koloniale sociologie is wel het beeldverhaal Bourdieu: une enquête algérienne (2023) van tekenaar Olivier Thomas en stripscenarist Pascal Génot. Aan hun stripalbum ging een uitgebreid onderzoek vooraf. Pascal Génot, die promoveerde in de communicatiewetenschappen, las de beschikbare studies van en over Bourdieu en Sayad, interviewde getuigen en deskundigen – sommigen worden ook geportretteerd in hun beeldverhaal – en reisde af naar Algerije om ter plekke te bezien waar Bourdieu en Sayad elkaar ontmoetten en hun onderzoek deden. Het resultaat is een voortreffelijk gedocumenteerd verhaal, informatiever en beter onderbouwd dan menig academisch commentaar. De auteurs citeren brieven, drukken historische documenten af, en beschrijven en visualiseren vele episodes uit deze bewogen geschiedenis. Van de paar scènes die niet berusten op bestaande bronnen, zoals de vechtpartij van de jonge Bourdieu op het schoolplein van zijn middelbare school, staat dit ook in de verantwoording vermeld. Deze komen voor rekening van de artistieke vrijheid.

In de levendige Franse stripcultuur zijn niet alleen romans en historische figuren en gebeurtenissen verstript, ook beoefenaars van de sociale wetenschappen en hun werk verschijnen inmiddels in beeldverhalen. Zo waagde de jonge striptekenaar en -scenariste Thiphaine Rivière zich onlangs aan het verstrippen van Bourdieu’s klassieke maar notoir ingewikkelde studie over klassenverhoudingen en smaak, La Distinction (1979).

Het omvangrijke oeuvre van Bourdieu, zo benadrukken Steinmetz en Pérez beiden, gaat terug op de vormende onderzoeksjaren in koloniaal Algerije. Dat wordt in de Angelsaksische wereld nogal eens uit het oog verloren. Daar is Bourdieu vooral gelezen als een gerenommeerd theoreticus.  Geen van de andere ‘koloniale’ sociologen kan in reputatie wedijveren met Bourdieu, maar ook de overige drie door Steinmetz op de voorgrond geplaatste figuren zijn erkende en – zeker in Frankrijk – vooraanstaande sociologen. Vele anderen, aldus Steinmetz, zouden daaraan kunnen worden toegevoegd. Dat de traditie van ‘koloniale sociologie’ uit het collectieve geheugen is verdrongen, komt dan ook niet doordat het betreffende werk zou zijn besmet met eurocentrische vooroordelen en kolonialistische aannames. Dat gaat voor de meeste koloniale sociologen in het geheel niet op. Voor het dekoloniseren van de sociologie, dat wil zeggen voor een beter begrip van de betekenis van Europees en ander kolonialisme, is veel van de Franse ‘koloniale sociologie’ nog steeds van waarde.

Niet-westerse sociologie

Steinmetz maakt ook af en toe vergelijkingen met andere landen. Anders dan de Franse was bijvoorbeeld de Amerikaanse sociologie in hoge mate geconcentreerd op de eigen samenleving. De studie van andere samenlevingen en culturen werd uitbesteed aan de antropologie, en steeds meer ook aan aparte area studies, die na de Tweede Wereldoorlog in leven werden geroepen om de VS als nieuwe wereldmacht van kennis te voorzien over andere delen van de wereld.Een ontwikkeling die beter vergelijkbaar is met die in de Franse sociologie, deed zich voor in andere voormalige koloniale mogendheden als Engeland, Portugal en Nederland. Inderdaad ontwikkelde zich ook in Nederland een breed georiënteerde traditie die hier ‘niet-westerse sociologie’ heette. Evenmin als ‘koloniale sociologie’ is dat een gelukkige benaming, want de bekendste vertegenwoordigers ervan, de Amsterdamse hoogleraar Wim Wertheim (1907-1998) en diens opvolger Jan Breman, verwierpen juist de scheiding in het bestuderen van westerse en niet-westerse samenlevingen. In hun op Azië gerichte onderzoek stonden zij een postkoloniale en mondiale oriëntatie voor, die institutioneel vorm kreeg in de Amsterdamse School voor Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek (ASSR). Onder leiding van Jan Breman en Abram de Swaan werd dat een bloeiend centrum van historiserend en vergelijkend onderzoek in mondiaal perspectief. Breman vond daarbij een ‘anti-disciplinaire’ houding vereist. Je kunt geen disciplinegrenzen overstijgen als die geen wetenschappelijke basis hebben. De eigenzinnige school heeft de opeenvolgende herstructureringsrondes niet overleefd; in 2010 ging ze gedwongen op in een grotere eenheid die was gestoeld op andere uitgangspunten. Maar dat is een geschiedenis die nog geboekstaafd moet worden.