Uit ons archief: Twee halve aardes, mensenpark/nieuwe wildernis
🖋 Frans W. Saris


Zien wij onze planeet als ‘space-ship Earth’ of Moeder Aarde? En moeten wij haar in twee helften gaan beheren: een  mensenpark en een nieuwe wildernis? Journaliste Elisabeth Kolbert luidt de noodklok in haar Pulitzerprijswinnende studie over uitsterven, bioloog Edward Wilson ziet de oplossing in het instellen van een megareservaat. Door Frans W. Saris


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Elizabeth Kolbert,  Het zesde uitsterven (Tichris 2015), 288 blz.
Elizabeth Kolbert,  Sixth Extinction. An Unnatural History (Bloomsbury 2015), 336 blz.

In 1758 publiceerde Carl Linnaeus, professor in de botanie aan de Universiteit van Uppsala in Zweden, het classificatiesysteem van dubbele namen dat biologen nog steeds gebruiken. Zijn doel was een beschrijving te geven van alle soorten planten en dieren ter wereld. Met hulp van zijn studenten, die zelfs reizen maakten naar Zuid-Amerika en Japan, kwam Linnaeus uit op een aantal van ongeveer 20.000 soorten. In 2009 was dat aantal volgens de Australian Biological Resources Study uitgegroeid tot 1,9 miljoen. Sinds 2009 zijn er per jaar ongeveer 18.000 nieuwe soorten ontdekt, die formele Latijnse dubbele namen toebedeeld hebben gekregen. Dit betekent dat het aantal wetenschappelijk bekende soorten in 2015 de 2 miljoen is gepasseerd.

Volgens Edward O. Wilson (in Half Earth. Our Planet’s Fight for Life) is dit getal veel te laag. ‘Het zijn de kleine dingen die de wereld runnen,’ zegt deze entomoloog. Als we onderbouwde schattingen over de ongewervelden (zoals insecten, schaaldieren en regenwormen) optellen bij de algen, schimmels, mossen en andere lagere planten, en bij de zaad- en bloemplanten, de bacteriën en andere micro-organismen, varieert het aantal soorten tussen 5 miljoen en meer dan 100 miljoen.

Edward O. Wilson, De halve aarde (AUP 2016), 236 blz.
Edward O. Wilson, Half Earth. Our Planet’s Fight for Life (W.W. Norton & Co. 2016), 272 blz.

Wie bij biodiversiteit alleen denkt aan dieren in Artis en planten in de Hortus moet zich realiseren dat het menselijk lichaam bestaat uit 40 biljoen lichaamscellen. Het gemiddeld aantal bacteriën, schimmels, virussen en andere micro-organismen dat ons zogeheten microbioom vormt, valt minstens een factor tien hoger uit. Het zijn deze micro-organismen die ook onze binnenwereld runnen. Als ons microbioom uit evenwicht raakt, raken onze organen van streek, werkt onze stofwisseling niet goed, functioneren we slecht, worden we ziek en lopen serieus gevaar te sterven. De levende natuur is een symbiose tussen groot en klein. Elk organisme dat vandaag leeft is het resultaat van 3,8 miljard jaar evolutie. Niet alleen wij maar ook zij hebben het overleefd en in symbiose zijn wij de kampioenen van het leven op aarde.

Uitsterven
Degenen die de Koude Oorlog in de tweede helft van de vorige eeuw bewust hebben meegemaakt, zullen zich de angst voor een totale vernietiging van al het leven op aarde herinneren. Toen waren het de met kernbommen beladen langeafstandsraketten die ons de stuipen op het lijf joegen. Onze toekomst en die van alle levende wezens lag in handen van een Dr. Strangelove, die aan een van beide zijden van het IJzeren Gordijn, per abuis of met opzet, maar op een knop hoefde te drukken. In de eenentwintigste eeuw zijn wijzelf die Dr. Strangelove. Wij houden van de natuur maar zijn hard op weg hem uit te roeien. Dat is de huiveringwekkende boodschap van Elizabeth Kolberts boek The Sixth Extinction, An Unnatural History.

Zij neemt ons mee naar de Biodiversity Hall in het American Museum of Natural History. Daar ligt midden in de zaal een plaquette in de vloer die de museumbezoekers leert dat in de afgelopen 500 miljoen jaar het leven op aarde vijf keer bedreigd werd met uitsterven. Volgens de plaquette waren ‘Global climate change and other causes, probably including collisions between Earth and extraterrestrial objects’ verantwoordelijk voor deze gebeurtenissen. En de plaquette gaat verder: ‘Right now we are in the midst of the Sixth Extinction, this time caused solely by humanity’s transformation of the ecological landscape.’ Rondom die plaquette liggen onder plexiglas fossielen in chronologische volgorde, de oudste in het midden en aan de rand de jongste – een tand van de Tyrannosaurus Rex. De plaats waar je zelf staat, als je naar deze fossielen kijkt, is precies de plek waar de slachtoffers van de ‘Sixth Extinction’ terecht zullen komen.

Ook wij mensen kunnen tot die slachtoffers behoren omdat wij op grote schaal bezig zijn de biosfeer te veranderen. Wij bepalen weliswaar tot op zekere hoogte onze eigen evolutie en die van andere levende wezens, maar we blijven toch afhankelijk van de biologische en geo-chemische systemen van Moeder Aarde waarvan we de werking nauwelijks kennen, laat staan begrijpen. Door die systemen zo abrupt te veranderen als we thans doen – door het kappen van tropische regenwouden, de uitstoot van broeikasgassen in de atmosfeer en het verzuren van de oceanen – brengen we niet alleen de biodiversiteit in gevaar maar daarmee ook ons eigen voortbestaan. Kunnen wij ongestraft grote takken van de boom des levens afzagen? Of zoals de tekst van de ecoloog Paul Ehrlich in de Biodiversity Hall zegt: ‘In pushing other species to extinction humanity is busy sawing off the limb on which it perches.’

Hoe komt men erbij dat er juist nu sprake zou zijn van een ‘Sixth Extinction’? Is het niet zo dat het uitsterven en ontstaan van soorten inherent is aan de evolutie? Volgens evolutiebiologen is 99 procent van alle soorten die ooit op aarde bestaan hebben thans uitgestorven.

Normaal verloopt de evolutie heel langzaam. Paleontologen meten het uitsterven van een soort per miljoen ‘soorten.jaren’. Voor zoogdieren is dat getal ongeveer 0.25 per miljoen soorten.jaren. Aangezien er vandaag de dag ongeveer vijfenvijftighonderd verschillende soorten zoogdieren op aarde rondzwerven, zou er onder normale omstandigheden ongeveer een per zevenhonderdvijftig jaar uitsterven. Voor andere soorten, planten en dieren, zal dit getal anders zijn maar toch in de orde van een per duizend jaar. Het betekent dat onder normale evolutionaire omstandigheden de kans dat wij mensen tijdens ons leven (tachtig jaar) het uitsterven van een soort meemaken heel klein is.

Het uitsterven van soorten gaat tegenwoordig echter veel sneller dan één per duizend jaar. Herpetologen schatten dat er van de amfibieën vijftig soorten per jaar van de aardbodem verdwijnen. Andere soorten benaderen de uitsterfsnelheid van amfibieën: een derde van alle koraalriffen, een derde van alle weekdieren, een derde van alle haaien, een kwart van alle zoogdieren, een vijfde van alle reptielen en een zesde van alle vogels zijn hard op weg uit te sterven. De verliezen vinden overal plaats: in de Stille en in de Atlantische Oceaan, in de poolgebieden en in de Sahel, in meren en op eilanden, op bergtoppen en in dalen. Als je weet waar je moet kijken, zie je waarschijnlijk tekenen van uitsterven in je eigen tuin.

De oorzaken van het massaal uitsterven verschillen van soort tot soort, maar de eigenlijke boosdoener is steeds dezelfde: Homo Sapiens. Volgens meteoroloog Paul J. Crutzen, die de Nobelprijs kreeg voor de ontdekking van het ozongat, leven wij niet langer in het Holoceen maar in een nieuw geologisch, door mensen gedomineerd tijdperk, het Antropoceen. Hij voert daarvoor de volgende redenen aan:

  • Mensen hebben een derde tot de helft van het aardoppervlak getransformeerd.
  • De meeste grote rivieren zijn van stuwdammen voorzien en gekanaliseerd.
  • Kunstmestfabrieken produceren meer stikstof dan de natuur kan absorberen.
  • De visserij haalt een derde meer uit de oceanen dan zij voortbrengen.
  • Mensen gebruiken meer dan de helft van al het zoete water dat beschikbaar is.
  • Door de uitstoot van broeikasgassen en het kappen van regenwouden is de concentratie van CO2 in de atmosfeer met 40 procent gestegen en die van CH4 is verdubbeld, hetgeen het klimaat nog eeuwen uit evenwicht zal brengen.

Elizabeth Kolbert vertelt haar verhaal over het massaal uitsterven in dertien hoofdstukken aan de hand van dertien verschillende organismen verspreid over de gehele wereld. De Panamese gouden kikvors en de vleermuis van Vermont bezwijken aan de besmetting met zwammen die door onze reislust over de aarde worden uitgestrooid. Koraalpoliepen leven van koolzuur in het water, maar de huidige snelheid van verzuring kunnen ze niet bijhouden dus sterven ze massaal uit. Planten en bomen kunnen niet meebewegen met het tempo van klimaatverandering dat wij veroorzaken. Door het kappen van regenwoud ontstaan ook op het land eilanden van biodiversiteit die te klein zijn voor ‘little things that run the world’. De Sumatraanse neushoorn en andere leden van de Big Five ontlopen de jacht niet en moeten in dierentuinen zien te overleven. Kolbert eindigt haar boek met een bezoek aan de Frozen Zoo nabij San Diego waar van alle biodiversiteit op aarde de grootste collectie genetisch materiaal bewaard wordt in diep bevroren ampullen, en vraagt: ‘Does it have to end this way?’

Halve aarde
Volgens Wilson hebben wij ongeveer de helft van het aardoppervlak getransformeerd en zouden we het daarbij moeten laten. De wildernis die er nu nog is zou beschermd moeten worden als het Paradijs waaruit Adam en Eva zijn verstoten. In zijn vorige boek, A Window on Eternity, heeft Wilson voor Gorongosa National Park in Mozambique laten zien hoe ongelooflijk veerkrachtig de natuur is mits afgeschermd van mensen. Hoewel de burgeroorlog in het park een verschroeide aarde had achtergelaten, is het twintig jaar later weer een hotspot van biodiversiteit. Als de natuur maar ongestoord zijn gang kan gaan. ‘Toonaangevende personen in het biodiversiteitsonderzoek en bij natuurbehoud beseffen al geruime tijd dat de nog bestaande natuurgebieden in de wereld geen kunstmusea zijn. Het zijn geen tuinen die voor ons amusement zijn ingericht en moeten worden onderhouden. Het zijn geen recreatiecentra of oorden die rijk zijn aan natuurlijke hulpbronnen; het zijn geen sanatoria of onontwikkelde plekken voor businesskansen – van welke aard dan ook. De wildernisgebieden en het gros van hun beschermde biodiversiteit vormen een andere wereld dan de wereld die de mens in elkaar frommelt.’

Wilson is bang dat de term Antropoceen gaat betekenen dat mensen juist denken door te kunnen gaan met het transformeren van het aardoppervlak. Van echte wildernis zou toch al lang geen sprake meer zijn. Het zou zelfs onze opdracht zijn, van God of van de ‘corporate priesthood’, de aarde voor ons mensen te ontwikkelen. Wij zouden zeer goed, ja zelfs beter, kunnen leven zonder biodiversiteit, met kippen, koeien en kweekvis, met soja, mais en olijven, met uitsluitend gedomesticeerde dieren en planten. Wilson bestrijdt dat en noemt dit een gevaarlijk wereldbeeld: het tijdperk van het Eremoceen (‘the Age of Loneliness’). In dit verband citeert hij Alexander von Humboldt: ‘Het gevaarlijkste wereldbeeld is het wereldbeeld van hen die geen beeld van de wereld hebben.’

Om te tonen dat het nog niet te laat is neemt Wilson ons mee naar de ‘beste plaatsen in de biosfeer’. De mammoetbossen van Californië, de dennensavannen in het zuidoosten van de VS, de Madrean-archipel van Mexico, de nog bijna ongerepte natuur op Cuba en Hispaniola, het hele Amazonegebied, de Atlantische bossen van Zuid-Amerika, de Galapagoseilanden, de oerbossen van Polen en Wit-Rusland, de savanne van Serengheti, Gorongosa-, Kruger- en andere nationale parken in Afrika, de oerwouden van Congo en Ghana, Madagaskar, het Altaj-gebergte in Centraal Azië, de Indonesische archipel, Nieuw-Guinea, en ten slotte Polynesië. ‘De enige oplossing voor de “zesde uitroeiing”’, zegt Wilson, ‘is de uitbreiding van het areaal onschendbare natuurreservaten tot een oppervlakte die op zijn minst de halve aarde omvat.’

Elizabeth Kolbert maakt in haar boek een kleine rekensom. Ongeveer 130 miljoen km2 landoppervlak is ijsvrij; daarvan is ruim de helft, namelijk 70 miljoen km2, getransformeerd voor landbouw, veeteelt, industrie, wegen en stadsontwikkeling. Van de overblijvende 60 miljoen km2 is iets meer dan de helft bebost maar niet met ongerepte natuur; de rest zijn hoge bergen, toendra of woestijn. Echte wildernis, schrijft Kolbert, is nog maar op 30 miljoen km2, dus nog maar op een kwart van het aardoppervlak te vinden en driekwart is al mensenpark.

Dan is er nog dat probleem van onze voetafdruk. De ecologische voetafdruk voor een bepaald jaar is een getal dat weergeeft hoeveel biologisch productieve grond een bepaalde bevolkingsgroep in dat jaar gebruikt om zijn consumptieniveau te kunnen handhaven en zijn afvalproductie te kunnen verwerken. Er zijn verschillende websites waarop je je eigen ecologische voetafdruk kan berekenen en vergelijken met die van mensen in andere landen. Als je het beschikbare landoppervlak op aarde, 130 miljoen km2, deelt door 10 miljard, de verwachte wereldbevolking in 2050, dan is er 1,3 hectare land per wereldburger beschikbaar. Thans is de ecologische voetafdruk van Nederlanders 6,2 hectare. Als iedere wereldburger zo zou leven als wij, en waarom niet, dan is een halve aarde bij lange na niet genoeg, dan zijn er minstens drie aardes nodig.

Wilson onderkent dit. Hij pleit ervoor op die halve aarde waar mensen wonen en werken de efficiëntie zo groot mogelijk te maken door toepassing van duurzame energie. Dat zal zeker helpen; het gebruik van fossiele energie voor productie, transport, verwarming en voedselvoorziening bepaalt in belangrijke mate de grootte van onze voetafdruk. Er is genoeg duurzame en betaalbare energie. De uitdaging is energie uit zon, wind en biomassa beschikbaar te maken voor iedereen. Ook is het mogelijk een wereldbevolking van 10 miljard mensen te voeden. Volgens de National Geographic (zie natgeofood.com) kan dit zelfs op het huidige agrarisch areaal, dus zonder onze voetafdruk te vergroten, door verhoging van het rendement, door de productie en consumptie van dierlijke eiwitten drastisch te verminderen en door het wijder verbreiden van genetisch modificatie.

Wilson pleit ook voor het maximaal invoeren van genetische manipulatie. Hij praat zelfs zijn collegae in Harvard na die zeggen dat ze menselijke embryo’s willen synthetiseren om betere mensen te kunnen maken. Een waanzinnig idee, dat volgens mij alleen bedoeld is om politici en entrepreneurs extra geld uit de zakken te kloppen; Wilson onwaardig. Hij heeft wel gelijk wanneer hij zegt dat er, voordat het te laat is, veel meer onderzoek moet worden gedaan aan het genetisch materiaal van alle vormen van biodiversiteit die met vernietiging worden bedreigd terwijl we niet tot nauwelijks iets weten over hun functies en overlevingswaarden.

Ik geloof niet dat de massale uitroeiing van het leven op aarde onvermijdelijk is. En hoewel mensen massaal naar de steden trekken, geloof ik evenmin dat Wilsons twee halve aardes reëel zijn. Als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Dat hebben we gezien bij de kruisraketten en de kernwapens, dat hebben we ook gezien bij het ozongat. Er is hoop; de IPCC in Parijs was misschien al een keerpunt, de aandelen olie zijn gekelderd, aan CO2-recycling wordt hard gewerkt, duurzame energie is betaalbaar en populairder dan ooit, steeds meer mensen kiezen voor biologisch voedsel, consumptie van dierlijke eiwitten neemt af, superrijken ontfermen zich over natuurgebieden, enzovoorts. Zouden wij dan toch onze verantwoordelijkheid gaan nemen?