Uit ons archief: Hamburgers met een hoge c
🖋 Frans W. Saris


‘Niet de zonde moet verleiden’, waarschuwt Louise Fresco in haar magnum opus, ‘maar het verstandige moet onweerstaanbaar worden.’ Loh en Harmon ontdekten een parallellie tussen het verlies aan biodiversiteit en talenrijkdom. Als we Abram de Swaans Q-waarden voor talen mogen toepassen op ons voedsel blijkt: het gevaar dat het Engels is voor de kleine talen, dat is de hamburger voor de biodiversiteit. Door Frans W. Saris


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Louise O. Fresco, Hamburgers in paradise. The Stories Behind the Food We Eat (Princeton University Press 2015), 560 blz.
Louise O. Fresco, Hamburgers in het paradijs: voedsel in tijden van schaarste en overvloed (Prometheus 2013), 544 blz.

Stel je voor, schrijft Louise Fresco in haar levenswerk, Hamburgers in Paradise,

‘kunstmatige bomen die de lucht filteren en tegelijk als zonnepanelen dienen, lichtgevende vegetatie, reservoirs met vissen die het afvalwater zuiveren, gebouwen met groene muren, zodat het dichtbegroeide hellingen lijken, verticale of schuine al dan niet geterrasseerde tuinen met bomen, geplant in lichtgewicht substraat (kunstmatige aarde) gevoed door een systeem van gesloten aanvoer van water met een voedingsoplossing, horizontale tuinverdiepingen in lagen boven elkaar, boomgaarden en groentebedden afgewisseld met windmolens. Gestapelde boerenbedrijven, met varkensstallen op het dak. Methaan vanuit de dierlijke productie voor de bio-vergisters. Algen- en visteelt in ondergrondse tanks in parkeergarages. Micro-logistieke tuinbouw waarbij de productie in gesloten ecosystemen door computers wordt gecontroleerd.’

Denk maar niet dat dit als karikatuur bedoeld is. Louise Fresco tart haar idealistische lezers voortdurend met de werkelijkheid. De voedingsindustrie is bezig een plaats te veroveren tussen de grote jongens op bijvoorbeeld de Maasvlakte. En met harde cijfers tonen zij aan dat deze ontwikkelingen niet alleen het meest duurzaam en efficiënt zijn maar ook nog eens meetbaar minder stress veroorzaken bij planten en dieren.

Jonathan Loh & David Harmon, Biocultural Diversity: Threatened Species, Endangered Languages (WWF 2014), 56 blz. (te downloaden via http://tinyurl.com/bioculturaldiversity)
Abram de Swaan, Words of the World: The Global Language System (Polity Press 2001), 272 blz.

Zeker, Louise Fresco staat zelf aan de kant van de sobere flexitariërs. ‘Groentesoep, gegrilde gemengde groenten, met grof brood, olijfolie, een glas rode wijn en harde kaas en kersen toe (dat laatste alleen in de zomer natuurlijk) – dat is voor mij al een hoogtepunt.’ Honger de wereld uit helpen, dat heeft bij haar de hoogste prioriteit, en wie zou het daarmee oneens willen zijn. Helemaal als dat kan op het huidige landbouwareaal in de wereld. Maar dan moeten we niet nostalgisch dromen van biologische, kleinschalige, lokale Boertjes van Buuten. Dan moeten we ons niet blijven verzetten tegen biotechnologie, en ophouden met het demoniseren van genetische modificatie. Dan moeten we ons realiseren dat er in Azië en Afrika miljarden mensen zijn die smachten naar onze hamburgers en andere dierlijke eiwitten die wij zo overvloedig produceren, consumeren en in de straatcontainers smijten.

Wereldwijd is minder dan 12%, of 1,5 miljard hectare, van het totale landoppervlak van de aarde in gebruik voor de akkerbouw. Dat lijkt niet veel, toch is het op zich alweer een groei van 12% ten opzichte van het percentage van veertig jaar daarvoor – een gemiddelde toename van vier miljoen hectare per jaar. De meeste groei vond plaats in Afrika en Zuid-Amerika. In dunbevolkte gebieden in de wereld is er nog bijna vijfhonderd miljoen hectare aan potentieel geschikt maar ongebruikt land, waarvan tweehonderd miljoen in Afrika ten zuiden van de Sahara, meer dan honderd miljoen in Latijns-Amerika, en vijftig miljoen in Oost-Europa en in Centraal-Azië. De opbrengsten per hectare liggen nu gemiddeld op 30% van het haalbare en kunnen dus gemakkelijk stijgen. Theoretisch zou de aarde vijftig miljard mensen moeten kunnen voeden mits we het geschikte oppervlak inclusief de tropische bossen gebruiken en iedereen uitsluitend vegetarisch eet. In dat perspectief lijkt het voeden van de verwachte negen miljard mensen in 2050 haalbaar.

In het paradijs was voedsel geen probleem, het was er in overvloed, hoefde niet te worden geteeld, lag er voor het oprapen of hing klaar voor de pluk. Maar waarom mochten Adam en Eva in hemelsnaam niet eten van de boom van kennis van goed en kwaad? Waarom werden zij uit het paradijs verdreven toen Eva zich liet verleiden door de slang en Adam door haar? Vanaf dat moment, zegt Louise, gold voor Adam en Eva: ‘Eten is weten is geweten’. Wij hebben onze onschuld verloren en moeten in het zweet des aanschijns ons brood verdienen. Voeding is problematisch geworden, niet alleen voor hen die honger lijden, ook voor ons die in overvloed leven. Dat is de nieuwe erfzonde. Sindsdien is er voor ons geen weg terug naar het paradijs.

Als jagers en verzamelaars hebben mensen weliswaar in een zekere harmonie met de natuur geleefd, maar het was een onverbiddelijke strijd om het bestaan waaraan iedereen dag in dag uit moest bijdragen op straffe van uitsterven. Pas toen mensen landbouw en veel later ook veeteelt gingen bedrijven kwam voeding voor grotere groepen mensen beschikbaar en breidde de wereldbevolking zich snel uit. De basis voor de Groene Revolutie werd gelegd vanaf het einde van de negentiende eeuw. Toen werden voor het eerst wetenschappelijke inzichten op het terrein van landbouw en voeding toegepast. Met nieuwe gewassen in de tweede helft van de twintigste eeuw groeide de toename van de graanopbrengsten met vijftig kilo per hectare per jaar. Sinds 1960 is de productie in ontwikkelingslanden net als de wereldbevolking meer dan verdubbeld. Na de aanvankelijke euforie over deze Groene Revolutie gaan vanaf ongeveer 1980 teleurstellingen overheersen. De sociale kosten door schaalvergroting, het excessieve gebruik van chemicaliën, de vervuiling van de bodem, en nieuwe ziekten als Q-koorts en gekkekoeienziekte wakkeren nu zelfs cynisme aan.

Er is een tweede, ditmaal Duurzame Groene Revolutie nodig. Er is weinig op het gebied van voeding wat Louise Fresco onbesproken laat, maar een beschrijving van de Duurzame Groene Revolutie is haar toch te veel gevraagd. Daarvoor heeft zij ook te veel nuance, of noem het pragmatisme. Niet al het gewenste gaat immers altijd samen: geen kunstmest en wel de wereld voeden, geen genetische modificatie en geen chemische bestrijdingsmiddelen, geen schaalvergroting en een hoger rendement, minder arbeid inzetten en minder machines. Het gaat altijd om keuzes en dus om verantwoordelijkheidsgevoel en de bereidheid risico’s te nemen. ‘Ik vermoed’, schrijft Louise, ‘dat het in Europa, net als nu, een beetje van alles wordt: boomgaarden rondom de stad en varkensflats binnen de bebouwde kom, graan in de polder en kassen in de haven, en veel meer visteelt langs de kust, en het beschermen van cultuurlandschappen en tradities.’ Is dit het onvermijdelijke hamburgerparadijs op aarde?

Bioculturele evolutie
In de kruin van de boom des levens is een nieuwe loot geënt die de culturele evolutie van homo sapiens verbeeldt. Darwins idee werkt niet alleen in de biologie, ook ons culturele DNA is onderhavig aan reproductie, variatie en selectie. Biologische soorten kunnen we onderscheiden op grond van de mogelijkheid vruchtbare nakomelingen te verwekken. Hoe maken we onderscheid tussen culturen? Culturele erfenis wordt overgedragen door te leren van generatie op generatie. Dit gebeurt vooral door middel van taal. De bioloog Loh en de antropoloog Harmon identificeren verschillende culturen aan de hand van de talen die bij die culturen horen. Net als biologische soorten vormen sommige talen nauw verwante families. Talen binnen dezelfde familie hebben een gezamenlijke voorouder. Bovenin de boom van biodiversiteit is in de kortst mogelijke tijd een stamboom van talen gegroeid die evenzovele culturen vertegenwoordigt.

Er zijn ongeveer zevenduizend talen verspreid over de wereldbol. Als je alle talen uitzet op de biodiversiteitskaart van de wereld zie je grote overeenkomsten. In de tropen is de dichtheid aan talen veel groter dan in de gematigde streken, dat geldt ook voor biodiversiteit. Nieuw-Guinea, beroemd vanwege zijn hoge aantallen endemische soorten – planten en dieren die je nergens anders ter wereld kan vinden – is ook een talen-hotspot. Op amper één procent van het aardoppervlak worden meer dan duizend verschillende talen gesproken.

Als je de oorspronkelijk voor de levende natuur bedoelde Rode Lijst toepast op levende talen, wat Loh en Harmon doen, ontstaat een beeld van de afname in bioculturele diversiteit met de tijd. Wederom is hier sprake van een curieuze parallellie. Zowel de wereldwijde soortenrijkdom als de ‘woorden’ van de wereld namen gemiddeld met 30% af in de laatste veertig jaar.

Sinds 1970 vonden de grootste reducties in biodiversiteit plaats in tropisch Afrika (-40%), het Indo-Pacifisch gebied (-65%) en tropisch Zuid-Amerika (-50%). Voor talen was de grootste teloorgang sinds 1970 in Zuid-Amerika (-75%), terwijl de afname in tropisch Afrika beperkt bleef tot -20% en in het indopacifisch gebied tot -30%. Oftewel, in de afgelopen veertig jaar nam wereldwijd de bio-culturele diversiteit af met gemiddeld 30% – maar plaatselijk waren er flinke verschillen. Biodiversiteit had het meest te lijden in de tropen, talendiversiteit liep de meeste schade op in de nieuwe wereld.

De bruikbaarheid van wat Loh en Harmon doen met talen, planten en dieren is vergelijkbaar met de analyse van beurskoersen op Wallstreet en andere effectenbeurzen. Ze geven een trend, maar ‘succes uit het verleden is geen garantie voor de toekomst’.

Q-waarden van talen, planten en
In zijn analyse over het mondiale talenstelsel, Words of the world, definieert Abram de Swaan Q-waarden van talen: een eenvoudige maat voor de communicatiewaarde van een taal binnen een bepaalde taalfamilie. Hiermee kun je bepalen of een taal springlevend is en kerngezond (zoals het Nederlands), nog steeds groeiend (zoals het Engels dat alle kleine talen langzaam maar zeker verdringt: ‘hoe meer talen, hoe meer Engels’), of aan erosie onderhevig (zoals het Frans in de EU).

Q = p x c, het product van p, de ‘prevalentie’ van een taal (dat wil zeggen het percentage sprekers van een taal binnen een gegeven familie van talen) en c haar ‘centraliteit’ (het percentage meertalige sprekers van die taal onder alle meertaligen binnen de talenfamilie). Een belangrijke aanname is dat mensen bij voorkeur die taal als tweede taal leren die de Q-waarde van hun talenrepertoire meer dan een andere taal verhoogt.

De correlatie tussen biodiversiteit en talenrijkdom suggereert dat er niet alleen Q-waarden zijn van talen maar ook van planten en dieren. Toen Abram de Swaan in 2001 zijn Q-waarden introduceerde was de correlatie tussen biodiversiteit en talenrijkdom nog niet zo bekend. Loh en Harmon ontdekten die correlatie maar refereren niet naar het werk van De Swaan. Zou het niet een prachtig promotieonderzoek zijn aan de door Fresco zelf geleide Wageningen Universiteit om van planten, dieren en ook van voedsel de Q-waarden te bepalen?

Van alle zevenduizend talen in de wereld is de p (van prevalentie) het hoogst voor Engels: voor de meeste mensen is Engels hun eerste taal. Engels heeft ook de hoogste c (voor centraliteit): van de mensen die een andere taal als moerstaal hebben, leren de meesten Engels als tweede taal. Daarmee verkrijgt Engels de hoogste Q-waarde van alle talen, immers Q = p x c.

Geldt dit ook niet voor de hamburger? Voor velen (bijvoorbeeld in de food deserts die de armere wijken van grote Amerikaanse steden zijn geworden) is de hamburger al het belangrijkste, zo niet het enige voedsel, dus die heeft een hoge p-waarde. De hamburger heeft ook een hoge c, want voor de mensen die rijst, aardappelen of pasta als eerste voedsel op hun dieet hebben is de hamburger vaak hun tweede voedsel. Het zou mij niet verbazen als de hamburger van al ons voedsel inmiddels de hoogste Q-waarde heeft.

Wat Engels is voor de talenrijkdom in de wereld, dat is, vrees ik, de hamburger voor de biodiversiteit. Het gevaar van hamburgers met een hoge ‘c’ is dat ze wereldwijd een hoge marktwaarde hebben. Naarmate meer mensen een zelfde gewas of voedingsproduct in hun dieet opnemen loont het meer de moeite in dat product te investeren. Het gevolg is dat de hamburger met zijn hoge ‘c’ de andere voedingssoorten van de markt drukt, zoals het Engels dat met de kleine talen doet. Planten en dieren die niet bijdragen tot de hamburger of andere fastfoodproducten worden schaars. Voor het merendeel van ons dieet benutten wij slechts een dozijn van alle ongeveer driehonderdduizend soorten bloemplanten op aarde. Deze verschraling, die door de hamburger bevorderd wordt, vormt in al haar gebrek aan diëtaire diversiteit en gevoeligheid voor ziekten toch een potentieel gevaar voor onze voedselvoorziening en gezondheid in de toekomst?

Hamburgerparadijs
‘Niet de zonde moet verleiden’, schrijft Louise Fresco, ‘maar het verstandige moet onweerstaanbaar worden.’ Gelukkig hebben boeren zaden van honderden landbouwgewassen en honderdduizenden oorspronkelijke variëteiten bewaard. Deze liggen opgeslagen in genenbanken over de hele wereld. Dit zijn niet slechts bewaarplaatsen, vanuit deze voorraden werden en worden door kruisingen resistente soorten rijst, tarwe en andere landbouwgewassen gekweekt. Zou het niet verstandig zijn om in wetenschappelijk onderzoek aan alle biodiversiteit prioriteit te geven voor het te laat is?

Alle levende organismen van vandaag zijn kampioenen van de evolutie. Ze hebben miljoenen jaren overleefd door zich aan te passen aan ontelbaar veel bedreigingen en ze bezitten eigenschappen die van waarde zijn voor het behoud van het systeem dat wij aarde noemen. Moeten we niet al het genetisch materiaal op aarde zoveel mogelijk in kaart brengen en de wisselwerkingen begrijpen voordat het hier een hamburgerparadijs wordt? Als dat het verstandige en juiste is, hoe maken wij het dan minstens zo onweerstaanbaar als de hamburger?