Handel in zelfbeelden
🖋 Jamal Ouariachi


background-219668-publicdomainpictures-pixabayWat verkopen ze eigenlijk, die rocksterren die hun levensverhaal voor ons op (laten) tekenen? Meestal vooral hun persoonlijkheid, zegt Jamal Ouariachi. Helaas, want het zijn geen persoonlijkheden die boeken lezenswaardig maken, maar personages.

Essay uit dBNg 2016#6, door Jamal Ouariachi
Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement!


  • Sander Donkers (met Barry Hay), Hay. Biografie van de grootste rockster van Nederland (Lebowski 2016), 384 blz. (bestel)
  • Bruce Springsteen, Born to Run (Simon & Schuster 2016), 528 blz. (bestel)
  • Vertaald als: Born to run: mijn verhaal (Unieboek | Het Spectrum 2016; vert. Rob de Ridder), 528 blz. (bestel)
  • Lol Tolhurst, Cured: The Tale of Two Imaginary Boys (Quercus Publishing 2016), 368 blz. (bestel)

hay springsteen cured

Het lezen van boeken over rocksterren heb ik lange tijd geassocieerd met de puberteit. Als tiener zoek je helden, en zodra je ze vindt, wil je posters van ze, t-shirts, je wil elk artikeltje lezen dat er maar over ze te vinden is, en als er een boek over ze verschijnt, ben jij de eerste die het koopt.

Maar de verering van onze rockgoden houdt niet op met het aanbreken van de volwassenheid. Het populaire genre van de rockbiografie appelleert aan veel, niet in de laatste plaats aan doodeenvoudige roddelzucht. Het is de Privé in de eerste persoon enkelvoud, rechtstreeks uit de bron getapt.

Is dat erg? Welnee. Een artiest wiens werk belangrijk voor je is, begeleidt jou bij de grote momenten in je leven. Haar stem zong tijdens de eerste dans van jou en je grote liefde. Zijn liedje klonk tijdens de begrafenis van je beste vriend. De artiest is altijd bij je, maar wanneer ben jij bij de artiest? Wat wéét jij van die artiest?

Het is natuurlijk ook gewoon handel. Elke uitgeverij wordt nat bij het vooruitzicht van een artiestenbiografie, want de artiest heeft al een eigen publiek, en je kunt er vergif op innemen dat een flink deel van dat publiek bereid zal zijn voor een boek van de artiest te betalen, zoals het ook voor de geluidsdragers en de concerten van de artiest betaalt.

Maar wat wil de artiest zelf?

Ik las een aantal recent verschenen rockbiografieën van zeer uiteenlopende aard: het boek dat Vrij Nederland-journalist Sander Donkers schreef over Golden Earring-zanger Barry Hay, in nauwe samenwerking met zijn onderwerp; de autobiografie van Bruce Springsteen, Born to Run; en ten slotte Cured. The Tale of Two Imaginary Boys van Lol Tolhurst, oprichter en voormalig lid van de Britse rockband The Cure.

Stilistisch zijn het bijna onvergelijkbare boeken, maar in de structuur van de rock ’n roll-mythe die ze beschrijven tref je grote overeenkomsten. Jongensdromen van een groots en meeslepend leven, de eerste succesjes, de drank, de drugs, de seks, de onderlinge problemen tussen bandleden, contractuele ellende met platenmaatschappijen: het is er allemaal. Maar wat vooral opvalt: in tegenstelling tot andersoortige schrijvers lijken de hoofdfiguren van deze rockbio’s geen verhaal over te brengen, maar een zelfbeeld. Zij willen ons lezers ervan overtuigen dat de manier waarop zij zichzelf zien, de juiste is.

Het cliché Hay

In het geval van Barry Hay lijkt dat zelfbeeld niet veel te verschillen van zijn bestaande imago: de rock ’n roller pur sang. Alle clichés zijn op hem van toepassing, en dat is meteen een beetje het probleem met het boek Hay: nergens word je echt verrast. Tekenend is het moment waarop biograaf Donkers samen met Hay en diens vrouw Sandra naar de nepdocumentaire This is Spinal Tap kijkt. De film is een klassieker: alle rockclichés worden erin op de hak genomen. Donkers noteert: ‘Al snel gieren Sandra en ik het uit van het lachen. Barry lacht ook, maar toch iets minder uitbundig.’

Donkers wijst dan op de overeenkomsten tussen Spinal Tap en de Golden Earring, maar hij graaft niet dieper, terwijl het daar nu juist interessant wordt: Barry Hay is een wandelend cliché, en dan is de confrontatie met zo’n precieze parodie als Spinal Tap natuurlijk nogal pijnlijk.

Hay is zevenenzestig. In een van de laatste hoofdstukken van het boek stelt hij Donkers voor om ergens coke te gaan scoren. ‘Even iets stouts. Maar Sandra mag het niet weten.’ Dat is toch wel extreem lullig. Grow up, man, zou je hem willen toebijten. Dat zullen sommige mensen anti-artistiek vinden, want moet de kunstenaar niet eeuwig jong zijn? Maar volgens mij moet een kunstenaar, om interessant te blijven, toch vooral durven veranderen. Hay is ergens in zijn vroege twintiger jaren blijven steken en lijkt zich sindsdien maar matig ontwikkeld te hebben.

Wanneer hij terugkijkt op zijn leven, maakt hij analyses als: ‘Ik was eigenlijk een secreet’, of: ‘Nou ja, dat heb ik lange tijd heel veel gedaan. Mensen in de zeik nemen, gewoon om te sarren. Tegenwoordig is het veel minder’, of: ‘Donna was een schat. En ik was een harteloos piece of crap. Een speedfreak zonder mededogen en gevoel. Maar goed, ik kan het niet terugdraaien.’

Er klinkt vagelijk spijt door in dit soort bespiegelingen, maar het is gratis spijt, vrijblijvende spijt. Het scherpst zie je dat aan de anekdote over Pinkpop 1970. De lsd die Hay na afloop neemt, valt niet lekker. Hij stapt in de auto, veroorzaakt enorme materiële schade, belandt in de cel – en dit alles vertelt hij lachend. Nergens het besef: mijn God, ik had doden op mijn geweten kunnen hebben. Nee. Barry lacht. Hij lacht om alles. Daardoor krijg je als lezer gaandeweg steeds meer het gevoel dat je zit te luisteren naar het verhoor van een psychopaat.

Dat is het gevaar van een boek dat hoofdzakelijk een zelfbeeld verkoopt: de lezer gaat een moreel oordeel vormen over dat zelfbeeld. En het oordeel pakt niet altijd gunstig uit.

Succesvolle, serieuze Springsteen

Bruce Springsteen heeft zijn levensverhaal zélf op papier gezet en heeft zodoende volledige controle over het beeld dat hij van zichzelf wil overbrengen. Dat past ook wel bij hem, want Springsteen komt naar voren als een volstrekte controlfreak. Weliswaar heeft hij een groot deel van zijn carrière met zijn vaste E Street Band gespeeld, toch is hij de onbetwiste leider, in artistiek en organisatorisch opzicht. ‘Democratie in een rockband is, een enkele uitzondering daargelaten, een tikkende tijdbom,’ schrijft hij.

Dat is verfrissend eerlijk, zoals er wel meer verfrissend is aan Springsteens kijk op het rock ’n roll-bestaan. Hij doet niet aan drugs en weet zijn alcoholgebruik binnen de perken te houden. Hij heeft geen enkele affiniteit met de valse romantiek van rocksterren die jong sterven. Hij hecht aan het gezinsleven, aan vriendschappen, aan familie.

Toch is Born to Run een strontvervelend boek. Misschien dat er voor de Springsteen-fan een hoop te halen valt, maar voor de wat neutralere beschouwer kost het grote moeite de laatste pagina te bereiken.

Daar zijn verschillende redenen voor. Springsteen schrijft in een hevig gezwollen stijl, waardoor al snel een zekere verzadiging optreedt. Zijn moeders baan als secretaresse is ‘een leven van bijna-armoede en slavernij’. De dood van zijn oma is ‘een zwart gat, een armageddon.’ Wanneer hij als kind gepest wordt, is dat ‘onmisbare brandstof voor een komend vuur’. Bruce is niet depressief, maar is een ‘goederentrein vol dynamiet’ waarvan je ‘voelt dat hij gaat ontsporen’. Hij zweet niet, nee, hij heeft ‘op podia genoeg zweet gedrupt om minstens een van de zeven zeeën te vullen.’ En over het werken in de studio: ‘Later realiseerde ik me dat we geen plaat aan het maken waren, maar op een odyssee waren, in de wijngaarden van de pop zwoegden, op zoek naar gecompliceerde antwoorden op raadselachtige vragen.’

Dan helpt het trouwens niet dat het boek tenenkrommend slecht vertaald is.

Daar komt bij dat Springsteen woorden en uitdrukkingen gebruikt die nogal naar psychotherapie geuren (‘surrogaatvader’, ‘emotionele wreedheid’, ‘innerlijke en uiterlijke verwerking van mijn eigen ervaringen’). En inderdaad, halverwege het boek blijkt dat hij decennia lang in analyse is geweest, waarvan een flink deel – vijfentwintig jaar! – bij ene dr. Wayne Myers, ‘een vaderlijke, zacht sprekende man die veel glimlachte.’

Ja, nogal wiedes dat-ie veel glimlachte: de charlatan heeft een kwart eeuw lang een rijke popster kunnen leegtrekken. Je zou hopen op grote woede bij Springsteen, maar hij is een en al dankbaarheid.

Er knaagt meer. Springsteen schetst graag een beeld van zichzelf als een integere, sociaal betrokken muzikant en tekstdichter, en dat is hij natuurlijk ook, en toch staat het niet zo fraai wanneer deze troubadour van de hardwerkende belastingbetaler zélf jarenlang geen belasting blijkt te hebben betaald en dan gaat mopperen als hij dat alsnog moet doen.

En net als bij Hay klinken de schaarse momenten van spijt onoprecht. Eind jaren zestig doet hij er alles aan om te voorkomen dat hij naar Vietnam wordt gestuurd, maar ‘toen ik ouder was, vroeg ik me wel eens af wie er in mijn plaats was gegaan.’ Beetje laat hè, Bruce?

Maar wat Born to Run echt nekt, is dat Springsteens levensverhaal van de succesmomenten aan elkaar hangt. Als mens is hem dat van harte gegund, maar voor de verhalenverteller is het een ramp. Bij elke plaat die hij opneemt heeft hij ernstige twijfels, maar elke keer blijkt er toch weer een meesterwerk de studio uit te rollen. Eén keer is dat spannend, twee keer ook nog wel, de derde keer krijgt die ‘twijfel’ iets aanstellerigs. En uiteindelijk geldt dat voor het hele boek: het is natuurlijk treurig dat Springsteen als jongetje door zijn vader emotioneel verwaarloosd is, maar het heeft hem er niet van weerhouden wereldberoemd te worden met zijn muziek en zelf een liefdevol gezin te stichten. Bij al dat succes worden zelfs de depressies waar hij zo lang (en blijkbaar ineffectief) voor in behandeling is geweest, toch een beetje narcistische luxedingetjes. Als je een kwart eeuw in therapie zit, zal het wel niet zo dringend zijn geweest, nietwaar?

Tolhursts therapeutentaal

Hoe anders ligt dat in het boek van Lol Tolhurst, Cured. The Cure wordt vooral geassocieerd met die iconische frontman, Robert Smith, je weet wel, die met dat vogelnesthaar, de overdadige oogschaduw en de roodgeverfde lippen. Maar Tolhurst was er net zo goed van begin af aan bij: hij drumde onder meer op de cultklassiekers Seventeen Seconds (1980), Faith (1981) en Pornography (1982). Daarna schakelde hij over op keyboards. Ernstig en aanhoudend alcoholmisbruik leidde ertoe dat hij vlak voor de release van het legendarische album Disintegration (1989) door Smith uit de band werd geschopt.

Dat is in essentie het drama van Cured. Er volgt nog een jaren durende rechtszaak, Tolhurst zweert de drank af, weer jaren later verzoent hij zich met Smith, maar het grootste deel van het boek leidt toch naar dat ene dieptepunt: zijn ontslag uit de band die hij mede heeft opgericht, de band die zijn hele levensloop heeft bepaald. Dat maakt het boek veel spannender dan de succesverhalen van Hay en Springsteen.

Tolhurst schrijft ook beter. Over zijn jeugd, bijvoorbeeld. Smith en hij kennen elkaar sinds hun vijfde en groeien op in een mismoedig provinciestadje genaamd Crawley. Geen valse romantiek: hij haat die plek, hij haat Engeland. ‘My early years were filled with that bland greyness so drearily familiar to anyone who has had the misfortune to grow up in England in the 1960s and 70s.’

Dan is er de euforie van de ontsnapping: een bandje! De eerste optredens buiten Engeland, in Nederland, later de eerste tournee door de VS: je kunt de adrenaline haast ruiken. Maar altijd sluimert op de achtergrond het groeiende probleem van de alcohol. Zelfs de rock ’n roll-anekdotes worden steeds minder glamoureus, eerder pijnlijk en schaamtevol. Er is weinig reden tot bravoure als je wakker wordt in een volgekotste Londense politiecel, nadat je in coma ergens uit de goot bent geplukt. Cured is een verhaal van vernederende, smerige dronkenschappen, van delirium tremens, van detox en terugval.

Kort na zijn ontslag uit de band weet Tolhurst de drank af te zweren. Vanaf dat moment begint ook in zijn boek de therapeutentaal van de AA te heersen. Hij neemt veel schuld op zich, op die bijna agressieve manier die ex-verslaafden eigen is. Hij vraagt anderen om vergiffenis, ook Robert Smith, en dat is toch wat onbevredigend. Want wat hebben zijn oude bandmaten eigenlijk voor hem gedaan terwijl hij zich naar de ondergang dronk? Schokkend weinig. Als Smith hem vroeg in de ochtend met een fles whisky aantreft in de keuken van de studio waar Disintegration wordt opgenomen, luidt zijn reactie: ‘You’re fucking insane! You don’t even like whiskey.’ Niet bepaald de reactie waar een wanhopige man op zit te wachten, zou je zeggen, maar Tolhurst neemt zijn oude vriend niets kwalijk.

Een beetje meer venijn, misschien een klein vleugje Barry Hay, had het slot van Tolhursts memoires geen kwaad gedaan.

Persoonlijkheid vs. personage

Wat overblijft is de vraag waarom mijn sympathie toch vooral naar dit laatste boek uitgaat, los van het feit dat ik The Cure een oneindig veel spannendere band vind dan de Golden Earring of de E Street Band van Springsteen.

Het heeft er denk ik mee te maken dat een zelfbeeld niet voldoende is voor een goed boek. Ik moet denken aan het voorbeeld van de spreekwoordelijke taxichauffeur die zoveel heeft meegemaakt dat hij ‘er een boek over zou kennen schrijven’. Er zijn maar heel weinig taxichauffeurs die dat boek ook daadwerkelijk schrijven. Want een reeks sappige anekdotes vertellen is iets anders dan een boeiend verhaal construeren, en een interessante persoonlijkheid is iets anders dan een interessant personage. Barry Hay en Bruce Springsteen zijn, vanwege hun bekendheid, voor veel mensen interessante persoonlijkheden. Lol Tolhurst is een interessant personage. Voor een boek heb je daar meer aan.