Ta-Nehisi Coates’ Droom, door Kim Schoof (i.s.m. De Nieuwe Garde)


beeld-schoof-van-de-drilboor-en-de-droomTa-Nehisi Coates’ Tussen de wereld en mij blijkt het literaire startschot geweest te zijn voor een hevige discussie over ras en (on)gelijkheid, ook in Nederland. Ter discussie staat de vermeende volharding van racistische overwegingen in de politiek, en de status van het debat over racisme in de politiek: wie voeren het debat en heeft het wel de gewenste uitwerkingen? Kim Schoof merkt op dat alle besprekingen zich richtten op het onderwerp van het boek in plaats van op de talige verzetsdaad die het boek zélf is. Door Tussen de wereld en mij in de eerste plaats als daad van verzet te lezen, wordt echter duidelijk hoe het boek juist als literair werk een politieke lading draagt.

Essay uit dBNg 2016#6, door Kim Schoof *
Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement!


  • enTa-Nehisi Coates, Between the World and Me: Notes on the First 150 Years in America (Random House 2015), 176 blz. (bestel)
  • nlVertaald als: Tussen de wereld en mij (AUP 2015; vert. Rutger H. Cornets de Groot), 152 blz. (bestel)

‘I cannot sing this. My people won’t understand me.’ Eind april besprak De Dijk-zanger Huub van der Lubbe bij Pauw zijn leeservaring van Ta-Nehisi Coates’ veelbesproken Between the World and Me. Dat boek, waarin de in Amerika werkzame journalist Ta-Nehisi Coates in briefvorm zijn eigen ervaringen met racisme uit de doeken doet, voerde Van der Lubbe terug naar een voorval van een paar jaar eerder. Zijn band werkte samen aan een plaat met soulzanger Solomon Burke, die een paar naar het Engels vertaalde De Dijk-liedjes inzong. Onder die liedjes was er één met de line ‘Mooier dan nu zal het nooit gaan’, geschreven naar aanleiding van een zondagmiddagwandeling die Van der Lubbe maakte met zijn vrouw: ‘Je kent het wel: windstil, door de zon, langs het water.’ Het voorstel voor de vertaalde versie, ‘More beauty we will never see’, werd door Burke onoorbaar verklaard. ‘I cannot sing this. My people won’t understand me.’ De compromisvertaling: ‘More beauty than we will ever see’. Van der Lubbe vertelde na lezing van Coates’ boek eindelijk te begrijpen wat Burke toen bedoelde. Het concept van onbedreigde schoonheid, een moment in je op kunnen nemen zonder vooruit of achterom te hoeven kijken, bestaat niet voor mensen met een zwarte huid. In een zwart lichaam leven, betekent dat je voortdurend op je hoede moet zijn. Net als voor Van der Lubbe is dat voor mij, een witte Amsterdamse letterenstudent die bijna nooit buiten de ring komt, nauwelijks voorstelbaar.

Coates beschrijft hoe diep die behoedzaamheid in het zwarte vlees zit. Slavernij mag dan eeuwen geleden zijn afgeschaft, racisme bleef als verstekeling achter op het slavenschip dat de Amerikaanse maatschappij in zekere zin nog steeds is. Op dat slavenschip kunnen zwarte lichamen zonder opgaaf van reden worden geplunderd en vernietigd, zo stelt Coates. Zoveel bleek uit de zaak Ferguson (2014) – de agent die verantwoordelijk was voor de dood van de ongewapende Michael Brown ging uiteindelijk vrijuit (Coates trof, zo schrijft hij, zijn zoon na de rechterlijke uitspraak huilend op bed aan) – en uit vele geruchtmakende en minder geruchtmakende zaken ervoor en erna.

Coates beweert niet dat racisme de enige verstekeling is op het maatschappelijke slavenschip; in datzelfde schuitje zitten ook allerlei andere discriminatiemechanismen. Overal en altijd legitimeren mensen hun groepsidentiteiten, ook bijvoorbeeld religieuze, nu eenmaal over de lijken van anderen. ‘Witten’ zijn geen witten maar ‘mensen die zo nodig moeten geloven dat ze wit zijn’, die net als allerlei andere al dan niet bewuste onderdrukkers leven in ‘de Droom’ (een sleutelbegrip bij Coates) die hen doet geloven dat ze zich de wereld op rechtmatige basis toe-eigenen. En als de structuur van discriminatiepraktijken inderdaad universeel is, zoals Coates stelt, dan lijkt de vraag naar Nederlandse equivalenten van ‘Dromers’ op zijn plaats.

En Nederland?

De vraag of ook de witte Nederlander een ‘Dromer’ is, werd nieuws door de omstreden kop die de NRC-bespreking van Coates’ boek droeg: ‘Nigger, are you crazy?’ Net als bij Van der Lubbe ging het in deze discussie om een talig probleem: besproken werd wat witten kunnen zeggen dat zwarten niet kunnen zeggen en andersom. Wat vooral bleek is dat er taaldomeinen bestaan die zwaarbewaakt en voor sommigen onbegaanbaar zijn: de soulmuzikant kan niet zingen over onbezorgdheid, de NRC-chef kan zich het n-woord niet veroorloven.

Het was dus niet de fysieke maar de talige dimensie van racisme die onderwerp werd van de receptie in de Nederlandse pers. En dat terwijl het boek zich juist nadrukkelijk richt op de lichamelijke ervaring van racisme, als fysieke uitwerking van een virtueel construct waarvan de meeste mensen niet eens doorhebben dat het bestaat en werkzaam is. Juist op die twee terreinen – het beschrijven van het fysieke geweld en het zichtbaar maken van de ideeën erachter – hanteert Coates’ de taal zo succesvol als wapen. En dan bedoel ik dus niet de taal als een uiting van politieke correctheid of incorrectheid, maar Coates’ eigen geleefde, literaire taal. Hoe weinig aandacht er ook voor was in de Nederlandse pers (de schoonheid werd wel opgemerkt maar nergens echt geduid) – de taalvorm, toon en stijl waarin Coates zijn maatschappijkritiek giet, zijn niet alleen ‘mooi’ maar hebben ook een ‘echte’ werking.

De lyrische stijl van het boek lijkt niet geschikt voor een politiek pamflet; toch is Coates’ tekst politiek. Want vergis je niet: Coates pleit onmiskenbaar voor een revolutie. Zijn zoon, aan wie hij de brief adresseert, wordt onophoudelijk aangespoord zijn vaders antiracismestrijdbijl over te nemen. De toon blijft echter pessimistisch en uit de brief spreekt allesbehalve de belofte van een egalitaire toekomst. Coates is niet bereid zijn zoon op te zadelen met ijdele hoop en schrijft dat hun strijd weinig zal uitrichten zolang ‘de Dromers’ het zelf vertikken om wakker te worden uit hun gelijkheidsillusie. Arjen van Veelen typeerde Coates’ schrijfwijze als ‘kalligrafie met een drilboor’ en maakte de opvallende onverbiddelijkheid waarmee Coates de staat van de samenleving beschrijft tot onderwerp van zijn boekbespreking. Zwarten zijn en blijven volgens Coates ‘kinderen van een trans-Atlantische verkrachting’, waarschijnlijk tot aan het einde der tijden. Zulke uitzichtloze scenario’s vind je niet vaak terug in revolutionaire pamfletten.

Kortom, Tussen de wereld en mij stuurt wel aan op een emancipatoire revolutie maar blijkt tegelijkertijd geen genadeloze maatschappijkritiek om mee te zwaaien op de barricade – of om zomaar te exporteren naar andere landen. Dat geldt evengoed voor Nederland, hoewel ook hier sprake is van een trans-Atlantische (en trans-Pacifische) erfenis en ‘tradities’. Nederlandse recensenten werden het dan ook niet eens over de relevantie van het boek voor ‘de Nederlandse context’. Zij vroegen zich af welke bevolkingsgroep zich rechtmatig achter Coates’ kritiek kan scharen. Zihni Özdil: ‘Dit boek gaat over Nederland.’ Joost de Vries’ reactie: ‘Het is belangrijk om meteen te zeggen dat dat niet waar is. Tussen de wereld en mij is een buitengewoon Amerikaans boek, dat een buitengewoon scherp, persoonlijk en verrassend poëtisch portret geeft van zwart Amerika.’

Taal als verzetswapen

Volgens mij is het vooral belangrijk om meteen te zeggen dat de vragen of Tussen de wereld en mij ook over Nederland gaat en of het zich leent voor activisme irrelevant zijn – hoewel Coates zulke vragen vast en zeker met een volmondig ‘ja’ zou beantwoorden. Het boek doet er namelijk alles aan om zich niet te laten toe-eigenen. Dat ‘verzet’ vindt plaats op het niveau van de taal, behelst meer dan retoriek, en sorteert een effect dat de taal uiteindelijk wel degelijk overstijgt.

Neem de briefvorm en de pessimistische toon waarin Coates zijn relaas optekende. Met die vorm plaatst Coates zichzelf nadrukkelijk in een traditie van zwarte antiracismeschrijvers en -strijders, bevolkt door bijvoorbeeld Richard Wright (naar wiens gelijknamige gedicht de titel verwijst), Malcolm X (met zijn pessimisme over een Amerikaans raciaal vergelijk) en James Baldwin (van wiens The Fire Next Time uit 1963 Coates de briefvorm overnam). Darryl Pinckney wees in The New York Review of Books de briefvorm en de pessimistische toon van het boek aan als retorische strategieën die kenmerkend zijn voor die schrijftraditie. Ze zouden bedoeld zijn als provocatie: juist een ‘wit’ publiek zou zich erdoor aangesproken voelen, want wie kan de diepe hopeloosheid van de situatie beter overbrengen dan een zwarte schrijver die eraan twijfelt dat polemiek tegen racisme iets kan uitrichten?

Een vergelijkbaar punt werd in de Nederlandstalige context gemaakt door Lucas van der Deijl op De Reactor. Juist de eigenheid van het boek maakt het volgens Van der Deijl onmogelijk om Coates’ analyse direct te extrapoleren naar andere politieke contexten, maar is tegelijkertijd een nagenoeg onafslaanbare uitnodiging aan andere schrijvers in andere werelden om deel te nemen aan de discussie die ze opent. Een uitnodiging, zou ik daaraan toevoegen, die bovendien zo persoonlijk en integer is dat zij het op voorhand onmogelijk maakt om met de tekst aan de haal te gaan en hem in te zetten voor groepsvorming en buitensluiting.

Nog een kenmerk dat Tussen de wereld en mij onbruikbaar maakt voor directe vertaling naar politieke actie, maar dat de tekst als verzetsdaad des te sterker maakt: de frequente momenten waarop Coates een eerder door hemzelf gemaakt punt tegenspreekt of weerlegt. Bijvoorbeeld: de stad New York staat zowel symbool voor het racistische kwaad als de egalitaire grootsheid. Coates roept de koele overwegingen in herinnering die door zijn hoofd gingen toen hij op 11 september 2001 stond toe te kijken hoe de rook uit de Twin Towers sloeg: ‘Ik bleef denken aan hoe het zuiden van Manhattan voor ons altijd al Ground Zero was geweest.’ De dagen na de aanslagen lukt het hem niet te rouwen om de brandweermannen die hun levens gaven voor vergeefse reddingsacties. Die brandweermannen bleven immers collega’s van de beambten die het lichaam van Michael Brown en andere slachtoffers van racisme plunderden. De herdenkingsoptochten drukten wat hem betreft niet de universele waarden uit die geclaimd werden door de ‘opgewonden slogans’ waarvan de ‘belachelijke praalvertoning’ vergezeld ging. Maar een paar pagina’s later geldt New York juist als symbool van radicale assimilatie:

New York was op zichzelf weer een heel ander spectrum. De enorme diversiteit die ik op Howard had gezien, puur onder zwarten, bestreek nu een wereldstad. […] Hier had je zwarte meisjes met witte jongens […] en elke andere voorstelbare combinatie. […] En ik had nooit een idee gehad dat zulk leven in zoveel variëteit kon bestaan. Het was ieders eigen Mecca [sic], bij elkaar in één enkele stad.

Hier geen uniform en coherent perspectief dat geen andere perspectieven duldt. In Coates’ tekst bestaan verschillende posities en plaatsen naast elkaar, blijken dezelfde plaatsen in een ander licht zelfs verschillende plaatsen te kunnen zijn; allemaal krijgen ze in zijn taal een plaats.

Met andere woorden, ik maakte deel uit van een wereld. Als ik om me heen keek, had ik vrienden die ook deel uitmaakten van andere werelden: de wereld van joden of New Yorkers, de wereld van zuiderlingen of van homofielen, de wereld van immigranten, van Californianen, van Indianen, of van een combinatie van deze: werelden die als bij een wandtapijt in andere werelden waren gestikt.

Dat is wat Coates’ boek doet: verschillende werelden zorgvuldig vervlechten, en er daarbij zorg voor dragen dat geen mens of bevolkingsgroep bij voorbaat de deur wordt gewezen.

De Dromers wakkerschrijven

De taal van Tussen de wereld en mij schept dus een wereld waarin gelijkheid hoogtij viert, waarop racisme geen vat krijgt. En juist de schrijfwijzen die het politieke ‘punt’ van het boek lijken te ondermijnen – de persoonlijke briefvorm, de pessimistische toon, de momenten van zelfweerlegging – maken het een daad van politieke emancipatie. Maar bestaat Coates’ egalitaire wereld daarmee niet uitsluitend binnen zijn taal?

Ik denk het niet. Net zoals de verzonnen groepsidentiteiten waarvan Coates de fysieke, onderdrukkende werking illustreert, heeft ook zijn geschreven wereld een ‘echte’ uitwerking. Telkens als hij hamert op de fysieke gevolgen van geconstrueerde groepsidentiteiten (in het Engels werkt zijn herhaling van het allitererende black bodies als een mantra), dicht hij de virtuele kloof tussen de ‘verhalen’ en de ‘echte’ identiteitsverschillen die zij voortbrengen. Evenzo dicht hij de kloof tussen ‘de mensen die denken dat ze wit zijn’ en het gigantische ‘maar-wij-zijn-toch-zeker-geen-racisten’-bord voor hun kop.

Coates’ tekst geeft, zo wil ik stellen, uitdrukking aan een levenshouding die – bij verdere verspreiding – een wereld mogelijk maakt waarin ongelijkheid en onderdrukking geen basis meer zijn voor identiteitsvorming. Met ‘levenshouding’ bedoel ik de manier waarop een individu de dingen in de wereld bestaansrecht toedicht. Die van Coates lijkt in lijn te zijn met veel geuite kritiek op processen van modernisering en globalisering, die stelt dat mensen in samenleving waarin die processen gaande zijn zaken pas bestaansrecht toedichten als ze ter exploitatie door henzelf zijn toegeëigend, met als gevolg dat het bestaansrecht van zaken die zulke toe-eigeningsprocessen niet ondergaan, niet in hun bestaan worden erkend.

Tussen de wereld en mij presenteert een alternatieve levenshouding, één die uitgaat van het bestaan van alle onderling verschillende mensen en dingen in de wereld, één die de wereld juist opvat als dat wat bestaat uit alle mensen die erop rondlopen. Alledaagser gesteld, zegt Coates met zijn literaire tekst uitdrukkelijk: dit ben ik, ik besta, de wereld kan om mij niet heen maar kan mij evenmin toe-eigenen, bovendien hebben de mensen die ik beschrijf het recht te bestaan, want zonder hun bestaan wil en kan ik niet eens spreken van een wereld.

Rest de vraag of Tussen de wereld en mij in de praktijk niet toch wordt toegeëigend. Is dit essay, mijn tekst, geen toe-eigening van die van Coates? En is Abdelkader Benali’s in april verschenen Brief aan mijn dochter het niet evenzeer? In literair tijdschrift DW B trokken Laurens Ham en Lisanne Snelders (in briefvorm) een vergelijking tussen beide boeken, die onder meer uitdraaide op een evaluatie van de mate waarin Coates en Benali zich, al schrijvende, bewust lijken van hun eigen privileges. Benali mag zich Coates’ schrijfwijze hebben toegeëigend; uit zijn schrijven en de discussie die dat schrijven aanwakkert, blijkt wel dat zo’n daad verre van vanzelfsprekend is, juist reflectie vergt.

De ene droom is de andere niet

Tot slot: is Coates’ levenshouding niet evengoed een zelffabricaat waarmee hij zijn identiteit vormgeeft, een Droom, net zoals de Amerikaanse Droom? Waarschijnlijk wel, en het kan ook niet anders – dromen zijn, zo luidt ook het ‘pessimisme’ van Coates, hoogstwaarschijnlijk onontkoombaar. Toch zie ik het heil van Coates’ hoogstpersoonlijke, zo wakker mogelijke Droom, die ieders bestaansrecht actief erkent.

Tussen de wereld en mij zet als literair non-fictieboek alle zeilen bij om een Droom tot leven te wekken. Coates’ pen is daarmee niet alleen een drilboor, maar vooral een onmisbaar instrument op de tekentafel van de wereld. Dat is hét inzicht dat zijn opgroeien, studies, reizen, vaderschap, overleefde. Het enige inzicht dat – anders dan alle andere inzichten die hij in de loop van het in Tussen de wereld en mij opgetekende leven opdeed, en die na een tijdje kinderachtig, naïef of te ongenuanceerd bleken – beklijfde: dat schrijven je dichter bij de waarheid brengt, precies omdat je met schrijven de wereld naar je hand zet. Daar heb je dan wel een buitengewoon behendige hand voor nodig. Een hand die de Dromers voorzichtig wakker schrijft.

Zou zo’n behendige pen, als die generatie op generatie wordt doorgegeven, echt een tijd kunnen inluiden waarin elke willekeurige hand, zwart, wit, in staat is te schrijven dat het ‘mooier dan nu nooit zal gaan’. Ook Ta-Nehisi Coates gelooft dat, of op zijn minst: droomt daarvan.

* met speciale dank aan Pablo Kamsteeg en Lodewijk Verduin