De taal van het populisme: LTI – Lingua Tertii Imperii, anno nu
🖋 Thijs Kleinpaste

  • 8
    Shares

Eén van de voornaamste slagvelden van een samenleving of gemeenschap in hevig conflict met zichzelf is de taal die gesproken wordt. Dat lijkt misschien vanzelfsprekend – toch is het verbazingwekkend om te zien hoe schijnbaar ongemerkt en zonder veel weerstand de taal die Westerse politici en opiniemakers spreken gedurende het afgelopen decennium is getransformeerd. door Thijs Kleinpaste


Essay uit dBNg 2017#1

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


omslag LTI
Victor Klemperer, The Language of the Third Reich: LTI: Lingua Tertii Imperii (1947; Bloomsburry 2013), 316 blz.
omslag 9789045002996
Victor Klemperer, LTI – De taal van het Derde Rijk (Atlas Contact 2000), 367 blz.
omslag 9783150203651
Victor Klemperer, LTI – Notizbuch eines Philologen (Aufbau 1947; Reclam 2015), 416 blz.

De taal van het populisme is gemeengoed geworden: niet alleen door de retorische vaardigheid van haar sprekers, maar ook door de zeer vruchtbare voedingsbodem waarin dat idioom niet zelden landt. Maar met de verandering van het idioom verandert ook het politieke en morele landschap waar die taal naar verwijst. Het doet ertoe, bijvoorbeeld, of er over migratie wordt gesproken als een vraagstuk over rechtvaardigheid, of als een bedreiging voor de gezondheid van een land of samenleving. In Europa en de Verenigde Staten wordt in toenemende mate over migratie gesproken in termen van catastrofe en natuurramp; over mensen als dragers van gevaarlijke, subversieve aandoeningen – of dat nu een religie is, of lichamelijke driften, of een cultuur die erop uit is om alles wat goed is te ondermijnen. Is dat overdreven (met de suggestie dat het wat onschuldiger is dan het misschien klinkt)? Of moeten we ons daar veel meer zorgen over maken dan we lijken te doen?

Grote politieke en humanitaire catastrofes beginnen er doorgaans mee dat mensen niet langer worden voorgesteld als menselijk. Wie erin slaagt om bootvluchtelingen niet als mensen voor te stellen, maar als invasie, heeft niet alleen het zicht op de realiteit veranderd, maar ook de morele opdracht die aan die blik ten grondslag ligt: een invasie is dan niet een opdracht tot hulp, maar tot afweer. Verander de taal, verander de wereld. Door de werkelijkheid opnieuw te formuleren verdwijnen en verschijnen politieke en morele dilemma’s, al naar gelang het de spreker uitkomt. Als een humanitair probleem niet langer een humanitair probleem is, verdwijnt ook de morele imperatief het op te lossen. Taal is een wapen – en woorden zijn precies zo onschuldig of schuldig als de gewetens waarin ze ontstaan. Wat betekent dat?

Trump en de taal van het Derde Rijk

Het standaardwerk over de fnuikende corrumpering van een samenleving door de taal die er gesproken wordt is LTI: Notizbuch eines filologen (1947) door de Duits-Joodse filoloog Victor Klemperer, over de ‘Lingua Tertii Imperii’, oftewel de taal van het Derde Rijk. Van alle akelige anekdotes uit dat boek blijft bij herlezing de volgende het langst hangen: een collega drukt hem, niet lang voor de definitieve machtsovername van Adolf Hitler in Duitsland, op het hart dat het hele gedoe over de Joden er alleen is voor propagandadoeleinden. ‘Wacht maar. Als Hitler eenmaal aan het roer staat is hij veel te druk om de Joden steeds te beledigen.’

De onderschatting die de collega maakt, wordt ook nu gemaakt en wijst op het onvermogen van doorgaans toch heel verstandige mensen om te verinnerlijken dat het ‘gedoe’ over deze of gene (etnische) minderheid geen propaganda of politieke strategie is, maar gemeend. Niemand is te druk om de daad bij het woord te voegen als die woorden ernst zijn.

In de eerste dagen en weken na de verkiezing van Trump tot president van de Verenigde Staten deed de stelling de ronde dat de grote vergissing die opiniemakers en experts hadden begaan was dat ze Trump letterlijk hadden genomen maar niet serieus, terwijl zijn kiezers hem serieus namen maar niet letterlijk. Nu, een maand na de machtsoverdracht, lijkt het erop dat beide zienswijzen op hun eigen manier tekortschoten – we weten nu dat het verstandig is om Trump zowel letterlijk als serieus te nemen, omdat hij tot nog toe consequent ernst heeft gemaakt van de dingen die hij uitkraamt. Dat wil zeggen: hoewel Trump zelf misschien een weerzinwekkende echokamer van lillend vlees is, bezit hij de gave om precies die mensen te vinden die het vocabulaire bezitten om het ressentiment uit te drukken waarvoor hij het instinct bezit, maar misschien niet de taal.

Taal, woorden. Wat hebben we aan Klemperer’s klassieke werk in een wereld waar machtige leugenaars en pseudo-Raspoetins de dienst uitmaken…?

The Language of the Third Reich is betrekkelijk tijdloos omdat de claim die erin gemaakt wordt zo subtiel is – en de medeplichtigheid aan de spreektaal van het nazisme met recht wordt opgevat als een langzame maar geleidelijke (en tenslotte dodelijke) vergiftiging met arsenicum: dankzij de lage dosis valt het in de eerste instantie niet op, tot het te laat is. Klemperer’s these is dat de cultuur en het politieke karakter van een tijdperk hun weerslag vinden in de taal. De kern van zijn filologische dagboekaantekeningen is dan ook dat de taal, zeker in een wereld waar agressieve ideologieën strijden om de macht, het eerste slagveld is waar die strijd gewonnen of verloren wordt.

‘Bad hombres’

Het doet er, met andere woorden, toe dat een president over Mexicaanse immigranten spreekt als bad hombres, of over de onafhankelijke journalistiek als nepnieuws en een leugenachtige kliek. Wie zich niet voortdurend bewust is van de rol die taal in het dagelijks leven heeft, loopt een levensgroot risico te worden geleefd door de taal; door de woorden en de beelden die hem of haar omringen. Taal is altijd tegelijkertijd een beschrijvend en een conditionerend mechanisme.

Die tweede factor wordt nogal eens vergeten, maar is wel de meest krachtige. Wie niet voldoende bewust is van de manier waarop de woorden en termen van alledaagse communicatie ons denken beïnvloeden, dreigt zichzelf uit te leveren aan de beperkingen die taal oplegt, in plaats van zich te bevrijden door meesterschap ervan en dus erover. In de woorden van Klemperer: ‘Taal is niet slechts datgene waar ik mee lees en schrijf, het dicteert ook in toenemende mate mijn gevoelens en beheerst mijn volledige spirituele wezen hoe meer ik me er zonder te vragen en zonder zelfbewustzijn aan uitlever.’

Precies dat zelfbewustzijn is noodzakelijk om niet ten prooi te vallen aan de taal, en het is omgekeerd juist daarom dat de overmeestering door de taal zo sluipend, haast ongemerkt plaatsvindt. Een van de belangrijkste feiten die Klemperer bij regelmaat herhaalt, is dat de nationaalsocialisten maar in een beperkt aantal gevallen zelf nieuwe termen hoefden te bedenken. Vaker was het voldoende om oude woorden een nieuwe betekenis te geven, of om ze in een nieuwe context te gebruiken. Woorden die specifiek dienst deden als dragers van de nazi-ideologie werden eerst op alledaagse wijze geïntroduceerd in het sociaal verkeer – en zo kon het zijn dat een buurvrouw of collega zonder bij de implicaties stil te hebben gestaan een enigszins luchtig gesprek begon over Rassenreinheit of iets dergelijks, zonder zich ervan bewust te zijn dat medeplichtigheid ook een passieve houding kan zijn.

Het is daarom dat Klemperer kan opmerken: ‘Zoals het gebruikelijk is te spreken over het aangezicht van een tijdperk of een land, zo is het ook gebruikelijk om de geest van een bepaalde epoche te karakteriseren door zijn taal.’

Het voorportaal van de taal

De nationaalsocialisten zelf waren zich in ieder geval volkomen bewust van de dubbele functie van de taal die ze gebruikten – van het feit dat die niet alleen beschrijvend, maar bovendien conditionerend (en in de meeste gevallen ook disciplinerend) werkte. In dat licht mag de volgende observatie van Klemperer met de ervaringen van nu best tijdloos genoemd worden: hij registreert hoe Hitler in Mein Kampf steeds ten strijde trekt tegen Objektivitätsfanatiker: ‘objectiviteitsfanatici’.

Besloten in die minachtig voor feiten en de empirische en objectieve werkelijkheid ligt de impliciete boodschap dat een wereld die zich van zulke beperkingen niets aantrekt veel kneedbaarder en eenvoudiger te manipuleren is, of zelfs te regeren, besturen en ontwerpen – een aantrekkelijk perspectief. In de ogen van de wereldveranderaar is dit een wereld waarin de conditionerende, vormende verbeeldingskracht het hoogste ideaal vertegenwoordigt.

Zou het, met andere woorden, iets uit hebben gehaald als Hitler en Mein Kampf niet genegeerd maar gefactchecked zouden zijn? Zou het?

Waarschijnlijk niet… Maar dat betekent niet dat we ons moeten neerleggen bij de aanval op de werkelijkheid die op dit moment in de Verenigde Staten en Europa gaande is. Het nepnieuws en de ‘alternatieve feiten’ zijn een doelbewuste poging om de natuurlijke weerstand tegen leugens en propaganda op te heffen. Want als er geen waarheid of werkelijkheid meer is, of geen breed gedeelde beleving daarvan, dan resteert slechts de wil tot macht, en de uitoefening ervan. Waar de mogelijkheid tot een vergelijk door communicatie ophoudt te bestaan omdat die niet langer geaard is in een gedeelde werkelijkheid, daar hangen alle woorden in het luchtledige en zal alles tegelijk waar en onwaar zijn.

Dat doel nu, is ook het punt waarop de (in zekere zin nog onschuldige) populistische verbeeldingskracht verwordt tot agressief nationalisme en nihilisme; het moment waarop populisme verandert in zuivere demagogie en massaverleiding breekt onherroepelijk aan als intellectuele uitdaging (bijvoorbeeld in de vorm van Verlichtingskritiek) vervangen wordt door de wens het intellect het zwijgen op te leggen.

Systeem vs. organisme

De Lingua Tertii Imperii was, zeker tegen het einde, de taal van een samenleving in oorlog met zichzelf. De totale oorlog werd niet gevochten en gewonnen aan het front, maar met name ook binnen de eigen natie. De ‘eindzege’ hing af van de totale mobilisatie van het Duitse volk. Vandaar ook, stelt Klemperer, de obsessie met strijd, zege, moed, uithoudingsvermogen, opoffering en de verheerlijking van het heldendom.

Het is belangrijk je daarbij te blijven beseffen waarom die totale oorlog eigenlijk gevoerd moest worden. Dat was niet omdat de nationaalsocialisten dat zelf wilden natuurlijk… Nee, de nazi’s voerden oorlog uit zelfverdediging, omdat ze niet anders konden. Dat is de essentie van het woord Judenkrieg – de ander is de oorlogshitser; de nazi’s slechts de verkeerd begrepen verdediger van het Duitse belang. Dat natuurlijke slachtofferschap, dat lag diep verankerd in het verdorven hart van het Derde Rijk; in haar taal. Maar als totale oorlog het antwoord was, wat was dan eigenlijk de vraag?

Het nazisme begon als een diagnose van de gebreken van de Weimar-democratie. Het systeem was verrot, en tegenover ‘het systeem’ werd ‘het organisme’ in stelling gebracht. De parlementaire democratie, de rechtsstaat, de democratische strijd om tijdelijke macht en de botsing van ideeën – dat alles was een systeem, te contrasteren met de meer organische visie van een natie die zich als vanzelf in harmonie en blakende gezondheid zou oprichten. Het systeem had van het levenslustige organisme een slaaf gemaakt, verhinderde dat het zijn ware potentie kon waarmaken. En dat het organisme zichzelf niet kon bevrijden, was omdat het was aangetast. De stap van het systeem (kunstmatig, niet-menselijk) naar het organisme kon alleen gemaakt worden door middel van een program voor herstel, een medicijn. Dus vatte Hitler zijn beschouwing op Duitsland in Mein Kampf in termen van pathologie en aftakeling. Onder iedere tumor van het culturele leven, noteert Klemperer, vond Hitler ‘een klein Joodje’, als een ‘made in een rottend lijk’ en ‘erger dan de zwarte dood van vroeger’.

Geweld is het natuurlijke, ‘laatste antwoord’ in iedere situatie waar de rede tot verstomming is gebracht. Met een tumor onderhandel je niet, die moet worden weggesneden. De militarisering en vervolgens de mobilisatie van de samenleving volgt zo haast vanzelf op de voorstelling van de wereld, jouw wereld, als een geïnfecteerd lichaam dat met een vijandige indringer in doodsstrijd is verwikkeld. Nazisme mondde uit in doodscommando’s en gaskamers en mensenvernietiging op industriële schaal, maar het begon met het spreken over Joden als brengers van ziekte.

2017

En wij? Wat heeft dit met ons te maken? Vergelijk de taal van het Derde Rijk met die van ons populisme. Hier is Thierry Baudet bij op het eerste congres van zijn politieke partij Forum voor Democratie:

Het Westen lijdt aan een auto-immuunziekte. Een deel van ons organisme – een belangrijk deel: ons afweersysteem, datgene wat ons zou moeten beschermen – heeft zich tegen ons gekeerd. Op elk vlak worden we verzwakt, ondermijnd, overgeleverd. Kwaadwillende, agressieve elementen worden ons maatschappelijk lichaam in ongehoorde aantallen binnengeloodst, en de werkelijke toedracht en gevolgen worden verdoezeld. Nu worden we aangevallen door een vijand die we nog niet eerder tegenover ons hebben gehad. Een atypische vijand. Een vijand die ons eigen uniform draagt. We worden aangevallen door degenen die ons zouden moeten beschermen. Zij die zouden moeten waken over onze integriteit, onze cultuur en onze tradities: zij die een verantwoordelijkheid dragen voor het voortbestaan van de gemeenschap: juist zij, juist deze mensen hebben zich – van binnenuit  tegen ons gekeerd. (https://forumvoordemocratie.nl/actueel/toespraak-thierry-baudet-alv-fvd-2017)

Het is een zeldzaamheid om een reprise van klassiek Hitleriaanse thema’s en stijlfiguren in zo een kort bestek gegroepeerd te zien. De vijand die het eigen uniform draagt? Oorlog! Het verraad? Dolkstootlegende! Een ziekte die het lichaam infecteert? Kanker op het maatschappelijk lijf! Wat is, als we deze woorden ernstig nemen – en laten we dat beslist doen (dat zijn we Neerlands ‘grootste intellectueel’ verschuldigd) – de logische conclusie? Als de samenleving eenmaal met een dodelijke auto-immuunziekte is geïnfecteerd, wat rest er dan nog behalve een grootschalige chemokuur op de bevolking?

En Baudet is niet de enige, al kan deze kanarie het niet laten om het hardst te zingen in deze kolenmijn. Luister naar Geert Wilders, naar alle Europese populisten, en hoor hoe men er consequent spreekt in het idioom van landverraad, verval en laatste kansen. Luister naar hoe de vijand steeds abstracter wordt voorgesteld: niet meer als mens, maar als testosteronbom, of nee, als ideologie in vleselijk omhulsel. Hoor hoe ‘de elites’, die schimmige vijand, het verraad van de beschaving in de schoenen geschoven wordt, en hoe men schermt met de belofte van een afrekening. Hoor hoe de termen in stelling worden gebracht die vooruitwijzen naar de noodzaak tot disciplinering van de subversieve elementen in de samenleving (waaronder zij die hun overtuiging van een ‘Untergang des Abendlandes’ wantrouwen of met scepsis tegemoet treden), en uiteindelijk tot uitbanning van de ziektekiem zelf, als niet goedschiks dan kwaadschiks.

We zijn er nog niet, of nog niet helemaal – wat we nu zien in de Verenigde Staten en Europa is met goed historisch fatsoen nog steeds geen fascisme of nazisme te noemen. Maar het komt er steeds dichter in de buurt, en de grote voortekenen in onze taal zijn er, en ze zijn er in overvloed. Het is noodzakelijk om hyperbewust te zijn van de manier waarop taal ons perspectief op de wereld conditioneert, en het is noodzakelijk de taal die wij en anderen bezigen onophoudelijk te bevragen. Taal is nooit onschuldig. Woorden hebben consequenties. En medeplichtigheid schuilt in een klein hoekje.


  • 8
    Shares