‘My blackness is all cultural appropriation’
🖋 Fiep van Bodegom


De Amerikaan Paul Beatty brak twintig jaar na zijn debuut door bij het grote publiek met zijn vierde roman The Sellout. Al zijn hele loopbaan verzet hij zich tegen de hokjes waarin hij geplaatst wordt en die ook duidelijk de receptie van zijn laatste werk kleuren. Door Fiep van Bodegom.

The Sellout van Paul Beatty won de Man Booker Prize 2016 en werd jubelend ontvangen als genadeloze satire over ras in hedendaags Amerika. Zelf gaat de schrijver ongemakkelijk op zijn stoel schuiven van zowel het woord ‘ras’ als ‘satire’, en wil niet dat zijn werk zonder meer ‘politiek’ wordt genoemd. De vraag is: wat is het dan wél? Zijn terughoudendheid over deze categorieën zegt veel over de schrijver en zijn werk, dat op het eerste gezicht inderdaad een geslaagde satire over ras is.


Essay uit dBNg 2017#2

     


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

In een interview met de Paris Review in 2015 vertelde Paul Beatty een veelzeggende anekdote. Tijdens zijn opleiding, begin jaren negentig in New York, volgde Beatty een cursus bij Allen Ginsberg die eenmalig werd vervangen door Gregory Corso (een andere dichter uit de Beatgeneratie). De cursisten lazen één voor één hun poëzie voor en de docent werd woest. ‘He just didn’t know how to process what we were doing. Because it wasn’t about shit that he cared about. He kept saying, “Where’s your universality?” I’d never heard anyone argue that out loud before. I was like, oh, this motherfucker thinks his is the only way to see the world. And I realized that’s as much about race as anything.’ Alle schrijvers vertrekken, noodzakelijkerwijs, vanuit het milieu en de wereld die ze kennen. Bij sommige schrijvers wordt dat als volstrekt vanzelfsprekend beschouwd, maar bij schrijvers uit minderheidsgroepen wordt het opmerkelijk genoeg vaak geduid als een overmatige interesse in hun ‘eigen’ wereld.

Na het winnen van een poetry slam waarvan één van de prijzen een boekcontract was, debuteerde Beatty in 1991 met de poëziebundel Big Bank Take Little Bank. Hij publiceerde nog een bundel, maar zijn teksten werden steeds langer en zo ontstond zijn romandebuut The White Boy Shuffle (1996). De roman werd goed ontvangen en besproken, maar verkocht slecht. Wel kreeg het een bescheiden cultstatus onder jonge (mannelijke) Amerikaanse literatuurliefhebbers. Dit patroon herhaalde zich met de daaropvolgende romans Tuff (2000) en Slumberland (2008). Beatty’s laatste roman, The Sellout, bracht hier radicaal verandering in. Het boek werd breed besproken, nog voordat het genomineerd werd voor de Man Booker Prize. Opvallend is echter hoe consistent Beatty’s werk is; de schrijver heeft hardnekkig vastgehouden aan zijn eigen stijl en obsessies. Inmiddels blijkt ook een breed publiek daar vatbaar voor.

Herinvoering van slavernij en segregatie 

The Sellout (2015) begint met de zaak ‘Me vs the people of the United States’ voor de supreme court. De verteller – achternaam Me, bijnaam Bonbon, voornaam onbekend – staat terecht voor het bezitten van een slaaf.

Eigenlijk raakt de verteller min of meer per ongeluk met een slaaf opgescheept. Zijn geliefde buurman Hominy Jenkins is een van de voormalige kindsterretjes uit de wereldberoemde zwartwit serie The Little Rascals (De Boefjes), die de verteller als kind keek. De serie gaat over een groep kinderen die kattenkwaad uithaalt. Eén lid van de groep is een kindje dat altijd het slachtoffer is van ‘grappen’. De figuur is het stereotype van de ‘pickaninny’: een zwart kleutertje, met wild kroeskopje en enorme ogen, zogenaamd dommig en ongevoelig voor pijn. De films zijn bijzonder onderhoudend en grappig, maar verspreiden tegelijkertijd via het schijnbaar onschuldige voorkomen van deze allerschattigste kindacteurtjes de meest giftige racistische stereotyperingen. Deze Jenkins was een uitzonderlijk getalenteerde acteur die zijn werk verloor met het in diskrediet raken van dit soort zwarte guren in de filmindustrie. Nadat hij van zelfmoord gered wordt door de verteller laat de bejaarde Jenkins zijn verlangen naar onderwerping de vrije teugels. Hij dwingt de verteller hem aan te nemen als slaaf en stort zich vol overtuiging en schmierend in die laatste rol.

Beatty nam de – vaker als pessimistische verzuchting of academische borrelpraat te beluisteren – opinie dat de zwarte bevolking in de VS beter af was vóór de Civil Rights Movement van de jaren ’60 dan daarna, en gebruikte die als uitgangspunt voor zijn roman. De schrijver was geïntrigeerd door dit gegeven, omdat het ingaat tegen het gebruikelijke idee van de geschiedenis met geleidelijke emancipatie en vooruitgang voor zwarte Amerikanen sinds 1863. De Amerikaanse maatschappij is ook na Obama nog altijd gesegregeerd; onderwijs en wijken zijn grotendeels gescheiden gebleven. Welvaart is extreem onevenwichtig verdeeld en vooral in het strafsysteem is de verschillende behandeling van zwarte en witte burgers pijnlijk zichtbaar, met als meest schrijnende voorbeeld de onbestrafte dood van zwarte burgers door politiegeweld, keer op keer.

De verteller in The Sellout besluit op eigen houtje segregatie weer in te voeren. Er hoeft niet heel veel veranderd te worden, het enige wat de verteller doet is de bordjes met ‘colored only’ weer ophangen. Aanvankelijk heeft de herinvoering van segregatie in Dickens, een agrarische buitenwijk van Los Angeles, een weldadige invloed; de stadsbus van Bonbons vriendin wordt veiliger, mensen gaan zich weer identificeren met het district waar ze in wonen, en zelfs verschillende bendeleiders zijn bereid mee te doen. Nog het grootste probleem volgens sommige buurtbewoners is dat er ondertussen teveel Mexicanen bij zijn gekomen.

‘The problem is that we don’t know whether integration is a natural or unnatural state. Is integration, forced or otherwise, social entropy or social order?’ peinst een lerares van een zwarte school die er niet in slaagt haar studenten een betere toekomst te geven via onderwijs. Aan het slot van de roman overweegt één van de rechters of de vraag in de zaak tegen Me niet zozeer is of segregatie verboden is, als wel of ‘a violation of civil rights law that results in the very same achievements these heretofore mentioned statues were meant to promote, yet have failed to achieve, is in fact a breach of said civil rights.’ Ze vervolgt dat de segregatiewetten – ‘separate but equal’ – niet verworpen werden op morele gronden, maar om praktische redenen, namelijk dat de scheiding van een bevolking nu eenmaal niet kán resulteren in gelijkheid. Zo bezien is de actieve herinvoering van segregatie even tragisch als komisch. Het is een fantasievolle schijnoplossing voor een al te echt probleem.

Vertegenwoordiger of individu? 

In Beatty’s debuut The White Boy Shuffle (1996) verhuist Gunnar Kaufman van een veilige buitenwijk in Californië naar Hillside, een getto nabij Los Angeles. Aan een idyllische jeugd in Santa Monica – met de ‘all-white multicultural’ Mestizo Mulatto Mongrel-basisschool, surfen in de schemering, kattenkwaad en vriendelijke buurtagenten die slechts berispen – komt abrupt een einde. Het is qua stijl een geestige parodie op de beroemde lyrisch-melancholische toon waarin Joan Didion haar geprivilegieerde jeugd in Californië omschrijft. Van de een op de andere dag moeten Gunnar en zijn zussen zien te integreren in de hood.

De dichterlijke Gunnar wordt gered door zijn vriendschap met Nicholas Scoby, het grote basketbaltalent van de buurt, jazzfan en literatuurliefhebber. Gunnar blijkt ook een verdienstelijke basketballer te zijn en Nicholas stimuleert hem daarin omdat hij het zat is om als uitzonderlijke zwarte atleet in z’n eentje de dromen van de hele gemeenschap te moeten dragen. De tendens om beschouwd te worden als vertegenwoordiger van een hele groep in plaats van een individu, is een thema dat in al Beatty’s romans zal terugkeren. Gunnars vader werkt voor de LAPD en is bijna nog racistischer dan zijn witte collega’s. Zijn moeder is een excentrieke, afwezige vrouw met een grote voorliefde voor alles uit Japan.

Op de dag na de vrijspraak van de agenten die de zwarte taxichauffeur Rodney King mishandelden, de dag dat in L.A. de rellen beginnen, voelt Gunnar zich voor het eerst echt zwart: ‘I never felt so worthless in my life. So uninvited.’ Wanneer Gunnar als steratleet en authentieke straatdichter een toespraak moet geven voor een protest aan de universiteit, stelt hij in een moment van inspiratie, tegenover een menigte studenten en een borstbeeld van Martin Luther King, voor dat alle zwarte Amerikanen die niets meer hebben om voor te sterven harakiri plegen als laatst overgebleven vorm van politiek verzet. Prompt wordt zijn geïmproviseerde toespraak serieus genomen en ontketent hij als een nog levende jonge Werther een golf van zelfmoorden met achterlating van Japans-aandoende afscheidsgedichten.

Zwart zijn als proces dat nooit af is 

Alle hoofdpersonages van Beatty zijn connaisseurs, het zijn cinefielen, audiofielen en literatuurliefhebbers. Ze tonen hun kennis van canonieke en obscure kunstenaars doorgaans met de opzichtigheid van de autodidact die altijd het gevoel heeft zichzelf te moeten bewijzen. Winston ‘Tuff’ Foshay, bijvoorbeeld, is een groot liefhebber van de Europese en Japanse auteurscinema en zijn zeldzame uitstapjes buiten Harlem zijn om films van Ozu, Bergman, Eisenstein en DeSico te kunnen zien. De stijl die Beatty daarbij consequent hanteert is een afwisseling van hoge en lage cultuur, een combinatie van straattaal, hoogdravende taal en specialistisch jargon. Op elke pagina is een obscure referentie te vinden, waarbij de lezer steeds moet kiezen door te lezen of te googelen. Ook de personages zijn onvoorspelbaar: bendeleider Psycho Loco is de enige die het poëziedebuut van vriend Gunnar écht begrijpt, streetwise Tuff is diep ontroerd door de films van Truffaut, de buschauffeur in The Sellout leest graag Kafka.

Beatty’s stijl doet denken aan die van Kurt Vonnegut, Thomas Pynchon en generatiegenoot David Foster Wallace. Er wordt in de verhaallijnen geen enkele poging gedaan tot realisme: de romans zijn een combinatie van fantastische plots, gelardeerd met zeer specifieke historische details en culturele verwijzingen, onderbroken door levensechte details en scènes uit het leven rondom het millennium in L.A., New York en Berlijn. De boeken zitten vol met exacte stedelijke locaties: straten, kruispunten, buslijnen en bioscopen. The Sellout is volgens de schrijver evenzeer een portret van het L.A. van zijn jeugd als van de stad nu: een uitgestrekte centrumloze stad waar de gentrificatie heeft toegeslagen maar met ook nog steeds stadsboerderijen en ruiters te paard langs de snelweg.

In Slumberland vertrekt Ferguson Sowell aka DJ Darky naar Berlijn op zoek naar de legendarische jazzmuzikant Charles Stone ofwel de Schwa en diens ‘transcendentale melodieën.’ Met de val van de muur vallen hem steeds meer overeenkomsten tussen de geschiedenis van Duitsland en zijn geboorteland op. Ondanks het einde van het totalitaire regime blijken de meeste Ossies niet veel gelukkiger als tweederangs burgers onder het ongebreidelde kapitalisme. Met het einde van de geschiedenis verklaart de DJ – vertegenwoordiger van dé postmoderne kunstvorm bij uitstek – ook zwartheid passé. Een feit dat hij ‘bewijst’ door na de eigenhandige afschaffing regelmatig naar de zonnebank te gaan. Het blijkt echter nog niet zo makkelijk om de enorme muzikale erfenis van zijn voorgangers te scheiden van ras.

Zwart zijn is voor de meeste van Beatty’s personages, net als man zijn of volwassen worden of een Amerikaanse burger zijn, een pijnlijk en ongemakkelijk proces dat nooit af is. Ze doen hun best, maar de verwachtingen zijn doorgaans tegenstrijdig en onhaalbaar. ‘My blackness is all cultural appropriation’ zegt Beatty daarover zelf in een interview.

Door de lens van stereotypering 

Beatty is een tamelijk consistente schrijver. Stijl, onderwerpkeuze en personages zijn weinig veranderd van zijn debuut tot zijn laatste roman. Daarom heeft zijn plots zo enthousiaste ontvangst waarschijnlijk meer te maken met de actualiteit. De afgelopen paar jaar staat de emancipatie van zwarte Amerikanen weer volop in de belangstelling door succesvolle politieke bewegingen zoals Black Lives Matter. Een cynische diagnose zou dan ook zijn dat een deel van het succes van The Sellout te wijten is aan dit veranderde klimaat; ook uitgevers en lezers volgen trends, en ook politiek is aan modes onderhevig. Met als gevolg het succes van boeken als Colson Whiteheads Underground Railroad, het onwaarschijnlijke succes (voor poëzie) van Claudia Rankine’s bundel Citizen en de universele lof voor Ta-Nehisi Coates pam et Between the World and Me.

Toch is Beatty ook binnen die groep schrijvers uitzonderlijk. Hij verzuchtte eens dat hij het fijn had gevonden als hij eerder in contact zou zijn gekomen met zwarte literatuur die wat minder zwaar op de hand is. Want na alle verplichte literatuur van familie-epossen over lijdende voorouders – denk aan Alice Walker of Toni Morisson – was het prettig geweest om te weten dat hij niet de enige was die wel eens moest lachen om zijn eigen gezicht in de spiegel. Hij stelde dan ook later de bundel Hokum: An Anthology of African-American Humor (2006) samen.

Zijn werk steekt even genadeloos de draak met de hele industrie die is opgeschoten rondom de geschiedenis van zwarten als met deze verschrikkelijke geschiedenis zelf. Het neemt alle clichés genadeloos op de hak, en schept er zichtbaar duivels plezier in om daarin volstrekt onpartijdig te zijn.

In een vileine voetnoot in Slumberland wordt bijvoorbeeld vermeld dat Oprah Winfrey de rechten heeft gekocht van alle levensverhalen van zwarte Amerikanen geboren tussen 1642 en 1968 ‘as a way of staking claim to being the legal and sole embodiment of the black experience from slavery to civil rights’.

In The White Boy Shuffle vertelt Gunnar Kaufman tijdens een spreekbeurt op school over zijn voorouders. In plaats van een tearjerker vol leed en onderdrukking of een verhaal van nobele, geroofde koningszonen die in de meest erbarmelijke omstandigheden hun waardigheid weten te behouden, vertelt Gunnar over generaties van meelopers. Mannen die een groot talent en vindingrijkheid aan de dag leggen om bij hun eigenaars en bazen in het gevlei te komen. Tijdens de burgeroorlog, als artiesten in minstrel shows, om te eindigen bij de vader van Gunnar, die politieagent is bij de gehate LAPD.

Maar, om misverstanden te voorkomen: Beatty maakt niet het lijden van generaties voorouders belachelijk, maar de receptie daarvan in gestileerde en zoetsappige clichés in de populaire cultuur. Daarmee slaat hij niet de weg in van het ‘grijze verleden’, waarin iedereen slecht en menselijk, al te menselijk, was, en we in retrospectief alle wandaden kunnen begrijpen. Integendeel, hij verleent de zwarte Amerikanen die voor hem kwamen juist méér menselijkheid door te laten zien dat ze van alles konden zijn én waren. Goed en slecht, dapper en laf. Ze waren niet wat anderen graag zouden willen dat ze waren, ze bestonden voor zichzelf, en in het geval van Afro-Amerikanen betekende dat met alle beschikbare middelen overleven onder voortdurende en vernederende onderdrukking, ongeacht uitzonderlijk talent en persoonlijke verlangens. Datzelfde geldt voor Beatty’s personages: ze gaan gebukt onder racisme en zien zowel anderen als zichzelf door de lens van stereotypering, maar dat maakt ze zelf nog niet tot stereotypes.

Waarom wil Beatty nu niet dat zijn werk enkel gelezen wordt als een satire over ras? Allereerst is daar de begrijpelijke angst dat het predicaat satire zijn boeken zal reduceren tot uitsluitend humoristisch. Beatty is meer op zijn gemak in het grijze tussengebied waarin de lezer nooit met zekerheid kan zeggen of iets humor, hyperbool of scherpe aanklacht is. Met de genoemde plots is het aanvankelijk moeilijk om er zo over te denken, aangezien politiek, ras en emancipatie zo’n grote rol spelen in al zijn boeken. Maar draai het eens om. Stel je voor dat David Foster Wallace overal aangekondigd zou worden als witte schrijver die de witte Amerikaanse maatschappij zo goed beschrijft. Dan zouden er flink wat wenkbrauwen gefronst worden. Foster Wallace schreef immers over postmodernisme, ironie en de condition humaine, ook al zijn er in zijn omvangrijke oeuvre weinig niet-witte Amerikanen te bekennen. Dat maakt verder niet zoveel uit, maar het verklaart wel enigszins het chagrijn van een hedendaagse Amerikaanse schrijver die erudiet en eloquent hoge en lage cultuur verbindt in picareske coming of age-verhalen, om altijd maar weer naar ‘ras in Amerika’ gevraagd te worden.

De grote misvatting is niet om te denken dat Paul Beatty enkel over ras schrijft. De werkelijke misvatting is dat het grootste deel van de rest van de literatuur die we lezen daar helemaal níet over zou gaan. Zo ongemakkelijk als hem dat maakt, zou dat ook ons moeten maken.