Het ware geluk


Het oeuvre van de Franse denker Alain Badiou valt uiteen in twee samenhangende delen. Aan de ene kant zijn er omvangrijke abstracte werken waarin een mathematisch-poëtisch filosofisch systeem uiteen wordt gezet; aan de andere korte polemische boeken waarin de radicaal-emancipatoire implicaties van deze filosofie voor de kunst, politiek, ethiek en liefde worden overdacht. Door Lukas Verburgt.

Badiou dankt zijn populariteit in Nederland tot op heden voornamelijk aan vlotte vertalingen van denkinterventies, zoals het iets meer dan 100 pagina’s tellende Filosofie van het ware geluk. Dat is tegelijkertijd een vloek en een zegen: Badious pas in 2005 naar het Engels vertaalde, 600 pagina’s tellende, magnum opus L’Etre et l’Evenement (1988) waarin deze interventies hun oorsprong, grond en legitimatie vinden, is een duizelingwekkend rotding.


Essay uit dBNg 2017#2


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Wie een blik werpt op Badious oeuvre valt op dat hij zich in Filosofie van het ware geluk op onbekend terrein bevindt. Heyting-algebra, oneindigheid, Franse, Russische en Chinese revoluties, Mallarmé, Schönberg, Beckett en Wittgenstein? Ja. Maar geluk? Zoals Badiou zijn keuze in een recent interview verantwoordde: ‘De filosofie zal zich uiteindelijk ook moeten bezighouden met [levens] vragen die iedereen aangaan, anders verwordt zij tot een academische discipline waarin collega’s elkaars probleempjes bediscussiëren.’

Onbekend terrein of niet: de ontginning ervan gebeurt aan de hand van Badious inmiddels bekende filosofische landkaart. Eerst is er de ‘kapitalistische reductie’ – die liefde terugbrengt tot romantiek en verlangen, en geluk tot tevredenheid en acceptatie –, en vervolgens de ‘emancipatoire verheffing’ – waardoor liefde en geluk tot existentieel-politieke gebeurtenissen worden.

De reductie van geluk tot politiek-economische parameters? Voorbeelden te over in William Davies’ fascinerende The Happiness Industry. Een boeddhistische monnik op het World Economic Forum in Davos; de ‘happiness blankets’ van British Airways; het lineaire verband tussen hoge scores in nationale geluksenquêtes en een toenemende consumptie van antidepressiva; Google’s ‘chief happiness officer’; ‘mood-tracking’ apps; een pil tegen verdriet na het verlies van een dierbare die zo goed werkt dat de American Psychiatric Association iemand die langer dan twee weken ongelukkig blijft mentaal ziek verklaart.

Volgens Badiou en Davies dansen de medicalisering van ongeluk en de commercialisering van geluk een verontrustende dans op het niets en niemand ontziende ritme van werk, succes, carrière en quality time. Davies laat op basis van historische en wetenschappelijke bronnen zien hoe geluk de afgelopen jaren tot plicht van de homo economicus en lucratief handelswaar voor de homo consumens geworden is. Badiou beargumenteert, zonder al te veel bronnen maar met een overdaad aan filosofische verve, dat het ‘geluk’ dat de homo consumens en homo economicus zich dient toe te eigenen niets anders is dan een, omwille van het kapitalisme, als emotie vermomd politieke conservatisme. Want dat is waarom er volgens Badiou geen enkele tegenstrijdigheid bestaat tussen het hijgerig najagen van succes en het al rustig ademend vinden van mindfulness: beide bezigheden laten de wereld zoals die is.

Om het ware geluk te vinden in een wereld waarin het ware geluk zogenaamd niet mogelijk is, zal die wereld veranderd moeten worden. Ook voor de hedendaagse mens die meer wil dan niet ongelukkig zijn geldt, dus: ‘Wees realistisch, eis het onmogelijke!’ Of, zoals Badiou het stelt: in een wereld waarin geluk zogenaamd niet bestaat, is echt gelukkig zijn zelf een daad van verzet.

Twee hedendaagse handleidingen dus, voor de gelukkige ziel met revolutionaire aspiraties en de revolutionaire ziel op zoek naar geluk.