De waarde van waarden: schrijvers en lezers in een veranderende wereld


De schrijver is niet meer alleen schrijver, maar ook publieke intellectueel, mediapersoonlijkheid en celebrity. Via teksten, optredens en sociale media beïnvloeden auteurs politiek en maatschappij. Hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Yra van Dijk bespreekt een reeks recente voorbeelden van zulk engagement in het licht van recent Nederlands onderzoek. Door Yra van Dijk.

Maart 2017. Het is het laatste weekend voor de verkiezingen, en vele stemmen roeren zich in het publieke debat. Opvallend is dit jaar hoeveel van die stemmen aan schrijvers toebehoren. ‘Ongevraagd advies’, geeft de Dichter des Vaderlands bijvoorbeeld in een gedicht in NRC Handelsblad: gooi je stem niet te grabbel, is de strekking van Esther Naomi Perquins vers. Een dag later in die krant politieke columns van Christiaan Weijts en Ilja Pfeijffer, en een opiniestuk over stemgedrag van schrijver Philip Huff. Op de zaterdagmiddag daarna woon ik de opnamen van Hier is… Adriaan van Dis bij, waar Hillary Mantel spreekt over geweld in heden en verleden. Zaterdag op Facebook David van Reybrouck over zijn speech in de Bundestag, en Alma Mathijsen over de Women’s March die ze die middag bijwoonde. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de 24 toekomstverhalen in het vlak voor de verkiezingen verschenen Als dit zo doorgaat, de door Auke Hukst bij Ambo|Anthos gebundelde krachten van een groep schrijvers die verontrust is over het ‘trumpisme’ en het populisme.


Essay uit dBNg 2017#2


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Literair engagement nam dat weekend dus vele vormen aan. Auteurs spraken zich uit op sociale en reguliere media, op televisie en op Facebook, in de krant en ook, ‘gewoon’, in een boek. Ze namen hun toevlucht tot uiteenlopende genres: van fysiek, belichaamd protest op de Dam tot imaginaire verhalen, van columns tot gedichten. Ze brachten daarbij hun verbeeldingskracht en retorisch talent in stelling, maar ook hun autoriteit en hun roem. Ze gebruikten de tekst, maar ook de individuele, sociale, culturele, nationale en etnische context.

Het is niets nieuws dat schrijvers zich uitspreken over de inrichting van de wereld buiten het boek. Dichters hebben sinds de vroege Romantiek de taak om een betere wereld te scheppen: als we Percy Shelley mogen geloven zijn dichters ‘the unacknowledged legislators of the world’. Wat wél nieuw is, is de manier waarop dat gaat. Het bereik van de literaire auteur is de afgelopen decennia zowel kleiner, als groter geworden. Kleiner, omdat steeds minder mensen literatuur lezen of er überhaupt belang en status aan toekennen. Groter, omdat schrijvers als personen in verschillende media naar voren worden geschoven: als celebrity, als curiosum, als cultuurdrager, als politiek en maatschappelijk commentator, en vaak als alle vier tegelijk.

Waarom zouden juist auteurs zo’n prominente plaats innemen in het debat? Hoe komt het dat we speciale waarde hechten aan wat Esther Naomi Perquin of Ilja Pfeijffer ervan vinden? En wat betekent het dat zij hun meningen en waarden niet alleen in gedrukte teksten, maar ook in een groeiende hoeveelheid digitale en analoge media verkondigen? Letterkundigen houden zich in toenemende mate bezig met dergelijke vragen. Na de naoorlogse jaren van vooral tekstgerichte letterkunde bestaat er nu in Nederland (en daarbuiten) vrijwel geen onderzoek naar literatuur meer dat geen maatschappelijke pendant heeft. Hoe de tekst in elkaar zit, of hoe die zich verhoudt tot andere teksten is niet meer leidend, maar hoe literatuur werkt in de wereld staat centraal, zoals blijkt uit titels als The Uses of Literature of Fictions of Globalization. 

Nieuwe manieren van engageren 

Ook twee nieuwe studies van Nederlandse literatuurwetenschappers stellen de vraag naar de sociale en politieke consequenties van het hedendaagse literaire schrijven. Schrijven en denken zijn deel gaan uitmaken van een publieke performance, en zijn niet gespeend van theatraliteit. Hoe die performance eruitziet, en wat dat betekent voor de authenticiteit van de schrijver en voor de verspreiding van zijn of haar ideeën, is een van de vragen die Odile Heynders zich stelt in haar studie Writers as Public Intellectuals. Literature, Celebrity, Democracy. Wat blijft er bijvoorbeeld over van de opvattingen van de Franse publieke intellectueel Bernard Henri Lévy als we zijn koketterie ervan aftrekken? Of andersom: hoe creëert hij culturele autoriteit, en hoe zet hij zijn televisieoptredens, intieme dagboeken en invloedrijke vrienden in voor zijn politieke doelen? De acteur die deze auteur ook is, spreekt met een ‘private public voice’, stelt Heynders. Lévy veinst intimiteit met zijn publiek om aandacht te vragen voor bepaalde politieke zaken en voor diegenen die zelf geen stem krijgen in het debat. Ze gebruikt het geval Lévy om aan de orde te stellen hoe dicht politiek en populaire cultuur elkaar genaderd zijn, en wat de marktwaarde van fictieve intimiteit als politieke strategie eigenlijk is. Heynders nuanceert en actualiseert daarmee de bestaande theorie. Authenticiteit is geen feit, maar een gevolg van een onderhandeling met het publiek en een orkestratie van verschillende stemmen op verschillende podia.

Dat kan ook heel anders dan in Levy’s optredens. Naast de Franse dandy gaat Heynders’ boek over auteurs die eerder ‘public private voices’ vormen, zoals de ex-Joegoslavische auteurs Slavenka Drakulić en Dubravka Ugresic. De twee schrijfsters zetten hun teksten in als een vorm van buikspreken. Drakulić weet zich bijvoorbeeld te verplaatsen in de hoofden van de daders uit de oorlog in Joegoslavië. Met literaire middelen dwingt ze haar lezers zich in te leven in de positie van de verkrachters en de brute moordenaars, zodat het verschil tussen ‘wij’ en ‘zij’ wordt gerelativeerd. Zo zetten de schrijfsters literatuur in om mensen met verschillende ethische (en etnische) achtergronden een stem te geven. Met hun fictie benadrukken ze bovendien dat zaken als identiteit, traditie, gemeenschap en de natie imaginair zijn: verzonnen constructies. Een mogelijke kracht van zo’n ‘public private voice’ is dat ze niet alleen spreekt voor – namens – anderen, maar ook tot anderen.

Die twee groepen kunnen overigens ver uit elkaar liggen. Het publiek van de intellectueel valt zelden samen met degenen voor wie hij of zij het opneemt, zo blijkt uit Heynders’ analyses. De reeks intellectuele Europeanen die ze onder de loep neemt, van de ernstige David van Reybrouck tot de satirische Hamed Abdel-Samad, spreken vaak voor een ander publiek dan waar ze over spreken. Het sterkst is dat misschien wel het geval bij Ayaan Hirsi Ali: de afstand tussen deze celebrity intellectual en de onderdrukte vrouwen voor wie ze strijdt, is groot. Die distantie betekent overigens niet dat het werk van deze intellectuelen geen politiek effect kan hebben – integendeel.

De kracht van de stem van publieke intellectuelen is juist gelegen in hun afstand tot de wereld. Schrijvers als publieke intellectuelen zijn, paradoxaal genoeg, betrokken en gedistantieerd tegelijk. ‘Vanaf de zijlijn mengt hij zich in het debat waarin hij een vaak controversieel standpunt inneemt’, zo luidt Heynders’ definitie van de publieke intellectueel. Die moet bovendien kritisch vermogen hebben en het talent om een groot publiek aan te spreken: ‘hij stimuleert de discussie en biedt alternatieve scenario’s over politieke en sociale onderwerpen, en wijst zo een niet-gespecialiseerd publiek op zaken van ethisch belang’.

Daarvoor worden meer dan ooit de media ingezet. Als Elif Shafak een roman schrijft waarin ze pleit voor tolerantie tussen de verschillende Turkse gemeenschappen, heeft die extra effect door haar Twitteraccount met 1,7 miljoen volgers. Zulke overwegingen onderscheiden Heynders’ geleerde en onderhoudende boek van vrijwel alle voorgangers waarop ze voortborduurt, wier theorie ze inzet en nuanceert, van Said tot Habermas. Voor haar is het gemediatiseerde karakter van de publieke intellectueel geen probleem, maar juist een voorwaarde voor zijn of haar openbaarheid. Cultuurpessimisme is haar vreemd, en dat is buitengewoon verfrissend. Media staan hier niet per definitie gelijk aan, roem niet aan oppervlakkigheid, en een demonstratie van intimiteit is niet per se het tegenovergestelde van intellectuele autoriteit.

De schrijver als kanarie in de kolenmijn 

Wat geeft nu precies literaire auteurs die autoriteit? De status van literatuur is niet meer wat die geweest is, en toch luisteren we blijkbaar graag naar schrijvers. Schrijvers zijn namelijk avantgardistische denkers. Ze zijn gespecialiseerd in het doordenken van scenario’s voor de toekomst. Daarom fungeren hun teksten als een waarschuwingssysteem dat lang voor de dingen uit de hand lopen alarm kan slaan. Vandaar dat Auke Hulst na de verkiezing van Trump een heel aantal schrijvers vroeg om in een kort verhaal na te denken over de vraag welke wereld we willen en welke we vrezen. 24 schrijvers zegden toe, en binnen twee maanden lag er een bundel. ‘Literatuur heeft het unieke vermogen invoelbaar te maken wat in het publieke debat abstract blijft’, zegt Hulst, ‘namelijk: hoe gaat de wereld die we aan het maken zijn eruit zien?’

En, hoe ziet die wereld eruit, in Als dit zo doorgaat? De verhalen voorspellen vaak een steriele wereld – waarin de geur van regen of vlierbes alleen nog kunstmatig opgewekt kan worden. Ook onaangename zaken, zoals het ‘afvoeren’ van ongewenste vreemdelingen, kan daarin met een druk op de knop geregeld zijn. De toekomstscenario’s die Nelleke Noordervliet, Hanna Bervoets of Daan Heerma van Voss schetsen zijn zo niet direct dystopisch, maar ook niet open voor iedereen. Allemaal beschrijven ze een schijnbaar rustige, lieflijke wereld waarin vrede wordt afgedwongen door surveillance, technologie en streng bewaakte grenzen. Daarbuiten zal het guur zijn, daarbinnen zijn individuen gespeend van elke autonomie, maar ze leiden er een comfortabel leven: ‘Zij zijn verlost van de rancune’, zegt de hoofdpersoon bij Noordervliet, ‘ze zijn verlost van de burgeroorlog, de chaos.’

Ons eigen verlangen naar comfort is onze grootste bedreiging, suggereren de schrijvers – dat wiegt ons in een verregaande meegaandheid: een overgave aan Grote Leiders en robots. Anderen in de bundel voorspellen juist een apocalyptische oorlog van iedereen tegen iedereen als het zo doorgaat, of zwaarbewaakte moslimkampen. Walter van den Bergs A Clockwork Orange-achtige verhaal is misschien wel het meest angstaanjagend, omdat het zo nabij voelt en zo herkenbaar is uit de recente geschiedenis; blanke ordetroepen die in moslimwijken geoorloofd en willekeurig dood en verderf zaaien wanneer ze zin hebben in een verzetje. Ook zien we in zijn verhaal hoe effectief het is om te vertellen vanuit het perspectief van de dader.

Vandaar de nadruk die Odile Heynders legt op het vermogen van literatuur om meerstemmigheid te laten klinken. Literatuur doet dat vaker dan ooit, zegt Heynders, ze is ‘wereldser’ geworden, en auteurs staan minder met hun rug naar de maatschappij – blijkbaar net als wetenschappers zoals zijzelf. Bespreekt Odile Heynders het effect van het daadwerkelijke optreden van schrijvers van vlees en bloed, in de studie van haar collega Liesbeth Korthals Altes draait het om de vraag wat dat optreden voor invloed op de lezer heeft. De Groningse literatuur- wetenschapper legt in haar Ethos and Narrative Interpretation. The Negotiation of Values in Fiction de aandacht bij de relatie tussen de auteur en de lezer.

De auteur is niet meer dood 

Want wat moeten lezers eigenlijk denken van de beweringen die ze in romans tegenkomen? Hoe serieus is iemand als Michel Houellebecq? Hoe weten lezers hoe ze diens xenofobe en conservatieve, seksbeluste personages moeten inschatten? Waar eindigt de autobiografie en waar begint de ironie? En dus: wat is nu eigenlijk volgens hen het standpunt van een roman als Plateforme over politieke en maatschappelijke kwesties?

Over de manier waarop lezers hun inschatting van ‘de waarde van waarden’ precies maken (dus feitelijk over hoe literatuur ideeën over de wereld overbrengt), is nog erg weinig bekend. Bij een (voorlopig) gebrek aan empirische data over lezers en de manier waarop zij waarde toekennen aan tekst, zet Korthals Altes de ‘narratologie’ in: uit het fabelachtige aanbod aan verhaaltheorieën van de afgelopen eeuw dat ze tot haar beschikking heeft, selecteert en evalueert ze alle benaderingen die van dienst kunnen zijn bij haar actuele – en originele – vraag naar de interpretatie van het ‘auteursethos’.

Lezers beoordelen dat ethos aan de hand van vele soorten informatie. Natuurlijk is genre van belang, maar ook stijl, personages, en het optreden van de auteur buiten zijn tekst, in de media, zijn dat. Zo hebben zeker onconventionele, provocatieve of ironische teksten allerlei invloed op de betekenis die we aan zo’n tekst geven. Korthals Altes demonstreert hoe Dave Eggers te werk ging in de opbouw van een oeuvre dat steeds directer geëngageerd werd. Met een sterk ironisch debuut verwierf hij de literaire autoriteit waarmee hij vervolgens een betrokken (bijna) non-fictie boek als What Is the What kon schrijven. De uitingen van Arnon Grunberg suggereren een soortgelijke, zij het altijd sterker ironische, ontwikkeling.

Om iets te kunnen zeggen over de manier waarop lezers in zulke gevallen kunnen bepalen wat ‘de waarde van waarden’ is, moet Korthals Altes eerst een hele kluwen aspecten van de literaire communicatie ontwarren: genre, vertellers, personages, fictionaliteit, authenticiteit, autoriteit, personages, leeshouding, intenties, oprechtheid, ironie, betrouwbaarheid – ze passeren allemaal de revue. Inspirerend is dat zij daarbij niet vasthoudt aan een apart domein voor literatuur, aan de ‘autonomie van het literaire veld’, maar dat zij juist laat zien dat ook literaire teksten en hun lezers in de verwarrende, politieke en complexe werkelijkheid opereren.

Haar boek betekent een geweldige inhaalslag. Hoewel we eerstejaars Nederlands nog steeds proberen hun hardnekkige gewoonte af te leren om als letterkundigen bij de auteur te rade te gaan voor de betekenis van een tekst, blijkt dat in de praktijk precies te zijn wat lezers doen. Korthals Altes’ pragmatische benadering doet recht aan de troebele leespraktijk, waarvan we nog zo weinig weten. Voor die interpretatieve werkelijkheid is steeds meer aandacht, net als voor de vraag hoe schrijvers met hun publieke optreden die interpretaties sturen: de auteur heeft een ‘triumphant comeback’ gemaakt in het onderzoek, zegt Korthals Altes terecht. De afgelopen jaren verschenen er studies naar de posture, de autoriteitsbekrachtigende houding, van Nederlandse schrijvers (Laurens Ham), de zelfrepresentatie van Gerard Reve (Edwin Praat), en de schrijver als celebrity, van Willem Bilderdijk tot J.D. Salinger (Gaston Franssen en Rick Honings).

Zulke boeken laten zien hoe literaire auteurs de autoriteit verwerven om zich uit te spreken over politiek en maatschappij. Die autoriteit is er niet zomaar, maar ontstaat in een ingewikkelde onderhandeling tussen media, teksten, auteurs en het publiek. Deze groeiende academische aandacht heeft als voordeel dat niet alleen de auteur, maar ook de lezer wedergeboren is.

Literatuuronderzoek middenin de wereld 

De conclusie van veel van de voorbeeldanalyses van Korthals Altes is dat literaire teksten vaak over zichzelf gaan: ze spreken zich op momenten van ironie of genrespelletjes uit over de mogelijkheid of onmogelijkheid om zich uit te spreken. Door haar nadruk op de narratologie, heeft Korthals Altes helaas wel weinig ruimte om te bespreken hoeveel de filosofie hier al over heeft gezegd. Derek Attridge schreef bijvoorbeeld over die zelfreflexiviteit van literatuur in The Singularity of Literature uit 2004: ‘there is no way it can serve as an instrument without at the same time challenging the basis of instrumentality itself’. Daarmee wilde hij zeggen dat op het moment dat literatuur een middel wordt tot een doel, nuttig wordt, ze zelf de mogelijkheid van nut gaat bevragen.

Hoe zit dat in de geëngageerde verhalen die Hulst bij elkaar verzamelde? Bevragen die hun eigen nut? Het doel van de bundel Als het zo doorgaat is immers expliciet: dit is een interventie in het debat. Het gaat, zo zegt Hulst in zijn inleiding, om schrijvers die ‘zich geroepen voelen hun betrokkenheid met de wereld te vertalen naar hun werk’. Dat is een beetje ongelukkig geformuleerd. Korthals Altes en Heynders zouden zeggen: voor betrokkenheid is geen vertaling nodig. Dat suggereert immers dat betrokkenheid en literatuur twee verschillende talen zouden spreken. Het tegendeel is het geval: door het literaire schrijven en lezen zelf wordt betrokkenheid gecreëerd. Dat is precies waarom er voor literatuur geen rol is weggelegd in de dystopische werelden uit Als het zo doorgaat: kitsch, spektakel en entertainment is alles wat over is. In de bijdrage van Jannah Loontjes moeten de liefhebbers van poëzie onderduiken. De enige boeken die nog mogen worden gedownload van de totalitaire staat bij Nelleke Noordervliet zijn ‘niet te verteren’. Blijkbaar is literatuur gevaarlijk in de nieuwe wereldorde, en is de tegenstem verstomd. In het angstaanjagende verhaal van Hulst zelf is het de laatste lezer zelf die zijn boeken naar de vuilstort brengt, omdat hij te eenzaam is geworden in de ‘genormaliseerde’ wereld, en zijn boekenkasten hem omringden als een gevangenis.

Bij Jamal Ouariachi is er censuur – boeken van Nederlandse Marokkanen mogen niet meer gelezen worden in het radicaal-rechtse en bloederige Europa dat hij schetst. Met een vileine ironie maakt Ouariachi van de Middellandse Zee de plek waar ‘zoveel gevluchte Europeanen de dood vonden, onderweg naar Afrika’. Dat neemt niet weg dat het juist de schrijver is die getuige is in het imaginaire proces tegen een kaalgeschoren Wilders in Tanger. Zo biedt zelfs de meest pessimistische toekomst nog ruimte voor de autoriteit van de auteur.