Rouwen in het Antropoceen
🖋 Lisa Doeland


Sommige begrippen dienen enorm goed als stok om mee te slaan. ‘Neoliberalisme’ is daar een mooi voorbeeld van. Gewoon ‘neoliberalisme’ roepen en klaar is Kees. Kaltgestellt. Het buzzword van dit moment, ‘Antropoceen’ heeft een vergelijkbaar effect. Al dient dit begrip niet zozeer als stok om anderen mee te slaan, als wel als zweep om mee aan zelfkastijding te doen. Met de introductie van dit nieuwe geologische tijdperk proberen we de vinger op de zere plek te leggen: de mens – de antropos – die een puinzooi maakt van onze planeet. Door Lisa Doeland.

Volgens de recent verkozen Denker des Vaderlands, René ten Bos, gaat van naamgeving een bezwerende werking uit. Onbenoemd maakt onbekend. En angstig: ‘we geven namen omdat we bang zijn’. In Dwalen in het Antropoceen (2017) laat Ten Bos zien hoe we aan de onzekerheid die gepaard gaat met leven in tijden van klimaatopwarming, zeespiegelstijging en massa-extinctie, het hoofd proberen te bieden door het beest een naam te geven: het Antropoceen. Het probleem met Antropoceen met een grote ‘A’ is volgens Ten Bos dat het een richting suggereert, een aanknopingspunt, een weg het bos uit. En dat is volgens hem nou juist wat we níet moeten doen. We hebben de weg nooit geweten en we moeten vooral niet denken dat we die nu opeens wél kunnen vinden: verdwaald zijn is de permanente conditie van de mens. Met geo-engineering en andere technologische quick fixes om de ‘cascade aan catastrofes’ het hoofd te bieden (zoals het bouwen van een megadam in de Beringzee om de Noordpool te beschermen, of een reflecterend zonnescherm in de ruimte plaatsen om wat zonlicht tegen te houden) heeft hij dan ook weinig op. Want als het Antropoceen ons íets leert, dan is het wel dat wij op onze omgeving inwerken en de omgeving op ons. En ook dat er geen buitenperspectief is dat ons toestaat van een afstandje te bepalen wat er aan de hand is en wat we zouden moeten doen om elders te komen. We staan er niet boven of buiten, we zitten er middenin.

Essay uit dBNg 2017#3

    


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

 

‘Het maakt uit met welke gedachten we andere gedachten denken’

Ook de Amerikaanse filosofe Donna Haraway heeft weinig op met het begrip Antropoceen. In Staying with the Trouble, Making Kin in the Chthulucene (2016) stelt zij dat ‘het uitmaakt met welke gedachten wij andere gedachten denken’. Zij kiest daarom voor ‘Chthulucene’,  een samenballing van het Griekse khtôn (aarde) en kainos (het nieuwe), en de Noord-Californische Pimeo Cthulhu-spin. Met die spin introduceert Haraway wat ze tentacular thinking noemt, een manier van denken die op ‘voelen’ en ‘proberen’ berust en rekenschap geeft van de lokaliteit ervan. Niemand woont overal, iedereen woont ergens. Niets is met alles verbonden, alles is ergens mee verbonden. Zo knikkert ze de antropos vakkundig het centrum uit. Het probleem met het Antropoceen en ook het Kapitaloceen is volgens Haraway, dat het te grote verhalen zijn, die vooral uitnodigen tot apocalyptische paniek. Hoewel Haraway’s ‘tentakel- denken’ de zweem van het arbitraire heeft – had ze op basis van die spin niet net zo goed met ‘verwebd denken’ kunnen aankomen? – wordt gaandeweg duidelijk waarom ze al die uiteenlopende verhalen en discoursen erbij haalt. Ze zoekt verwantschappen. Als het erop aankomt een begrip te vinden waarin onze verwebdheid wordt uitgedrukt, waarin zichtbaar wordt hoe wij onze tentakels in anderen steken en zij in ons, hoe wij mét en ván de aarde zijn, dan moet het geen al te eenduidig woord zijn. Het maakt uit van welke begrippen je je bedient.

Ten Bos heeft het niet zo op Haraway en haar steeds terugkerende mantra dat ‘het uitmaakt met welke gedachten we andere gedachten denken’. Alsof ‘het denken’ ons zo ver gebracht heeft en alsof er niet ook met ‘het goede denken’ – wat dat ook moge zijn – aan de haal kan worden gegaan. En geniet Haraway niet te veel van haar eigen denken en dat van haar kin, die natuurlijk de ‘juiste’ gedachten hebben, vraagt Ten Bos zich af? Zeker. Verwantschap is ook lekker. En we moeten waken om ons daar al te veel aan te laven (zoals ook ik dat moet, kickend op alle dwarsverbanden tussen de denkers die ik in dit essay rond laat dwalen), maar dat neemt niet weg dat het uitmaakt met welke begrippen we denken. Of met welke figuren. Neem de film noir-detective (over wie later meer), die onmiskenbaar man is. Hoe hard ik mijn best ook doe om me met dit morsige, rokende type te identificeren, steeds komt de femme fatale langszij. Die detective, die ben ik niet. En ook de antropos is onmiskenbaar man. Het is geen toeval dat Haraway zich tot de dieren wendt, de critters (creatures, het gedierte) die een stuk minder vastgesteld zijn en makkelijker door sturende categorieën heen glippen.

Donkere ecologie

Ten Bos heeft meer op met een andere Amerikaanse filosoof, Timothy Morton, die de gapende leegte in zichzelf en zijn eigen denken met veel plezier onderzoekt. Mortons Dark Ecology (2016) stelt onzekerheid, twijfel en ironie voorop. De tragiek van de mens, aldus Morton, is dat hij in een poging om zijn lot te ontlopen – afhankelijkheid verknooptheid, sterfelijkheid – er nog steviger aan vastgeketend raakt. We zijn nog steeds Mesopotamiërs, schrijft hij, we proberen nog steeds tot meer bestaanszekerheid te komen door de natuur in cultuur te brengen, door ons te wapenen tegen de elementen, zoals we ooit begonnen te doen in de ‘vruchtbare halve maan’, maar die zekerheid brokkelt langzaam maar zeker af.

De mens die ronddwaalt in deze donkere wereld, is als een detective uit een film noir, zo iemand die er in de loop van het verhaal achter komt dat hij zelf de misdadiger is die hij zoekt. In tegenstelling tot de klassieke detective, die altijd de waarheid achterhaalt en daarmee de rechtvaardigheid hooghoudt, kan de film noir-detective niet op zijn eigen denken vertrouwen. Want genieten we stiekem niet ook van ons schuldgevoel? En hebben de schaamte en de wanhoop die ons aandeel in ecologische crises met zich meebrengt niet ook iets lekkers? Hoewel Morton het niet expliciet over jouissance heeft, denk ik dat het zinvol is om dit begrip van de psychoanalyticus Jacques Lacan erbij te halen. Jouissance is een pijnlijke vorm van genot. Het is volgens Lacan een vorm van genot dat voorbijgaat aan het freudiaanse lustprincipe, een grensoverschrijdend genot dat eigenlijk niet lekker meer is. Maar dat we toch steeds herhalen. Hoewel we heel goed weten dat het verlangen dat reclames in ons opwekken nooit gestild gaat worden door de producten die zij aanprijzen te kopen, doen we het toch. Steeds weer. We herhalen steeds iets wat lekker lijkt en wat even genot oplevert, maar ons daarna met een zure nasmaak achterlaat. Zoals de zoveelste allerlaatste sigaret.

Hoewel consumentismekritiek enorm voor de hand ligt, maant Morton ons om de baby niet met het badwater weg te gooien. Volgens hem hebben we iets van consumentisme te leren. Het willen van iets waar we ons mee identificeren, is wat ons mens maakt. En is dat niet precies waar consumentisme over gaat? Het ging al nooit om wat we nodig hebben – er is geen maatstaf voor behoefte, behoefte is relatief – maar altijd al om wat we verlangen. Ons verlangen wordt gedreven door een bepaald beeld dat we van onszelf hebben. Dit is waar consumentisme op inhaakt, door ons voor te houden dat iets anders ons kan maken tot wie we willen zijn. Er is volgens Morton geen ontsnappen aan de narcistische loop, die heen en weer gaat tussen auto-affectie en hetero-affectie, tussen liefde voor het andere en voor onszelf. Zonder deze vorm van narcisme is er überhaupt geen sprake van co-existeren. ‘Consumerism haunts environmentalism’, concludeert Morton. En waar spoken zijn, daar kun je maar beter waken voor exorcisme. Want daar wordt het alleen maar erger van.

Dat waar we van genieten heeft een donkere kant. En we moeten de gevoelens van schuld, schaamte en depressie die met dat besef gepaard gaan vooral niet wegpoetsen. Donkere ecologie is unheimlich. We moeten onderkennen dat we nooit persoonlijk getekend hebben voor klimaatopwarming, massa-uitsterving en wat al niet meer, maar dat we wél betrokken zijn bij dat ‘misdrijf’. Het gaat erom stil
te staan bij het feit dat onze genietingen een schaduwzijde hebben, zonder vervolgens onszelf flink te geselen en op de proppen te komen met ‘one bacterial soap to rule them all’. Er is geen uitweg, geen manier om alles weer schoon en heimlich te maken. Of met Haraway: ‘we should stay with the trouble’.

Milieu-melancholie

Ook ecopsychologe Renee Lertzman vraagt aandacht voor ‘the dark side of our pleasures’. Zij stelt dat wij op grote en kleine manieren voortdurend herinnerd worden aan ons aandeel in de destructie van de ecosystemen van onze planeet – ons thuis. Volgens Lertzman moeten we de macht van onbewuste verlangens niet ontkennen: we willen én goedkoop vliegen én door klimaatopwarming veroorzaakte catastrofes voorkomen. Die gespletenheid leidt tot verdedigingsmechanismen zoals ontkenning en wat zij ‘milieumelancholie’ noemt.

Het is een misvatting dat mensen ofwel niet goed genoeg geïnformeerd zijn, ofwel niet geïnteresseerd. Er wordt vaak gesproken van een kloof die zou gapen tussen wat mensen willen en wat ze doen, en gezegd dat de truc is deze kloof te dichten. Dit is wat Lertzman de ‘mythe van apathie’ noemt. Lertzman spreekt van een mythe, omdat die de ambivalentie, het conflict en de tegenstellingen die aan de kloof ten grondslag liggen maskeert. Namelijk: we want to have our cake and eat it too. Onze ogenschijnlijke apathie is een verdedigingsmechanisme tegen gevoelens van schuld, verlies en rouw, die gepaard gaan met het besef dat we te maken hebben met tegenstrijdige verlangens en belangen. Zolang we daar niet mee aan de slag gaan, vallen we ten prooi aan milieumelancholie.

In plaats daarvan moeten we volgens Lertzman in de rouw. Ze grijpt terug op Sigmund Freuds klassieke tekst ‘Rouw en melancholie’. Freud maakt daarin een onderscheid tussen rouw, waarbij altijd duidelijk is om welk verlies gerouwd wordt, en de melancholie, waarbij niet duidelijk is wat er precies verloren is gegaan. Lertzman laat zien dat de milieumelancholicus blijft hangen in een nostalgisch verlangen naar een geïdealiseerde plek. De natuur uit onze jeugd bijvoorbeeld, die in retrospect altijd groener lijkt. In plaats daarvan moeten we rouwen om dat wat we niet geïdealiseerd hebben, de ecosystemen
in de wereld zoals die is, die wij wel degelijk aan het vernietigen zijn. Hoe gaan we om met pijnlijke kennis? Dat is de vraag.

Leren sterven

Als er één ding pijnlijk is, zeker in de overheersende cultuur, dan is het wel het besef van onze sterfelijkheid. Over ons onvermogen om onze sterfelijkheid onder ogen te zien schreef Roy Scranton Learning to die in the Anthropocene: Reflections on the End of Civilization (2016). In navolging van Michel de Montaigne stelt hij dat filosoferen een oefening in sterven is. Er zijn twee manieren waarop wij moeten leren sterven, aldus Scranton. Als individu moeten wij vergankelijkheid als fundamentele waarheid omarmen, wat lastig is, omdat we bedraad zijn om ervan uit te gaan dat dingen stabiel zijn en permanent, dat morgen ongeveer zoals vandaag is. Als beschaving moeten we leren dat wij al ten dode zijn opgeschreven. Alleen wanneer we dat besef door laten dringen, kunnen we beginnen aan de moeilijke taak om ons aan de nieuwe situatie aan te passen. Leren sterven is leren loslaten. Van het zelf, van de toekomst, van zekerheid, van genot, van duurzaamheid. En dat doen we door niet bang te zijn, door niet in paniek te raken, door niet te ontkennen wat er aan de hand is. Stilstaan en moeilijke vragen stellen, daar gaat het om. En voor dat rouwproces is de filosofie volgens Scranton bij uitstek geschikt.

Wat Haraway betreft is dat rouwproces niet aan mensen voorbehouden. Ze schrijft over het onderzoek van extinctiebioloog Thom van Dooren, die (net als Geerdt Magiels dat onlangs in deze pagina’s deed; zie tiny.cc/2016-6-gm) beargumenteert dat ook dieren kunnen rouwen. Samen rouwen is, aldus Haraway, de weg naar een gedeeld leven en sterven van mensen en andere critters. Hoewel Ten Bos kanttekeningen plaatst bij de ‘verlekkerde’ manier waarop deze Van Dooren schrijft over het uitsterven van bepaalde dieren en ook over de welwillendheid waarmee Haraway hem aanhaalt, citeer ik hier toch met enig plezier Haraway, die Van Dooren citeert: ‘mourning is about dwelling with loss and so coming to appreciate what it means’. Rouwen als blijven staan bij een verlies dus. Al is de vraag of het uiteindelijke doel de verwerking van het verlies zou moeten zijn. Want wie een verlies verwerkt heeft, is er klaar mee en kan weer vrolijk voort.
Zoals Morton elders opmerkt: melancholie is ethisch verfijnder dan rouw, omdat de melancholie toestaat dat ‘de doden’ in onze keel blijven steken, terwijl de rouw erop uit is ze te verteren.

Troebel maken

Misschien komt het veeleer aan op ‘dwalen’ met een verlies. Het Engelse dwelling is etymologisch terug te voeren tot oud-Engelse dwellan, dat zoveel betekent als misleiden, op een dwaalspoor brengen. Dwelling, ‘op een bepaalde plek verblijven’ en ‘ergens bij stilstaan’, kunnen niet zonder ‘misleiden’ en ‘dwalen’. Melancholie als een vorm van dwalen, stilstaan bij iets wat we zijn kwijtgeraakt, daar al doende vertrouwd mee raken en en passant onze weg vinden. We moeten stilstaan bij onze troubles, schrijft Haraway. En dit vraagt er volgens haar om zowel voor de hoop als de wanhoop te waken. Het verleden was geen hel en ook geen Hof van Eden, en de toekomst gaat ons geen verlossing brengen, maar ook geen apocalyps. Net als Ten Bos schuwt Haraway het geloof in technofixes, het idee dat de technologie ons, ‘stoute, maar hele slimme kinderen’, wel zal redden. Maar gevaarlijker (en veel hardnekkiger) is volgens haar de overtuiging ‘dat het al te laat is’. Hoewel Haraway enerzijds begrip heeft voor deze cynische game over-houding in tijden van massa-extinctie, stelt ze anderzijds dat de dunne scheidslijn tussen erkenning van de zwaarte van het probleem en de overgave aan een abstract toekomstdenken en de wanhoop en onverschilligheid die daarmee gepaard gaat, bevochten moet worden.

Zoals Ten Bos ons oproept om vooral niet te proberen het bos uit te komen, maar rustig onder een boom te gaan zitten en de omgeving in ons
op te nemen en Morton ons waarschuwt voor het gebruik van antibacteriële zeep om mee weg te poetsen wat ons niet bevalt en vooral in het rouw- proces te blijven hangen, zo maant Haraway ons om onze troubles niet uit de weg te gaan. Het Franse troubler, zo merkt Haraway op, betekent zoveel als ‘to make cloudy’. Vertroebelen dus. Of anders: niet terugdeinzen voor wat troebel is.