16 juni: Bloomsday!


Op 16 juni is het weer zover: Bloomsday. Bloomsday is de dag die wordt beleefd door Leopold Bloom, de held van Ulysses, de befaamde roman van James Joyce die zich afspeelt binnen een etmaal – op 16 juni 1904. Doordat hij wordt gadeslagen en vooral door wat hij denkt, mompelt, zegt en schrijft komen we als lezers te weten wat Bloom bezighield tijdens zijn miniatuur-odyssee, die bestaat uit omzwervingen door Dublin. Joyce besteedde daar een kwart miljoen woorden aan, niet bepaald het format van een bestseller, maar de bespiegelingen van Bloom werden op zo’n oorspronkelijke, vrolijke en scherpzinnige manier gepresenteerd dat het boek uitgroeide tot een monument. Door Luuc Kooijmans.

In Dublin wordt de dag jaarlijks gevierd en er is geen evenement dat niet is voorzien van een woordspeling op zijn naam. Dat is in stijl natuurlijk (zijn tweede beroemde boek, Finnegans Wake, is een grote woordspeling), maar over het enthousiasme voor de viering in Dublin zou de schrijver misschien wel wat schamper hebben moeten lachen. Het duurde jaren voor hij er een boek uitgegeven kreeg. Ulysses werd uitgebracht in Parijs, want in Dublin vond men het boek schokkend immoreel. Verstikkend conventioneel vond Joyce er de atmosfeer, dodelijk voor de kunstenaarsziel. Voor hij 23 was had hij de stad verlaten en hij keerde er nooit meer terug.


Essay uit dBNg 2017#3 


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Aanvankelijk was de herdenking een privékwestie. Blooms schepper (op dat moment woonachtig in Parijs) werd op de vijfentwintigste verjaardag van zijn odyssee door vrienden, onder wie Samuel Beckett, meegenomen naar een dorp waar een Hôtel Leopold was. Daar werd de dag op gepaste wijze gevierd: op de terugreis moest Beckett wegens verregaande dronkenschap worden achtergelaten in een openbaar toilet. Na de dood van Joyce vond de viering plaats in het openbaar, en op de plaats delict, want hij was inmiddels zo beroemd dat hij zelfs in Dublin werd erkend als groot schrijver. De herdenking van Bloomsday vond er plaats op speelse doch beschaafde wijze: liefhebbers en geleerden beluisterden lezingen, voerden discussies en bezochten gewijde plekken. Men at in het Ormond Hotel, klom over het hek voor 7 Eccles Street en kocht citroenzeep bij apotheek M.F. Quinn, net als Leopold Bloom.

ii

Waarom deed Bloom dat alles juist op 16 juni 1904? Voor de wereldgeschiedenis was het geen opzienbarende dag. In Ascot won een outsider een paardenrace, in Amsterdam raakte op de Nieuwezijds Voorburgwal een fietsende jongen onder de tram. En ook Bloom beleeft tijdens zijn omzwervingen door Dublin eigenlijk weinig opzienbarends. Maar Ulysses speelt zich natuurlijk niet voor niets op die dag af, want Joyce graaft zich autobio.

Hij mocht er niet meer willen terugkeren, in gedachten was Joyce altijd in Dublin. De miskenning van zijn kunstenaarschap en zijn verzet tegen de conventie waren thema’s die zijn leven beheersten en zijn schrijverschap voedden. Een ander cruciaal thema was verraad en loyaliteit, en ook dat was onlosmakelijk verbonden met Dublin. Hij was er gesmaad en verraden, maar hij had er ook een metgezel gevonden. Vrijwel alles wat hij schreef speelde zich er af.

Zijn werk is in hoge mate autobiografisch, maar zelden rechtstreeks. Wie Joyce op een of andere wijze tekort deed, kon er op rekenen dat er een vergelding zou volgen op papier, maar de wraak kon allerlei vormen aannemen. Een Britse consul die hem had dwarsgezeten verscheen in Ulysses in de gedaante van beul, en een van zijn medewerkers werd getransformeerd tot een politieagent wiens eloquentie een hoogtepunt bereikte in de zin ‘I’ll wring the bastard fucker’s bleeding blasted fucking windpipe!’

Alles wat Joyce beschouwde als miskenning, verraad of loyaliteit keerde in een of andere vorm terug in zijn werk.

Voor Joyce was 16 juni 1904 kennelijk een cruciale dag geweest. Maar waarom? Uit Ulysses valt dat niet direct af te leiden.

iii

‘Joyce loves to mystify’, zei Anthony Burgess, die een boek schreef over de taal van Joyce (Joysprick). Maar met de analyse van het taalgebruik raakte je volgens hem niet de kern van diens werk, want ‘mysteries yield less to the language scholar than to the diligent enquirer into the facts of Joyce’s life’.

Die feiten zijn dat de twintigjarige bakkersdochter Nora Barnacle op een vrijdag in juni 1904, een half jaar nadat ze vanwege een opdringerige oom van huis was weggelopen, werd aangesproken door een jongeman, die ze aanzag voor een zeeman, omdat hij een pet droeg. Ze reageerde niet onwelwillend en maakte een praatje met hem, dat eindigde met een afspraak voor de dinsdag daarop, ’s avonds voor het huis van de vader van Oscar Wilde. Maar ze wist hoe mannen zijn. Ze nam die afspraak dus niet serieus en hield zich er niet aan. De volgende dag ontving ze een briefje: ‘I may be blind. I looked for a long time at a head of reddish-brown hair and decided it was not yours. I went home quite dejected. I would like to make an appointment but it might not suit you. I hope you will be kind enough to make one with me – if you have not forgotten me! James A. Joyce.’

Er werd een nieuwe afspraak gemaakt voor de volgende dag. Donderdagavond 16 juni ontmoetten James Joyce en Nora Barnacle elkaar opnieuw. In een opgewonden moment beschreef Joyce later in een brief aan Nora wat er tussen hen was voorgevallen: ‘it was you yourself, you naughty shameless girl who first led the way. It was not I who first touched you long ago down at Ringsend. It was you who slid your hand down inside my trousers and pulled my shirt softly aside and touched my prick with your long tickling fingers and gradually took it all, fat and stiff as it was, into your hand and frigged me slowly until I came off through your fingers, all the time bending over me and gazing at me out of your quiet saintlike eyes.’

Nora schaamde zich naderhand nogal over deze episode, maar voor Joyce was het een gewijd moment. Hij vertelde Nora dat hij haar daad beschouwde als een soort sacrament en hij probeerde haar ook uit te leggen waarom. Zonder veel succes: ze haalde haar schouders op en zei: ‘I know what’s talking now.’ Toen Ulysses in 1922 verscheen had Nora, die inmiddels zo’n achttien jaar met Joyce samenleefde, geen idee waarom 16 juni 1904 zo’n speciale datum was.

iv

En nu is het dus weer zover: op naar Dublin, verkleed als Leopold of Molly Bloom (in het eerste geval met strohoed – hoewel, voor dit jaar zijn ze al uitverkocht), voor een rondleiding of een bustour langs de Martello Tower en Sandymount Strand (waarbij een lokale gids zorgt voor ‘fun facts’), voor ontbijt met varkensniertjes, een drankje in Davy Byrne’s bar (ook mogelijk: een drie uur durende food & drink tour, The Joyce of Food, want eten is natuurlijk prominent in Ulysses, neem nu die aardappel die Bloom in zijn zak meedraagt), en natuurlijk voor interviews, lezingen en voordrachten en het naspelen van scènes uit het boek.

Misschien wordt het eens tijd om een programmapunt toe te voegen?