Het schrijven van de dag en het schrijven van de nacht


Een oordeel is snel geveld, helemaal over iemand die aan de verkeerde kant van de geschiedenis stond. Het reactionaire verleden van de als links bekendstaande schrijver en literatuurcriticus Maurice Blanchot doet nog altijd veel stof opwaaien. Arnold Heumakers zoekt de nuance op en laat zien hoe juist het literair extremisme van Blanchot een simpele veroordeling van zijn ultrarechtse jeugd in de weg staat. Door Arnold Heumakers.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#4

In 1964 publiceerde de voor de nazi’s naar Amerika uitgeweken Duitse filosoof Herbert Marcuse One-Dimensional Man. Het boek leverde de filosofische inspiratie voor de jeugdrevolte die een paar jaar later overal in het Vrije Westen losbarstte. Marcuse maakte de jongeren duidelijk dat zij leefden in een wereld van welvaart en comfort, waaraan een cruciale dimensie ontbrak: die van de ware kritiek. Hoewel iedereen kon zeggen of schrijven wat hij wilde, werd alle verzet in de praktijk listig geneutraliseerd. ‘Repressieve tolerantie’ noemde Marcuse dat in een artikel uit 1965. De remedie stond in One-Dimensional Man. Om aan de greep van het eendimensionale consumptieparadijs te ontkomen, hielp alleen een ‘absolute weigering’: niet meer meedoen, op voorhand nee zeggen tegen alles. Deze ‘Great Refusal’ had Marcuse ontleend aan de Franse schrijver en literatuurcriticus Maurice Blanchot (1907-2003), destijds buiten Frankrijk nog amper bekend.

Binnen Frankrijk gold Blanchot, met zijn duistere romans en zijn doorwrochte essays over Lautréamont, Mallarmé, Sade, Hölderlin, Valéry en andere ‘moeilijke’ auteurs, vooral als een ‘schrijversschrijver’, iemand bovendien die aan de literaire kritiek een ongehoorde filosofische diepgang wist te geven en die daarmee, net als zijn vriend Georges Bataille, op jongere critici en denkers als Roland Barthes, Michel Foucault, Jacques Derrida en Jean-Luc Nancy een onuitwisbare indruk maakte.

Als schrijver was Blanchot geneigd zich zo veel mogelijk buiten de openbaarheid te houden. Toen hij in 2003 overleed, bleek er zelfs geen recente foto van hem te bestaan. Toch had deze extreme discretie hem niet verhinderd zich van tijd tot tijd met politiek in te laten. In 1958 sprak hij zijn principiële en onvoorwaardelijke ‘weigering’ uit tegen Charles de Gaulle. [1] De Gaulle, tijdens de Duitse bezetting boegbeeld van het Vrije Frankrijk in ballingschap, wierp zich in 1958 op als redder des vaderlands, nadat in Algerije niet alleen een antikoloniale vrijheidsstrijd was uitgebroken, maar ook een opstand van het leger tegen het te slap geachte regeringsoptreden. In De Gaulles ‘providentiële’ machtsaanspraak zag Blanchot een nieuwe ‘fascistische’ dictatuur opdoemen, waarvoor elk verzoenend argument (was De Gaulle, gezien de kritische toestand van het land, niet de minste van twee kwaden?) rigoureus moest worden afgewezen. Daar hebben we de Blanchot op wie Marcuse zich beroept in One-Dimensional Man.

Hoezeer hij bij hem aan het goede adres was, bleek vervolgens in mei 1968. Blanchot schaarde zich geestdriftig achter de opstandige studenten en werd lid van een comité van revolutionaire schrijvers en studenten. Hij sprak zich zelfs uit tegen ‘het boek’ en verheerlijkte het pamflet, het vlugschrift en het affiche. Anders dan in het boek, dat Blanchot verbond met ‘voltooiing’, ‘perfectie’ en ‘een geraffineerde vorm van onderdrukking’, ging het hier om een vluchtig, provisorisch soort schrijven dat ‘verstoort, oproept, dreigt en ten slotte vraagt zonder op antwoord te wachten, zonder tot rust te komen in een zekerheid’. Want zekerheid, identiteit, alles wat op de een of andere manier ‘geworteld’ was, diende te worden vermeden.

Bij Blanchot zien we eenzelfde totalitarisme-trauma aan het werk als in het postmodernisme, waar het wordt bestreden door overal het verschil, de differentie, te cultiveren. Geen wonder dat Foucault en Derrida cum suis zo dol op hem waren, temeer daar hij er ook nog een hoogst onorthodox ‘communisme’ op na hield, dat op eindigheid, ontheemding en nomadendom een paradoxale gemeenschap probeerde te grondvesten. De romantische en modernistische literatuur die Blanchot met zoveel origineel vernuft had geanalyseerd, leerde hem dat de mens geen autonoom, maar een verscheurd, van al zijn privileges beroofd subject was en dat literatuur neerkwam op ‘eindeloze bestrijding (contestation infinie), bestrijding van zichzelf en bestrijding van de andere vormen van macht’. Het was zaak aan deze literaire bevindingen en principes ook in de sociale en politieke werkelijkheid gevolg te geven.

Blanchot mocht dan nog zo excentriek en in zichzelf gekeerd zijn, wanneer het erop aankwam gedroeg hij zich als een echte Franse – toen nog per definitie linkse – intellectueel. Totdat er, kort na mei ’68, barsten verschenen in dit voorbeeldige intellectuele imago.

Inquisitoriaal vaarwater

Het begon in 1969 met de publicatie van Jean-Louis Loubet del Bayles studie over de ‘non-conformisten van de jaren dertig’, van wie Maurice Blanchot er één bleek te zijn. [2] Andere nu nog (min of meer) bekende namen zijn: Robert Brasillach en Thierry Maulnier. Het ging om een groep jonge ultrarechtse, extreem nationalistische intellectuelen, ook wel La Jeune Droite geheten, die in de jaren dertig van de vorige eeuw de strijd aanbond tegen democratie, kapitalisme, republiek en pacifisme. ‘Non-conformisten’ werden zij genoemd omdat ze zich bij geen enkele bestaande politieke stroming (liberalisme, communisme, fascisme) aansloten. Hun belangrijkste inspiratie kwam van de reactionaire Action Française, de invloedrijke nationalistische, royalistische en antisemitische organisatie die eind negentiende eeuw tijdens de Dreyfus-affaire was opgericht en die sinds jaar en dag werd geleid door de dichter Charles Maurras. Alleen het herstel van de monarchie kon het land redden, aldus Maurras, die de Franse Revolutie van 1789 aanwees als het begin van alle ellende.

Maar Maurras (geboren in 1868) was oud geworden en had het nodige aan durf en daadkracht ingeboet, terwijl zijn jonge volgelingen nog altijd droomden van een ‘geestelijke’ en ‘nationale’ revolutie. Ook zijn dogmatische classicisme op het gebied van kunst en literatuur beviel hen steeds minder. Zo werden zij ‘dissidenten’ van de Action Française, overigens zonder dat dit hun bewondering voor Maurras serieus in gevaar bracht. In een reeks van tijdschriften, populair onder met name rechtse studenten, brachten zij hun rebelse ideeën naar voren, naarmate de jaren dertig vorderden op steeds fellere polemische toon. Sommigen, zoals Brasillach, bekenden zich ten slotte openlijk tot een Frans fascisme, de anderen zaten daar hoe dan ook dicht tegenaan.

Dat uitgerekend Maurice Blanchot in hun gelederen meestreed, en bepaald niet als de meest gematigde, was in 1969 voor menigeen een onaangename verrassing. Nu werd Blanchot door Loubet del Bayle maar een paar keer genoemd, dus tot veel rumoer kwam het niet. Ruim tien jaar later gebeurde dat wel, toen de Amerikaanse romanist Jeffrey Mehlman een kritisch artikel publiceerde over Blanchots bijdragen in 1936-’37 aan het tijdschrift Combat, in het bijzonder diens aanprijzing van het ‘terrorisme’ als ‘méthode de salut public’. [3] Blanchot had gepleit voor een ‘gewelddadige’ revolutie, want ‘met keurige maatregelen’ kon je een zo ‘verslapt’ volk als het Franse niet vernieuwen; zoiets lukte alleen ‘met bloedige schokken en met een storm die het omver zal werpen teneinde het te doen ontwaken’. Dat loog er niet om, en toen er ook nog een zweem van antisemitisme in zijn teksten bleek te zitten, was de boot helemaal aan.

Het rumoer is inmiddels verstomd, maar niet de aandacht voor Blanchots zo lang onbekende en door hemzelf verzwegen rechtse verleden. Diverse studies en artikelen zijn er sindsdien aan gewijd en daaruit werd al gauw duidelijk dat het niet om een incident ging. [4] Vooral zijn postmoderne bewonderaars zaten ermee in hun maag. Blanchot kwam terecht in het rijtje ‘foute’ geestelijk vaders, naast de ex-nazi Martin Heidegger en de ex-collaborateur Paul de Man. Tegenstanders, die het postmodernisme toch al betichtten van een gevaarlijk irrationalisme dat de principes van rechtsstaat en democratie dreigde te ondermijnen, zagen al hun bezwaren bevestigd door deze compromitterende voorgeschiedenis. [5]

Pogingen om Blanchot vrij te pleiten hadden weinig succes en vuurden nieuwe onderzoekers eerder aan om er een schepje bovenop te doen. Zo fileert Sandrine Sanos in The Aesthetics of Hate. Far-Right Intellectuals, Antisemitism, and Gender in 1930s France (2013) Blanchot rigoureus en conform de laatste academische modes als iemand die het ‘mannelijk subject’ en het ‘sociale lichaam’ van de natie had willen redden met – vooral – antisemitisme, ook al zijn er in diens meer dan 150 artikelen slechts een paar anti-Joodse passages aan te wijzen. Bij sommigen van zijn medeauteurs lag dat anders. Kennelijk was antisemitisme, alomtegenwoordig in Action Française-kringen, nooit een beletsel voor de jonge Blanchot om mee te doen. Toch een beetje gênant, gezien het feit dat de latere Blanchot juist het antisemitisme uitriep tot morele lakmoesproef en in het ‘Jood-zijn’ de symbolische belichaming zag van de door hem gewenste ‘nomadische’ (non-) identiteit. [6] Alsof hij, misschien uit schuldgevoel, het antisemitisme van weleer binnenstebuiten had gekeerd, nu met de Joodse ‘vreemdheid’ als eretitel.

Natuurlijk werd Blanchot tijdens zijn leven om commentaar en uitleg gevraagd. Maar ook daarbij betrachtte hij een uiterste discretie. In de spaarzame teksten die hij aan zijn rechtse verleden heeft gewijd blijven veel vragen onbeantwoord, terwijl de weinige antwoorden vaak bestaan uit hele en halve onwaarheden. Een voorbeeld: toen Mehlman een artikel uit 1942 besprak waarin Maurras wordt geciteerd, reageerde Blanchot per openbare brief met een mea culpa, maar ook met de verzekering dat hij ‘die man’ nooit had benaderd en dat hij altijd ‘op afstand van de Action Française’ was gebleven. Wat hij er niet bij vertelde is dat hij in de jaren dertig enkele uiterst positieve literaire recensies over Maurras’ werk had geschreven en dat een deel van zijn vrienden indertijd wél lid was van de Action Française en/of schreef voor het gelijknamige dagblad van Maurras’ club. Wantrouwige geesten hebben wel gesuggereerd dat die habituele discretie van Blanchot als voornaamste doel had zijn na 1945 onwelkom geworden rechtse verleden in de doofpot te laten verdwijnen.

Het nadeel van te veel wantrouwen is dat je bijna ongemerkt in inquisitoriaal vaarwater terechtkomt. Blanchot wordt achteraf (en postuum) in staat van beschuldiging gesteld, de moraal neemt plaats op de rechterstoel. Maar wat schiet je daarmee op? Blanchot en zijn werk, inclusief zijn vooroorlogse politieke artikelen, zijn veel te interessant om aan de moralisten over te laten. Daarom is het goed dat die – tot nu toe moeilijk te vinden – artikelen eindelijk zijn gebundeld en heruitgegeven in Chroniques politiques des années trente 1931-1940, zodat iedereen een eigen oordeel kan vormen. Helaas bevat het boek niet zijn hele productie van die jaren, want de literaire recensies en beschouwingen die hij daarnaast schreef, heeft men weggelaten. Die houden we dus nog tegoed.

Bloeddorst en weigering

Het heden wordt soms vergeleken met de jaren dertig: ook een tijd van crisis, ‘opkomend fascisme’, vreemdelingenhaat, oorlogsgevaar, etc. Dat alleen al zou een reden kunnen zijn om Blanchots artikelen te lezen. We maken kennis met een – tegenwoordig niet meer als achterhaald of oneigentijds af te doen – ultrarechts standpunt, vertolkt door een intelligente, welbespraakte jongeman, afkomstig uit een welgesteld katholiek milieu en behept met een zwakke gezondheid. Toen hij in 1931 zijn eerste artikel (over Gandhi, niet erg welwillend) publiceerde, was hij nog geen vierentwintig. In Straatsburg had hij filosofie en Duits gestudeerd en hij was er bevriend geraakt met de latere filosoof Emmanuel Levinas, een Joodse immigrant uit Litouwen, via wie hij het werk van Husserl en Heidegger leerde kennen.

In Parijs was Blanchot vervolgens in de journalistiek beland. Hij werd redacteur buitenland van het conservatieve dagblad Journal des débats, waarvoor hij – deels anoniem – talloze redactionele commentaren schreef. Tot mei 1940 zou dit zijn belangrijkste bron van inkomsten zijn. Daarnaast werkte hij mee aan diverse, vaak losjes aan de Action Française gerelateerde tijdschriften en – in 1933 – ook aan de krant Le Rempart van de Frans-Joodse nationalist Paul Lévy, waar hij een wat steviger geluid kon laten horen dan in het bedaagde Journal des débats. In 1936-’37 komt het zwaartepunt te liggen bij zijn medewerking aan het maandblad Combat en aan het meer populair bedoelde weekblad L’insurgé, waarvoor hij wekelijks een politiek én een literair artikel schreef. Al met al een forse productie, die waarschijnlijk nog een stuk omvangrijker uitvalt als je ook alle niet ondertekende (en daardoor moeilijk te identificeren) stukken en commentaren zou meetellen.

Deze gewoonte om stukken anoniem te plaatsen, roept onwillekeurig de vraag op in hoeverre Blanchot als journalist zijn eigen mening vertolkte en in hoeverre die van de krant. Doorgaans vind je bij hem min of meer dezelfde visie, maar met accentverschillen. Net als heel rechts Frankrijk, de Action Française voorop, was Blanchot in politiek opzicht anti-Duits: sinds de Frans-Pruisische oorlog van 1870-’71 gold Duitsland als de erfvijand bij uitstek. Vandaar zijn gefoeter tegen het naïeve geloof van de liberale regering in ontwapening, in de ‘inhumane rechten van de mens’ en in een illusoir ‘internationalisme’, gesymboliseerd door de Volkenbond. Zo verkwanselde men de overwinning van 1918 en werd het op expansie en revanche gerichte ‘germanisme’ in de kaart gespeeld. Na Hitlers machtsovername in januari 1933 betekende dat een acuut gevaar voor Frankrijk. Om de vrede te bewaren was het noodzakelijk onverminderd vast te houden aan het Verdrag van Versailles en elke inbreuk daarop met gepast geweld te beantwoorden. Zonder reële (lees: militaire) macht en de wil die zo nodig te gebruiken stelden rechten en verdragen niks voor. Met de kennis van nu is het niet moeilijk hem grotendeels gelijk te geven.

In Le Rempart trekt Blanchot fel van leer tegen het ‘hitlérisme’ en ook tegen de ‘barbaarse Jodenvervolgingen’, die volgens hem geen enkel ‘politiek doel’ dienen. Dat laatste lijkt een vreemde toevoeging, totdat je je realiseert dat de Action Française (die het Duitse ‘racisme’ veroordeelde) om politieke redenen antisemitisch was. Het is overigens alleen in Le Rempart (met zijn Joodse hoofdredacteur) dat Blanchot zich met zoveel woorden tegen Hitlers aanpak van het ‘Joodse vraagstuk’ keert. Elders waarschuwt hij eveneens tegen het Duitse gevaar, maar als het over Hitler gaat, lijkt er dan bijna een heimelijke jaloezie mee te spelen. Begrijpelijk, aangezien Hitler met elan en succes de nationalistische machtspolitiek bedrijft die hij in het ‘decadente’ Frankrijk zo node mist.

Ook is er in Blanchots houding tegenover Frankrijk een verschuiving waarneembaar, die varieert al naargelang de krant waarvoor hij schrijft. In het conservatieve Journal des débats bijvoorbeeld ontbreekt de roep om revolutie, maar elders lijkt die juist steeds meer nadruk te krijgen. Vooral nadat in mei 1936 een linkse Volksfrontregering aan de macht was gekomen, slaan bij Blanchot en zijn vrienden de stoppen door. Anticommunistisch waren zij altijd al (Blanchot vond dat communisten geen recht hadden tegen Hitler te protesteren, omdat hun geliefde Stalin nog veel erger was), in 1936 hebben zij het idee dat een bolsjewistische staatsgreep in Frankrijk voor de deur staat. En dan, zij het alleen in Combat en L’insurgé, krijgen ook de traditionele conservatieven ervan langs. In de huiskamer leven zij mee met Franco en diens opstand tegen het Spaanse Volksfront, schampert Blanchot, maar iets voor hem doen, ho maar – laat staan dat ze hun handen uit de mouwen steken om in eigen land orde op zaken te stellen. Zelf pleit hij voor actieve militaire steun aan Franco, om niet alle eer aan Hitler te laten. Thuis wil hij liefst zo snel mogelijk bloed zien vloeien.

Om te beginnen het bloed van premier Léon Blum, van wie hij onder meer het ‘vreemde ras’ aan de kaak stelt. Ziedaar een van de zeldzame antisemitisch te duiden oprispingen in Blanchots journalistiek; de andere hebben betrekking op de Joodse emigranten uit Duitsland, die erop uit zouden zijn – net als het Angelsaksische grootkapitaal en de Russische communisten – om Frankrijk in een fatale oorlog tegen Duitsland te storten. Fataal, omdat Frankrijk in Blanchots ogen te zwak was om die oorlog te winnen. Deze overtuiging ging gepaard met een bijna masochistisch hameren op de Franse ‘abjection’, waarbij Blanchot iedereen, zichzelf incluis, aanklaagt als verraderlijke ‘medeplichtige’ van de feminiene, onstrijdlustige ‘métèque’ Blum, die ‘bijna onze substantie heeft veranderd’.

Was er nog redding mogelijk? Dat werd een steeds pijnlijker vraag, want het geroep om revolutie kon niet maskeren dat die revolutie de facto uitbleef. De tragedie van ultrarechts en fascistisch Frankrijk was dat het er maar niet in slaagde een solide massa-aanhang te verwerven. Al helemaal gold dat voor intellectuelen als Blanchot, die met hun withete tirades hooguit een paar duizend gelijkgestemde lezers wisten te bereiken. Met als gevolg, in elk geval bij Blanchot, een zekere moedeloosheid, om niet te zeggen ontgoocheling. Dat suggereert tenminste zijn laatste politieke artikel, in Combat van december 1937, waarin hij pleit voor een ‘dissidentie’ ten opzichte van alle partijen. De ‘weigering’ die hij van meet af aan tegen democratie en republiek had uitgesproken – in 1958 tegen De Gaulle viel hij dus letterlijk in herhaling – strekte zich voortaan uit tot de hele politiek.

Wel bleef hij nog werken voor het Journal des débats, zij het zonder zijn bijdragen te ondertekenen, en voor de nieuwe krant Aux Écoutes van Paul Lévy. Als waarnemend ‘directeur’ liet Blanchot daarin na de nederlaag in juni-juli 1940 een steunbetuiging afdrukken aan de nieuwe regering en haar ‘nationale revolutie’, ook al zou hij later beweren zich vanaf de allereerste dag tegen Pétain te hebben gekeerd.

Dat Blanchot in december 1937 tevens afscheid had genomen van zijn rechtse opvattingen, zoals wel is beweerd, lijkt daarom niet erg aannemelijk. Tijdens de bezetting werkte hij nog een tijdje voor Jeune France, een culturele organisatie van het Vichy-bewind, en hij verzorgde van april 1941 tot augustus 1944 wekelijks een literaire kroniek voor het Journal des débats, dat van datzelfde Vichy-bewind zijn financiële middelen ontving. Toch moet ergens in deze jaren de omslag hebben plaatsgevonden, die hem van een ultrarechtse nationalist uiteindelijk zou veranderen in een onorthodoxe communist. Wat de doorslag heeft gegeven is moeilijk te zeggen. Misschien was het de innige vriendschap (vanaf eind 1940) met de ultralinkse Bataille, misschien de duurzame band met Levinas wiens vrouw en kind hij voor de Duitse bezetter verborg, misschien waren het andere ervaringen tijdens de bezetting. Vast staat wel dat ook de literatuur een belangrijke rol heeft gespeeld.

Rechts en links, dag en nacht

Als schrijver trad Blanchot in 1941 voor het eerst in de openbaarheid, toen zijn roman Thomas l’obscur verscheen. [7] Achter de schermen had hij er naar eigen zeggen al sinds 1932 aan gewerkt. Achteraf, onder andere in Le pas au-delà (1973) en in een openbare brief aan Roger Laporte uit 1984, maakte Blanchot een onderscheid tussen zijn schrijven van ‘de dag’ (zijn journalistieke werk) en zijn schrijven van ‘de nacht’: het ware, het literaire schrijven dat alle zekerheden en vanzelfsprekendheden die hij overdag in zijn artikelen verdedigde langzaam maar zeker zou hebben ondermijnd. [8] ‘Als er van mijn kant een fout was, dan zit die ongetwijfeld in deze tweedeling’, meende Blanchot. Met andere woorden: hij had sneller aan de boodschap van zijn nachtelijke geschrijf gehoor moeten geven. Het klinkt niet onplausibel, al leek hij aanvankelijk meer in tegenovergestelde richting te bewegen, gezien zijn uitdrukkelijke intentie de literatuur in te schakelen voor de nationale revolutie. De kloof tussen politiek en literatuur was bij Blanchot nooit zo groot als hijzelf en anderen het soms hebben voorgesteld.

Dat neemt niet weg dat hij altijd óók het eigen, autonome karakter van de literatuur heeft benadrukt. Van literaire propaganda, met als afschrikwekkend voorbeeld het socialistisch realisme, moest hij niets hebben. Wat zou een autonome literatuur kunnen bijdragen aan de revolutie? In zijn eerste literaire stuk in L’insurgé (januari 1937) noemt Blanchot onder meer de ‘weerstandskracht die de schrijver tegen zijn werk heeft ingezet door de gemakzuchtigheden en vrijheden die hij eraan heeft geweigerd, de instincten die hij heeft overwonnen, de gestrengheid waarmee hij zich eraan heeft onderworpen’. [9] De literaire discipline was als het ware een mentale preparatie voor de totale, aan zelfverloochening grenzende inzet die de revolutie vereiste.

De nadruk op discipline, gestrengheid en beheersing doet denken aan het classicisme van Maurras. Alleen is daarvan in de tekst van Thomas l’obscur niets te bespeuren, evenmin als in de literaire kritieken uit de jaren dertig, voor zover ik ze althans heb kunnen raadplegen. Het is waar dat Blanchot ook in de letteren een diepe ‘crisis’ ontwaart, net als in de rest van de Franse samenleving. Maar de oplossing zoekt hij ditmaal niet bij Maurras; hij klopt aan bij esoterische laatromantici als Lautréamont en Mallarmé en bij complexe modernisten als Virginia Woolf, Thomas Mann en Jean-Paul Sartre (La nausée), die hij warm aanbeveelt in zijn kritieken. Het onconventionele, dubbelzinnige, alles omwoelende schrijven dat hij bij hen aantrof en dat hij met compromisloze inzet ook zelf nastreefde, moet inderdaad, mede dankzij de onderdompeling in het antimetafysische zuurbad van Nietzsche en Heidegger, zijn geloof in de nationalistische zegeningen hebben aangetast. Zeker nadat duidelijk was geworden dat de Franse bevolking er in meerderheid toch geen sympathie voor wenste op te brengen.

Toen het politieke verleden van Blanchot na de oorlog tot de buitenwereld doordrong, vroeg menigeen zich af hoe het mogelijk was dat een voorbeeldige linkse intellectueel als hij er zulke rechtse ideeën op na had kunnen houden. Maar eigenlijk is het een groter raadsel dat uit die revolutionair-conservatieve, van oorsprong katholieke jongeman van goeden huize ooit de volstrekt eigenzinnige, met bijna alle literaire tradities brekende schrijver heeft kunnen ontstaan, die Maurice Blanchot meteen al in zijn eerste roman bleek te zijn. Dat hij van rechts in links veranderde, is op zichzelf minder verwonderlijk. Dat gebeurde vaker, net als het omgekeerde: van links in rechts veranderen kwam en komt misschien nog wel meer voor. Bij Blanchot is hoogstens het duurzame extremisme uitzonderlijk, maar dat ligt vast opnieuw aan de meedogenloze discipline die hij zich als schrijver had opgelegd. Wie al schrijvend zijn hele wezen op het spel zet, zoals Blanchot vond dat het in de literatuur hoorde, neemt geen genoegen met gematigdheid.

Daarbij is het van belang te beseffen dat zowel links als rechts, in gematigde én in extreme vorm, deel uitmaken van onze politieke cultuur. Het fascisme mag dan na 1945 de incarnatie van het Kwaad zijn geworden, het is en blijft een van de mogelijkheden van de westerse moderniteit. En hoort er dus ook bij. Daarom is het onverstandig zich blind te staren op het begrip ‘fascisme’, dat tegenwoordig vooral fungeert als morele fuik om politieke tegenstanders te vangen. Het geval Blanchot, een ultrarechtse nationalist die toch nooit helemaal een echte fascist werd, herinnert er nog eens aan hoe gevarieerd het rechtse politieke landschap er in werkelijkheid uitziet, net als trouwens het linkse politieke landschap. Beide zijn onderdeel van een cultuur met zowel een romantische als een verlichte traditie. De linkse Blanchot zou je verlicht kunnen noemen, de rechtse romantisch, ware het niet dat hij tegelijk demonstreert hoezeer de twee tradities in één en dezelfde persoon door elkaar kunnen lopen. Wie iets van onze moderne wereld wil begrijpen, doet er goed aan deze even verwarrende als fundamentele verdeeldheid niet over het hoofd te zien.

noten

[1] ‘Le refus’ verscheen in het tijdschrift Le 14 Juillet (nr. 2, 25 oktober 1958); het werd herdrukt in L’amitié (1971) en in de postume bundeling van al Blanchots naoorlogse politieke teksten: Écrits politiques, 1953-1993 (2008), samengesteld door Éric Hoppenot.

[2] J.-L. Loubet del Bayle. Les non-conformistes des années 30. Une tentative de renouvellement de la pensée politique française (1969).

[3] ‘Blanchot à Combat: littérature et terreur’, opgenomen in Mehlman. Legs de l’antisémitisme en France (1984).

[4] Zie o.a. Steven Ungar, Scandal and Aftereffect. Blanchot and France since 1930 (1995); Philippe Mesnard, Maurice Blanchot, le sujet de l’engagement (1996); Christophe Bident, Maurice Blanchot partenaire invisible. Essai biographique (1998); het speciale nummer van Lignes (nr. 43, maart 2014) over Les politiques de Maurice Blanchot 1930-1993 en Michel Surya, L’autre Blanchot. L’écriture de jour, l’écriture de nuit (2015). Blanchots rechtse verleden komt ook aan bod in Nicolas Kessler, Histoire politique de la Jeune Droite (1929-1942). Une révolution conservatrice à la française (2001) en Paul Mazgaj; Imagining Fascism. The Cultural Politics of the French Young Right, 1930-1945 (2007).

[5] Zie bv. Richard Wolin, The Seduction of Unreason. The Intellectual Romance with Fascism from Nietzsche to Postmodernism (2004), in het bijzonder hoofdstuk 5: ‘Maurice Blanchot: the use and abuse of silence’.

[6] Zie het essay ‘Être juif’ in L’entretien infini (1969).

[7] De Nederlandse vertaling Thomas de duistere (door P.I. Huigsloot en J.J. Oskamp) van de herschreven en drastisch ingekorte versie uit 1950 verscheen in 1996 bij uitgeverij Hölderlin.

[8] De brief aan Laporte staat in Jean-Luc Nancy, Maurice Blanchot. Passion politique (2011).

[9] ‘De la révolution à la littérature’ (L’insurgé, nr 1, 13 januari 1937), met enkele andere vroege kritieken herdrukt in het aan Blanchot gewijde Cahier de l’Herne (2014). Ook zijn er drie vooroorlogse kritieken (w.o. die over Virginia Woolfs roman The Waves) opgenomen in Blanchots eerste essaybundel Faux pas (1943).