De ondergang van het Avondland die niet doorging


De tijdgeest is als een nat zeepje: als je hem te pakken denkt te hebben is hij je alweer ontglipt. Het heeft geen zin hem vast te willen pinnen; vaak is hij niet veel meer dan een projectie van het eigen pessimisme of optimisme. Toch verkopen de meeste tijdgeestprofeten, tegenwoordig bijna zonder uitzondering onheilsprofeten, hun sentiment graag als harde, onontkoombare werkelijkheid, en genieten van de vrees die ze daarmee inboezemen. Het kan ook anders, laat Dick Pels zien.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#4

But the times they are a-changin’, en zeker in dat ongrijpbare ‘Europa’, dat zovelen al verleidde tot een intellectueel zeepballet. In de huidige turbulentie is elk boek over Europa bij verschijnen al achterhaald. Zo kijken we inmiddels aan tegen een hele stapel geschriften die met modieus-apocalyptische titels over het ‘einde’ of de ‘dood’ van Europa net achter de tijdgeest aan lijken te hobbelen. Tegen nationalisten die beweren: ‘De Europese Unie is dood, maar ze weet het nog niet’ kunnen we vandaag hoopvol zeggen: ‘De Europese Unie leeft weer, hoewel ze dat nog niet zeker weet’.

Boektitels zijn opportunistische, marktgevoelige slogans (leugentjes dus) die de inhoud vaak slechts half dekken. Dat geldt bijvoorbeeld voor After Europe van de eigenzinnige Bulgaarse publicist Ivan Krastev, een van de weinige Oost-Europese politieke intellectuelen die een pan-Europees publiek heeft weten te bereiken. De ineenstorting van de Sovjet-Unie, het beslissende historische moment voor een Bulgaar van zijn generatie, bezorgt hem een ongemakkelijk déjà vu. Brexit en de verkiezing van Donald Trump voorspellen weinig goeds voor het overleven van Europa. Hij vreest dat de Unie in het cruciale verkiezingsjaar 2017 verder zal desintegreren, dat Griekenland de eurozone zal verlaten en/of dat nieuwe terroristische aanslagen de Unie naar de rand van de afgrond zullen brengen.

Dat kan natuurlijk allemaal gebeuren, maar erg waarschijnlijk is het (ook volgens Krastev) niet. De grote vrees voor een onstuitbare opkomst van het nationaal-populisme is met de Nederlandse en vooral de Franse verkiezingsuitslagen enigszins gesust. De Unie blijkt op de een of andere manier te overleven, ondanks de perfect storm van de eurocrisis, de vluchtelingen- en migratiecrisis en de veiligheidscrisis rond Oekraïne, is en het islamistisch terrorisme.

Juist de onverwachte stembuszege van het populisme in Engeland en de VS bleek het begin te zijn van een pijnlijke ontmaskering. Als de politieke chaos van Brexit en de gevaarlijke incompetentie van Trump ons voorland is, denken velen nu, dan maar liever doormodderen met Europa. Of beter nog: een beetje trotser zijn op de Europese beschaving (of wat ervan over is) en Europa verbeteren. ‘Het volk’ blijkt zich andermaal te kunnen vergissen: het kan zich laten misleiden door zelfbenoemde woordvoerders die alles ‘volk’ noemen wat hun mening deelt en ‘elite’ wat hen niet aanstaat, en die de eigen elitaire hoogmoed ‘democratisch’ legitimeren via de gevaarlijke mythe van de volkssoevereiniteit. Brexit en Trump zijn dramatische vergissingen, die het populisme nogal zijn glans hebben doen verliezen.

Vanuit de VS

Ook de Amerikaanse neoconservatieve journalist James Kirchick profeteert in Het einde van Europa de komst van donkere tijden. Een opeenstapeling van crises bedreigt de EU in haar bestaan, en de Europese ideeën over vrede, vrijheid, multiculturele harmonie en humanisme blijken naïeve dagdromen te zijn. Wat eens onomkeerbaar leek, een ever closer union, blijkt nu een voorbijgaande historische fase. De EU van vandaag ‘valt uit elkaar en daalt langzaam maar zeker af op het eens ondenkbare pad dat naar oorlog leidt’. Na Brexit ‘kunnen we verwachten dat andere Atlantisch gerichte handelsnaties als Nederland, Denemarken en misschien zelfs Zweden het Verenigd Koninkrijk achternagaan, met als gevolg het uiteenvallen van de Unie zelf’.

Het is wel erg alarmistisch allemaal, al schat Kirchick met name de Russische situatie wel op waarde als hij de ‘autoritaire maffiastaat’ Rusland, onder leiding van een ‘antiliberale kleptocraat’ die revanche wil nemen voor 1989, beschouwt als een grote bedreiging voor het pacifistische Europa dat – met de Duitse oorlogsschuld- cultuur voorop – te toegeeflijk is tegenover Russische agressie en subversie. Maar hij schiet prompt door in een rabiaat antilinks sentiment wanneer hij de Duitse SPD in het spoor van de ‘politieke prostitué’ Gerhard Schröder aanmerkt als ‘een van de zwakste schakels in de verdediging van Europa’.

Over de Britse socialisten is Kirchick (die nogal betrokken is bij Israël) ronduit hysterisch: Corbyn is een ‘spook uit het verleden’, ‘volkomen onbekwaam’, zelfs een ‘sinistere guur’ die het podium heeft gedeeld met islam-extremisten. Door zijn demonisering van de Joodse staat is Labour-links tegenwoordig ‘het invloedrijkste antisemitische instituut in de westerse wereld’. Met zijn ‘hopeloos linkse programma’ is Corbyn de tijdgeest (daar hebben we het zeepje weer, zie de recente verkiezingsuitslag in Groot-Brittannië) volkomen kwijt.

Degenen die, zoals Kirchick, de tijdgeest onkritisch vereenzelvigen met het neoliberalisme zullen ook de Griekse crisis met grote oogkleppen op beschrijven. Een van de kloven die de EU splijt is volgens hem die tussen de ‘budgettair voorzichtige’ naties van het Noorden en de ‘meer spilzuchtige’ economieën van het Zuiden. De Grieken worden consistent neergezet als lichtzinnige profiteurs en wanbetalers, die bij herhaling hebben geweigerd om zich te houden aan de redelijke verplichtingen van de muntunie.

Net als in het geval van Labour wordt het verzet van Syriza tegen de neoliberale Trojka afgedaan als een onverantwoordelijke links-populistische hobby die het land willens en wetens in het economisch moeras heeft geduwd. De ineenstorting van Griekenland is niet te wijten aan de Europese bezuinigingspolitiek maar aan het Griekse ‘onvermogen om de modernisering te omarmen’. De zuidelijke landen zijn vooral het slachtoffer van hun eigen slechte politiek en begrotingsbeleid: zij moeten leren ‘concurreren zoals het betaamt’ en ‘serieuze’ economische hervormingen doorvoeren zoals de liberalisering van de arbeidsmarkt en het verlagen van de belastingen.

Vanuit Griekenland

Het contrast kan haast niet groter zijn met het zinderende relaas van Yanis Varoufakis, die van januari tot juli 2015 als Griekse minister van Financiën vergeefs met de Trojka om de tafel zat. In een pageturner van 500 bladzijden, half autobiogra e-half politieke lippica, geeft hij in erudiet Engels in rake metaforen zijn kijk op wat hij zelf karakteriseert als een tragedie Aeschylus of Shakespeare niet onwaardig. Machtige figuren als Wolfgang Schaüble, Mario Draghi, Christine Lagarde en Jeroen Dijsselbloem maken zonder het te beseffen deel uit van een fatale samenzwering die ze gevangenhoudt in ideologische ‘verblinding’ en angst voor politiek eerverlies.

De EU en het IMF beseften heel goed dat hun bezuinigingsprogramma onzinnig was, maar hadden er zoveel politiek kapitaal in geïnvesteerd dat ze niet meer terug konden. Het was iedereen duidelijk dat het verder afknijpen van de bankroete Griekse economie nooit zou kunnen resulteren in de groei die nodig was om de torenhoge staatsschuld af te betalen. Daarmee schoten de schuldeisers zich welbewust in de eigen voet: de ene extend-and-pretend-lening volgde op de andere, om het falen van de vorige te kunnen toedekken. Griekenland werd willens en wetens opgesloten in een schuldengevangenis, als strafexpeditie om andere ‘spilzieke’ landen af te schrikken en linkse politieke bewegingen en partijen een halt toe te roepen.

Als academisch econoom met een links hart kan Varoufakis het niet verkroppen dat logica, argumenten en statistieken er niet langer toe doen en dat de irrationale hypocrisie van de Trojka geheel in dienst staat van het redden van falende banken (vooral Duitse en Franse) op kosten van de Europese belastingbetaler. Ontluisterend zijn de letterlijke verslagen van slopende crisisvergaderingen van de Eurogroep, die vooral een afrekening zijn met voorzitter
Jeroen Dijsselbloem als het laffe en manipulatieve schoothondje van Schaüble. Varoufakis poseert daarbij zelf steeds als een constructief en redelijk man, die bij zijn tegenstanders niets dan doofheid, agressie en absolutisme ontmoet. Hij lijkt altijd gelijk te hebben, en ook al heeft hij dat (zoals wordt bewezen door het recente IMF-rapport waarin de Griekse staatsschuld onhoudbaar wordt genoemd), die superieure houding gaat op den duur toch een beetje irriteren.

Zo overdrijft Varoufakis schromelijk als hij suggereert dat het autoritaire en incompetente optreden van de Europese deep establishment bij het smoren van de ‘Griekse Lente’ zo ongeveer de oorzaak is geweest van de opmars van het populisme in Europa en de volksopstanden van de Brexiteers en Trump. Daarmee wordt de Griekse crisis uitgeroepen tot de moeder van alle crises en Griekenland als exemplarisch slachtoffer (waarbij Varoufakis natuurlijk precies op tijd verschijnt als tragische superheld en redder in nood). Maar er is in Europa wel wat meer aan de hand dan een niet meer zo acute maar onopgelost dooretterende eurocrisis. Zowel de vluchtelingencrisis als de dreiging van islamistisch terrorisme staan op dit ogenblik hoger op de agenda. En de niet meer zo acute maar nog steeds aanwezige populistische dreiging wordt op het moment eerder gevoed door de onopgeloste migratie- en integratiecrisis dan door de perikelen van de muntunie.

Migratierevolutie

Een van de originele gedachten in het boek van Krastev is inderdaad dat de vluchtelingencrisis de meest ingrijpende van alle is, omdat zij het hele politieke, economische en sociale model van Europa op de helling zet. Migratie is de nieuwe revolutie: niet de collectivistische revolutie van een klasse die zich richt op structurele verandering, maar een individualistische, exit-gedreven revolutie van individuen en gezinnen. Zij belichaamt geen ideologie maar een ‘dictatuur van de globale vergelijking’: onze foto’s van het goede leven bereiken ook onze medemensen buiten fort Europa.

Verandering staat voor een groeiend aantal mensen gelijk aan het veranderen van land, niet van de regering van het land. De beste voorspeller van iemands welzijn en inkomen is immers niet opleiding of de status van je ouders, maar de plaats waar je geboren bent. De beste strategie om vooruit te komen in de wereld is dan ook om ervoor te zorgen dat je kinderen worden geboren in Duitsland, Zweden of Denemarken. Die loterij van het geboorterecht weerspreekt en ondermijnt de belangrijkste meritocratische belofte van de liberale politiek en zet deze te kijk als hypocriet.

De migratierevolutie heeft in Europa zelf een contrarevolutie opgeroepen van zich bedreigd voelende meerderheden en hun populistische woordvoerders, die de democratie zijn gaan gebruiken als een instrument van uitsluiting in plaats van insluiting. De democratie ondersteunt steeds vaker de vooroordelen van de meerderheid in plaats van de emancipatie van minderheden. Dat is volgens Krastev vooral te wijten aan het onvermogen van het liberale establishment om de problematische gevolgen van de migratie te adresseren. De door populisten aangewakkerde angst voor een ‘invasie van barbaren’ schept een morele paniek die de waarden van tolerantie, gematigdheid en solidariteit onder druk zet en het nationalisme voedt. Het risico is dat de democratie, en dan vooral de valse meerderheidsdemocratie die wordt uitgespeeld via referenda, het Europese project verlamt en zelfs vernietigt.

Ook Kirchick wijst erop dat de aard van de migratie (vooral van jonge, laagopgeleide, ongebonden en gefrustreerde mannen) enorme culturele uitdagingen stelt aan liberale Europese samenlevingen. Zij zijn vaak afkomstig uit culturen die ‘totaal afwijken van de gangbare Europese ideeën’, met name die over seksegelijkheid. Openlijke intimidatie en seksueel geweld tegen vrouwen, die ‘specifiek Arabische pathologie’, worden naar de straten van Europa geïmporteerd. De ‘welkomstcultuur’ is naïef als zij deze realiteit blijft bagatelliseren en ontkennen, bijvoorbeeld door te beweren dat moslims net zo goed integreren als elke andere groep, en alle kritiek af te doen als racistisch en xenofoob. Kirchick hekelt ‘de Europese morele onverschilligheid, culturele zelfontkenning en regelrechte lafheid ten opzichte van de kwestie van de islam’ en wil meer ruimte scheppen voor een gezond nationalisme of patriottisme.

Op zichzelf is er niets mis met de gedachte van een Europees patriottisme of een Europese Leitkultur die trots is op beschavingswaarden als vrijheid, gelijkheid, individuele waardigheid, tolerantie en matiging, en die van migranten vraagt om deze te omarmen en in praktijk te brengen. Ook is realisme geboden over de hardnekkige problemen van de integratie van minderheden met een moslimachtergrond, die vergeleken met anderen een scherper waardenconflict meebrengen dat soms drie tot vier generaties kost om te worden overbrugd. Maar laten we niet vergeten dat die Europese Leitkultur ook in Europa zelf nog lang niet leidend is, en dat de morele superioriteit ervan juist schuilt in het praktiseren van deugden als bescheidenheid en gematigdheid. Zij ondergraaft zo niet alleen de claims van superioriteit en soevereiniteit van culturele minderheden, maar ook die van de meerderheid.

Die strijdbare en ongemakkelijke tolerantie is iets anders dan de ‘ontspannen wederkerigheid’ en het ‘liefdevol meebewegen’ die de Belgische filosoof Joost van der Net aanbeveelt in zijn oproep Aan de Europese natie. Zijn visioen behelst dat alle Europeanen in de nabije toekomst ‘zullen opbloeien als mensen die in hun spel onbekommerd en vrij met elkaar verkeren en zich graag nuttig maken door liefdevol voor hun naasten te zorgen’. Die droom van (volgens hem vooral) christelijke naastenliefde moet de Amerikaanse droom van ‘steeds meer, steeds beter’ vervangen. Tegen de eenzijdige ‘werkwoede’ moeten we de kunst van een leven in leisure leren beoefenen, en tegen de ruwheid en grofheid brengen we de kunst der wellevendheid in stelling. Het is jammer dat dit op zichzelf sympathieke pleidooi wordt ingepakt in allerlei historische uitweidingen die de auteur afhouden van enige bemoeienis met praktische maat- regelen – zoals de utopische, maar niet ondenkbare invoering van een Europabreed basisinkomen.

Het wurgijzer van de ever closer union

Zogenaamde ‘realisten’ als Kirchick en Krastev zullen deze blijde boodschap eerder zien als een zoveelste teken van de naïviteit van het pacifistische Europa en van de multiculturele vroomheid van haar elite. Ook de Duitse publicist en uitgever Thomas Schmid heeft in Europa ist tot, es lebe Europa! niet veel op met dit soort vage vergezichten. Doormodderen is volgens hem niet de slechtste kunst die de Unie verstaat. Als zij vernieuwd en versterkt tevoorschijn wil komen uit de vele plagen die haar teisteren, moet zij zich niet laten verlaten op een binaire keuze tussen renationalisatie of meer Europa. Maar het ergste van de twee kwaden vindt Schmid wel het Weiter-so van de fanatieke beroepseuropeanen. Het ‘wurgijzer van de ever closer union’ is in zijn ogen de weeffout in de Europese eenwording en de oorzaak van de nationalistische opleving. Het Europese project heeft juist behoefte aan meer bescheidenheid en flexibiliteit, dus aan lossere bindingen en verschillende snelheden.

De dure noodzaak van een gemeenschappelijke buitenlandse politiek, een gemeenschappelijke vluchtelingenpolitiek en een gecoördineerde strijd tegen het terrorisme eisen meer politieke eenwording, maar die kan volgens Schmid heel goed worden gerealiseerd in de vorm van ‘statelijkheid zonder staat’. Juist de traditie van deling en spreiding van machten verklaart de kracht en het succes van Europa: een principe van ‘onvolledige macht’ dat zich verzet tegen alle vormen van absolutisme en soevereiniteitsgeloof. De EU is een eigenaardig construct waarin nationale en supranationale instituties op half coöperatieve, half conflicterende wijze met elkaar zijn versleuteld. Zij is geen persoon of familie, zelfs geen staat. Men hoeft niet van haar te houden. Federaties zijn bevroren compromissen, zonder programma of formule, en nodigen dan ook niet uit tot identificatie.

Die nuchterheid is me toch te karig: te weinig ideëel en offensief. Waarom kan, anders dan Schmid denkt, Europa niet het beloofde land van de vrede, de matiging en de rechtvaardigheid zijn – wat het voor vele migranten is? Wat is er eigenlijk mis met Europatriottisme of met het ideaal van de Verenigde Staten van Europa? Een ‘wellevend’ Europa volgens de christelijke droom van Van der Net is misschien te hoog gegrepen, maar het is in elk geval verfrissend om hem te zien pleiten voor een utopische vervolmaking van ‘onze’ Europese natie: ‘Een heerlijke nieuwe wereld lijkt te wenken van “pluk de dag”.’ Laat dit carpe diem nou net de slogan zijn van Varoufakis’ even ambitieuze, maar veel praktischer gerichte beweging DIEM25! (Het is niet onmogelijk dat zijn motto ook een sarcastische verwijzing inhoudt naar het moralistische verwijt van ‘zuidelijke’ luiheid zoals dat spookte in de achterhoofden van Schaüble en Dijsselbloem.)

Varoufakis wil DIEM25 een utopische beweging laten zijn die een politiek van ‘constructieve ongehoorzaamheid’ volgt in Europa. Terwijl ze zich afzet tegen de autoritaire, neoliberale en antidemocratische tendensen in de Unie, blijft DIEM25 ‘binnen de muren’ van de politiek om haar te veranderen en te verbeteren, want alleen op die manier kan het uiteenvallen van Europa worden verijdeld. Zo doet Varoufakis zijn best om de tijdgeest naar zijn (linker)hand te zetten. Er zit wel degelijk leven in Europa, de ondergang van het Avondland laat nog wel even op zich wachten.