Mens en klimaat: is er nog hoop?


Darwin liet zien dat de mens niet de bekroning van de natuur is, maar slechts een toevallige twijg aan de boom van het leven. Die kleine loot is na tienduizend jaar uitgegroeid tot een organisme dat de hele planeet heeft gekoloniseerd en het globale ecosysteem overwoekert. Kan de mensheid de toekomst aan of gaan we de dinosaurussen achterna? Door Geerdt Magiels.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#4

 


ien jaar geleden beschreef Alan Weisman, in zijn vrolijke maar verontrustende De wereld zonder ons, wat er zou gebeuren als de mens van de ene dag op de andere van de aardbol zou verdwijnen. Het lijkt voer voor post-apocalyptische science fiction, maar ongewild hebben we nu al mensloze stukken natuur gecreëerd. De gevolgen daarvan zijn goed gekend, zoals in de gedemilitariseerde zone tussen de twee Korea’s, de demarcatiezone op Cyprus of het gebied rondom Tsjernobyl: overal waar de mens zich terugtrekt, gaat de natuur onverstoorbaar verder. Als dat wereldwijd zou gebeuren, zouden de manifestaties van onze superieure beschaving verrassend snel verbrokkelen en vergaan. Het enige wat langer standhoudt dan de mens en zijn cultuur zijn kunststoffen, radioactiviteit, zware metalen en enkele chemische moleculen. Ook bronzen beelden, keramische kunstvoorwerpen en badkamertegels vergaan niet of nauwelijks. Wat het langst blijft doorzingen zijn de radiogolven die we uitzenden. ‘Message in a bottle’ blijft voor eeuwig door de ruimte trekken.

Het laat de natuur volkomen koud als de soort homo sapiens zou verdwijnen. Alle natuurbescherming, milieubewustzijn of klimaatactivisme gaan dus niet om het behoud van de aarde of de natuur, maar om dat van de mensheid. Wij mensen willen zo graag overleven en dat is wat ons drijft. De strijd om het leefmilieu, om onze gezondheid, om het voortbestaan van al dan niet zeldzame diersoorten (die zelf geen auw idee hebben dat ze uitsterven en daarmee de duizenden soorten volgen die al verdwenen zijn) of om schoon drinkwater en schone lucht, is een strijd tussen mensen onderling, een machtsconflict tussen hen die zich willen ontplooien binnen het enige beschikbare ecosysteem, waarvan we steeds urgenter beginnen te beseffen dat het een gelimiteerde draagkracht heeft. Het is geen strijd tegen of voor de natuur, maar een strijd binnen de natuur. De economie, het spel dat mensen spelen met grondstoffen, energie en de marktwaarde die we daaraan verbinden, is slechts één van de kringlopen binnen de vele, met elkaar verweven kringlopen van het ecosysteem van de aarde. Dat ecologische inzicht is misschien nog niet doorgedrongen tot in de economische hoofdzetels van de nationale banken, maar is wel een bekommernis van velen. Het klimaatakkoord van Parijs toont, met of zonder Amerika, dat mensen over de grenzen van landen en culturen heen wel degelijk het inzicht zouden kunnen delen dat de toekomst van onze soort een gezamenlijk gedeelde zorg en verantwoordelijkheid is.

De diepe tijd

En toch hebben we niet alles zelf in de hand. Ook de aarde zelf bepaalt het lot van haar menselijke bewoners, onder andere door fluctuaties van het zeeniveau. Geoloog Salomon Kroonenberg vertelt dat verhaal in zijn boek Spiegelzee. De zeespiegel is van ijstijd naar ijstijd gestegen en gedaald op de maat van kosmische ritmen, gestuurd door het onregelmatige traject van de aarde om de zon, waarbij de planeet ook nog eens om haar eigen as wiebelt. De gemiddelde temperatuur van onze planeet neemt daardoor toe en dan weer af. De ijsmassa’s aan de polen en de gletsjers in de bergen krimpen en groeien op het ritme van de kosmische bewegingen van de planeet, en de zeespiegel stijgt en daalt mee.

Honderdtwintigduizend jaar geleden, in het eemien (uitspreken op zijn Frans), leefden de neanderthalers in onze streken in een mediterraan klimaat, de zeespiegel stond zes meter hoger dan nu. De ijskappen van de voorgaande ijstijd waren net gesmolten. Daardoor kwam een grote hoeveelheid water vrij die de vlakte van Dogger deed vollopen en de plas water vormde die we nu de Noordzee noemen. De bewoners van Doggerland hadden de zee zien opkomen en moesten uiteindelijk de laatste hoogte (nu de Doggerbank) verlaten. Kroonenberg beschrijft deze en andere klimaatwisselingen die de geschiedenis van de mensheid mede vorm hebben gegeven. Overal vindt hij de resten van beschavingen die met een verschuivende kustlijn mee verhuisden. Op diverse plekken op de wereld loopt hij langs deze restanten van een ver verleden. In de (zee)spiegel die hij ons voorhoudt, zie je de nietigheid van de mens.

Maar de mens houdt zich groot. Klimaatverandering doet een beroep op de flexibiliteit en de creativiteit van onze soort. Philipp Blom laat in De opstand van de natuur zien hoe de kleine ijstijd in de zestiende en zeventiende eeuw de katalysator was voor diepgaande maatschappelijke en culturele veranderingen. Toen had men reden om te klagen over het weer. De gemiddelde temperatuur nam met twee tot vier graden af waardoor oogsten mislukten, en honger en ziekte leidden tot broodopstanden. De machthebbers onderdrukten die met geweld, maar zonder succes, want de sociale turbulentie verstoorde de gevestigde verhoudingen. Het waren de ‘nieuwe tijden’ waarin het oude feodale stelsel, adel en kerk, uitgedaagd werd door een nieuwe klasse van handelaren, ambtenaren en geleerden. De kiem werd gezaaid voor de wetenschappelijke methode en een liberaal verlichtingsdenken. Maar die Verlichting sloot ook perverse compromissen. Terwijl de universele mensenrechten werden geproclameerd, werden mensen en hulpbronnen uitgebuit, ver weg van het door de vorst getroffen Europa. Vrijheid hier werd gevoed door onvrijheid elders.

Klimaatverandering is dus niet alleen een hedendaags schrikbeeld, de mensheid moet zich er al haar hele bestaan toe zien te verhouden. Kroonenberg wordt er weleens van beschuldigd een ‘klimaatrelativist’ te zijn. Strikt genomen ontkent noch relativeert hij echter de veranderingen in het klimaat, dus zou hij evengoed ‘klimaatrealist’ genoemd kunnen worden. Hij pleit voor meer praktisch onderzoek en voor wetenschappelijk onderbouwde methoden en technieken om deze aarde leefbaar te houden. Het meeste van wat daarvoor nodig is, zoals verstandig omspringen met grondstoffen, lucht, bodem, water en energie, is overigens al meer dan een halve eeuw bekend en is even urgent met of zonder klimaatverandering.

De weg naar beterschap

De menselijke soort is een dominante speler geworden in het globale ecosysteem. De ecologie is een jonge wetenschap die ons wijst op de neveneffecten van dit menselijke succes en op de grenzen aan de draagkracht van het systeem. Het wijst ons erop dat we slechts de volgende episode zijn in een lange geschiedenis die niemand ooit echt stuurde. Wel kunnen we vaststellen, zoals Johan Norberg doet in zijn Vooruitgang, dat we het nog zo slecht niet gedaan hebben. Hij gaat daarmee in tegen de intuïtie van wie denkt dat het almaar slechter gaat met de wereld. De Zweedse statisticus Hans Rosling (1948-2017) toonde het ook al aan: de helft van wie men het vraagt, denkt dat het armoedeniveau in de wereld gedurende de laatste dertig jaar is toegenomen. Slechts tien procent weet dat het percentage armen is afgenomen. (Om precies te zijn: het is gehalveerd.) Pessimisten kunnen ondertussen met evenveel recht wijzen op het feit dat het absolute aantal mensen in armoede is toegenomen samen met de groeiende wereldbevolking.

Norberg is econoom en historicus en levert een indrukwekkend overzicht van de positieve verwezenlijkingen van de mensheid van de laatste tweehonderd jaar. In het Zweden van honderdvijftig jaar geleden was de levensverwachting lager en de kindersterfte hoger dan in het Afrika ten zuiden van de Sahara van nu. De gemiddelde wereldburger leeft langer en gezonder, met meer comfort en toegang tot kennis en techniek dan ooit tevoren, terwijl de wereldbevolking sinds 1800 meer dan verzevenvoudigde. Beter onderwijs, voor iedereen, ook voor vrouwen, leidt tot mensen met meer kennis, minder kinderen en langere levens. Zodra het opleidings- en inkomensniveau van vrouwen stijgt, daalt het aantal kinderen dat zij baren, ook in arme en overbevolkte landen als Bangladesh.

Ook tolerantie neemt toe, terwijl geweld afneemt. Niet alleen vrouwen, kinderen en lgbt’s krijgen op steeds meer plaatsen rechten, zelfs dieren, bomen en landschappen kunnen worden beschermd. De koppen in het nieuws bieden een selectie uit de rampen en wantoestanden die er nog steeds zijn, maar vertekenen ons perspectief. Goed nieuws mag nu eenmaal geen nieuws heten. Dat verklaart wellicht deels het wantrouwen over en de weerstand tegen de bezorgers van optimistische vooruitgangsberichten.

Norberg vergeet in zijn statistisch enthousiasme de groeiende ongelijkheid te behandelen, net als de dreiging van een atomair conflict en niet-aflatende wildgroei van bijgeloof en pseudowetenschap. Er is veel ten goede gekeerd, toch is er nog meer dan genoeg reden tot bedachtzaamheid en kritiek dan Norberg in zijn ongebreidelde optimisme laat zien. Maar zijn boodschap is duidelijk: ons meest waardevolle instrument is ons koele verstand. Onderzoek en ontwikkeling hebben ons gebracht tot waar we nu zijn en zal ons ook in de toekomst van dienst zijn. Norberg en andere vooruitgangsoptimisten denken en hopen dat meer economische groei gecombineerd met goed beleid de armoede zal doen afnemen en het algemene welzijn toenemen, wat de beste basis zou vormen voor een duurzame samenleving.

Ecologie of ideologie

Norberg is een van de schrijvers en ondertekenaars van het ‘Ecomodernistisch Manifest’ dat als bijlage te vinden is in het boek Ecomodernisme, dat zeven Nederlandse en Vlaamse journalisten schreven. Net als milieubeschermers en duurzaamheidsactivisten zijn zij voor meer natuur en een gezonde leefomgeving voor iedereen.
Maar ze zetten zich af tegen de klassieke groene beweging die naar hun idee ten onrechte afkerig staat tegenover technologie en innovatie. De meest radicale Groenen zien geen heil in technologische oplossingen: hoe zouden we de huidige milieuproblemen kunnen oplossen met dezelfde middelen die die problemen in het leven hebben geroepen? De ecomodernisten daarentegen hebben het volste vertrouwen in onze inventiviteit om oplossingen te bedenken. Ze zijn verontwaardigd dat bepaalde potentiële oplossingen, zoals kernenergie en gentechnologie, als politiek incorrect worden weggezet, terwijl de groei van de wereldbevolking en het verlies aan biodiversiteit als onafwendbare doemscenario’s kritiekloos worden aanvaard. Ze trappen tegen nogal wat heilige groene huisjes en dat is in vele gevallen terecht. Als duurzaamheid een dogma wordt zonder een duidelijk begrip over wat dat woord precies inhoudt, loop je het risico dat toekomststrategieën niet op de inherent onzekere realiteit maar op wensdenken gebaseerd worden.

De auteurs verliezen zich echter in hun dwarsigheid en door hun tegendraadse formuleringen kleuren ze hun betoog op een manier die bij velen irritatie zal opwekken. In hun optimistisch pragmatisme lijken ze de complexiteit van de problematiek op wereldschaal uit het oog te verliezen. Westerse politieke en economische bemoeienis is bijvoorbeeld veel meer oorzaak van armoede en bodemuitputting in Afrika en Azië dan klimaatverandering. Maar (globale) marktmechanismen en politieke machtsstructuren liggen voorlopig buiten het aandachtsgebied van de ecomodernisten, hetgeen hun visie wat wereldvreemd maakt.

De maakbare planeet

Toch is dat het anders moet, beter kan, ondertussen wel duidelijk. De vraag is hoe. Tegen de achtergrond van catastrofedenkers en utopiabouwers schetst Oliver Morton een plausibel beeld van de toekomst van onze planeet en hoe de mens die veilig zou kunnen stellen.

Het klimaat verandert en daarbij stellen zij zich twee vragen: zijn de risico’s op een catastrofale klimaatverandering groot genoeg om ingrijpende acties te verantwoorden? En is het heel moeilijk om onze co2 uitstoot tot nul terug te brengen? Morton antwoordt tweemaal ‘ja’. Hij presenteert daarbij een fascinerend beeld van de aarde als één groot ecosysteem waarin geologie, dampkring, leven en zon nauw met elkaar samenhangen. Hij begrijpt het leven als een afgeleide van zonne-energie en vraagt zich af hoeveel energie van de zon er zo beschouwd door het systeem aarde circuleert. Met deze kwantitatieve benadering maakt hij inzichtelijk dat het klimaat-energieprobleem helemaal niet zo onoverkomelijk hoeft te zijn als het lijkt.

Neem de Niagara-waterval. Verhoog deze twintigmaal. Het water valt nu een kilometer diep. Verhoog het debiet met tien. Dat is driehonderd ton water per seconde over elke meter. Verbreed dan de waterval tot ze de hele evenaar omspant: veertigduizend kilometer vallend water, goed voor honderdtwintigduizend terawatt. Dat is de enormiteit van de stroom van zonne-energie die de wereld waarin wij leven draaiende houdt. De menselijk economie, met al haar energiecentrales, motoren, machines, fabrieken, turbines en fornuizen, is goed voor slechts vijftien terawatt, een stukje van slechts vijf kilometer in de wereldomspannende waterval, een héél klein onderdeel van een gigantisch proces. Het oppervlak van de aarde reflecteert een deel van de energie van de zon en zorgt voor de convectiestromen van de lucht, met wind als gevolg; ook windenergie is in wezen zonne-energie. Een ander deel van die warmte doet water verdampen. Elke seconde stijgt achttien miljard ton waterdamp de lucht in, dat op grotere hoogte condenseert tot druppels waarbij de energie die nodig was om te kunnen verdampen weer wordt afgegeven aan de atmosfeer. Dat is waarom de wereld zoveel weer heeft, merkt Morton laconiek op.

Is het dan overoptimistisch om te denken dat we erin zouden kunnen slagen om, met dat kleine stukje van de overweldigende hoeveelheid in het ecosysteem beschikbare energie dat we zelf in de hand hebben, het globale klimaatsysteem te beïnvloeden? Morton geeft een genuanceerd antwoord dat elke econoom, politicus en wereldburger zou moeten bestuderen: de problematiek is complex, historisch gegroeid en ethisch gecompliceerd; we moeten ons realiseren dat de mensheid al een paar honderdduizend jaar aan geo-engineering doet en het klimaat beïnvloedt, zonder het te weten of erbij te hebben nagedacht. Het ongebreidelde afvangen van stikstof uit de atmosfeer om de kunstmeststoffen te maken die de ongeziene bevolkingsgroei in de industriële tijd heeft gevoed en dus mogelijk gemaakt, inclusief alle welvaart die dat met zich meebracht, is een ongeëvenaard staaltje wereld- maakbaarheid – met een verandering van het klimaat als gevolg.

Morton beseft hoe moeilijk het zal zijn om betrouwbare technieken om het klimaat actief te beïnvloeden politiek en wereldwijd geïmplementeerd te krijgen. Hij zet dat echter in een verfrissend humanitair perspectief: doe het niet alleen om ‘ruimteschip aarde’ onder controle te krijgen, doe het bovendien om zo goed mogelijk te zorgen voor alle aardbewoners, ook voor de zwaksten en diegenen zonder stem. Het geeft zijn benadering aanzienlijk meer sociaal-politieke slagkracht.

De wereld van morgen

De onzekerheden zijn groot. De klimaatmodellen waarover we beschikken hebben hun beperkingen en kunnen op zijn best helpen verklaren waarom de toestand van het klimaat is zoals hij nu is. Om te voorspellen hoe de wereld er in pakweg 2050 zal uitzien, zijn ze niet geschikt. We zullen pas dan weten welke modellen van nu de beste waren. Tot die tijd moeten we het doen met onze verbeelding en vindingrijkheid.

Die gebruikt Jonathon Porritt, ooit voorzitter van de Britse Groene Partij en directeur van Friends of the Earth, om in de huid te kruipen van een onderwijzer die in 2000 geboren is en die vijftig jaar later in zijn dagboek beschrijft hoe het huishouden van de mensheid in die halve eeuw evolueerde naar een min of meer duurzame samenleving. Het is een levendig knip- en plakboek gevuld met talloze voorbeelden van technische en sociale innovaties waarvan de meeste nu al in de pijplijn zitten en dus niet eens vergezocht zijn. Hij reikt met inzicht en visie ver voorbij de utopieën en dystopieën die de laatste jaren in films en romans opduiken. Hij introduceert een paar fictieve crises die overheden naar ‘pandemie-modus’ doen schakelen. Als de druk groot is en de prioriteiten duidelijk zijn, blijkt er opeens veel mogelijk. Het grote verschil met eco- en andere modernisten is dat in Porritts scenario de superrijken verdwenen zijn. Ongelijkheid is slecht voor iedereen en in zijn toekomstdagboek hebben de miljonairs ingezien dat veel geld hebben niet veel oplevert in een onleefbare wereld.

Terwijl Porritt in zijn vorige, groen-politieke leven erg sceptisch stond tegenover nieuwe technologie, omarmt hij die nu als de enige weg vooruit. Democratie en gezondheid, mobiliteit en productie, voedsel en vrije tijd zijn gebaat bij info-, nano- en biotechnologie. Sluitstuk in zijn toekomstbeeld is de uitvinding van de artificiële fotosynthese. Zodra de mens op een of andere manier het proces leert beheersen waarmee de planten van de vermaledijde koolstofdioxide energierijke koolwaterstoffen en zuurstof maken, is het energieprobleem fundamenteel opgelost (zie voor een concreet bestaand voorbeeld hiervan: Frans W. Saris, ‘Lost cities’, de Nederlandse Boekengids 2016#1). In 1779 beschreef Jan Ingenhousz voor het eerst het planten- en dierenrijk als complementaire systemen, in een visionaire schets van wat we nu ‘earth systems science’ noemen: beheersing van de fotosynthese zal de mens in staat stellen zich te voegen in de eeuwige kringlopen van de natuur. Dat is ook waar

Nobelprijslaureaat Feringa op doelde, toen hij op de vraag welk belangrijk probleem hij nog graag zou willen oplossen antwoordde met een politiek appèl: ‘Bijvoorbeeld hoe je met en elektriciteit uit zonlicht nieuwe brandstoffen kunt maken. Als alternatief voor fossiel.’ Een grote en fundamentele scheikundige uitdaging, zo voorspelde Feringa, die alleen met aanzienlijke overheidsinvesteringen (tijdig) zal kunnen slagen.

Het doel kan niet zijn de menselijke bedrijvigheid koolstofvrij te maken. We bestaan zelf immers uit koolstofverbindingen. Koolstofrijk zal ze moeten blijven, maar dan niet met de fossiele koolstofrestanten van prehistorisch zonlicht, maar met koolstof die rechtstreeks aan de lucht onttrokken wordt, op maat van de uitstoot van de verbranding in onze spieren, kachels en motoren. De C’s van C2C (cradle-to-cradle) krijgen dan opeens een tweede, diepere betekenis.