Het conservatieve Europa


Wie slechts afgaat op hedendaagse discussies over ‘meer’ of ‘minder’ Europa zal snel het idee krijgen dat de Europese eenwording traditioneel een project van een centrumlinkse groep is, met daartegenover een eurokritisch blok van neoconservatieve partijen die vrezen voor het behoud van de nationale soevereiniteit. Wie echter meer oog houdt voor de historische wortels van de wens om op supranationaal niveau samen te werken, ziet al snel dat het project Europa voortkwam uit uiteenlopende en soms strijdige ideologische bronnen. Niet zelden waren het juist conservatieve groeperingen die Europese samenwerking aanmoedigden om de beperkingen van de natiestaat te overkomen. Door Rob Hartmans.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#4

    

Als je hedendaagse vaderlandse denkers als Thierry Baudet, Derk Jan Eppink en Martin Bosma moet geloven, is de Europese eenheid het project van een progressieve, technocratische elite die, in het belang van het internationale Finanzkapital, de natiestaat wil ontmantelen en elk gevoel van nationale identiteit om zeep wil helpen, hetgeen men wil bereiken door massa- immigratie toe te staan en het multiculturalisme te prediken. Deze wereldvreemde, naar voortdurende modernisering strevende elite is doof voor de gezonde, behoudende opvattingen van ‘gewone’ burgers die vast willen houden aan de vertrouwde en beproefde tradities van eigen streek en land. Tegenover een abstract, van de realiteit losgezongen progressivisme staat een realistisch, in de geschiedenis geworteld conservatisme. Tegenover het abstracte en progressieve ‘Europa’ staat het concrete, conservatieve Europa van krachtige natiestaten die spontaan en vreedzaam met elkaar samenwerken.

Toegegeven, het is een roerend verhaal, waarbij de tranen je zelfs in de ogen kunnen springen. En dat is ook de bedoeling, want die eurovijandige – de scepsis zijn de EU-bashers allang voorbij – tranen beletten je het zicht op de geschiedenis van de Europese eenwording en zorgen ervoor dat je het met allerlei politieke begrippen niet meer zo nauw neemt. Neem nu conservatisme. Dat is naar zijn aard een relatief begrip. Wie een bepaalde maatschappelijke en politieke ordening wil behouden, beseft vaak niet dat deze het resultaat is van een revolutionair proces. Het verdedigen van de huidige verzorgingsstaat wordt vaak gezien als conservatief, terwijl zij bevochten is op een sociaaleconomische orde waarin het ongebreidelde vrijemarktdenken de toon aangaf. En die liberaal-kapitalistische samenleving kwam weer voort uit een economische en politieke revolutie die een einde had gemaakt aan de standenmaatschappij van het ancien régime. Een hedendaagse conservatieve VVD’er als Hans Wiegel zou in de ogen van een achttiende-eeuwse aristocraat een gevaarlijke revolutionair zijn.

Anno 2017 zien eurovijandige neonationalisten de Europese integratie als een aanval op de natiestaat, die in hun ogen het enige bastion van de democratische rechtsstaat is. Individuele burgers, nationale gemeenschappen en allerlei minderheden worden bedreigd door de Europese moloch, die wordt bestuurd door een bureaucratische elite wier enige doel het in stand houden van zichzelf is. Het behoud van volledige nationale soevereiniteit wordt over het algemeen gezien als een conservatief streven. Curieus genoeg zagen de eerste pleitbezorgers van Europese integratie de instelling van instituties als de Raad van Europa en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) als een middel om diezelfde individuele burgers, bevolkingsgroepen en minderheden te beschermen tegen de almacht van de natiestaat – waar een kleine meerderheid vaak zijn wil trachtte op te leggen aan de gehele bevolking – terwijl de voortdurende competitie tussen de verschillende natiestaten niet zelden tot oorlog leidde. Het waren vooral conservatieven van diverse pluimage die hierbij vooropliepen.

Europees concert

Alweer zes jaar geleden publiceerde de Belgische historicus Emiel Lamberts het prachtige maar weinig opgemerkte boek Het gevecht met Leviathan, waarin de vergeten Oostenrijkse topdiplomaat Gustav von Blome (1829-1906) centraal stond. Deze van oorsprong Noord-Duitse aristocraat was een bastaardkleinzoon van de Oostenrijkse staatsman Klemens von Metternich. Dit was echter niet de reden dat hij besloot niet Pruisen maar het Oostenrijkse keizerrijk te dienen (beiden wisten waarschijnlijk niets van deze bloedverwantschap). Het was vooral zijn enorme afkeer van het opkomende nationalisme die hem motiveerde.

Die afkeer deelde hij met Metternich, die sterk was beïnvloed door Kant en een Europees machtsevenwicht nastreefde. Niet staatsraison en nationale belangen zouden de politiek moeten beheersen, maar de directieven van de kosmopolitische rede. Na de definitieve nederlaag van Napoleon had Metternich de hoofdrol gespeeld tijdens het Congres van Wenen. Hier hadden de vijf grootmachten – Groot-Brittannië, Rusland, Oostenrijk, Pruisen en Frankrijk – besloten dat de landen voortaan regelmatig overleg zouden plegen en onderlinge conflicten door middel van diplomatie zouden oplossen. Dit harmonieuze ‘Europees Concert’ werd in de jaren na 1815 volgens Metternich bedreigd door het opkomende nationalisme en liberalisme, twee stromingen die tot het revolutiejaar 1848 vaak nauw met elkaar waren verbonden. Het idee van de etnisch homogene natiestaat vormde een bedreiging voor het uit vele volkeren bestaande Oostenrijkse keizerrijk, en het individualistische liberalisme ondergroef de oude standensamenleving en overige traditionele verbanden. Om die reden stond hij als Oostenrijks kanselier de katholieke kerk ook meer vrijheid toe dan deze onder het absolutisme had gehad, omdat zij het wereldlijk gezag legitimeerde en duidelijke morele maatstaven stelde.

Bijna vijftig jaar later werd Blome als Oostenrijks diplomaat geconfronteerd met het agressieve Pruisen, dat onder leiding van de conservatieve Bismarck sterk nationalistisch werd en streefde naar eenwording van de Duitstalige gebieden ten noorden van Oostenrijk. Ondanks wekenlange onderhandelingen met Bismarck wist Blome niet te voorkomen dat er in 1866 tussen beide landen oorlog uitbrak, waarbij Oostenrijk verslagen werd en het land vervolgens afzakte tot tweederangs mogendheid. Het nationalisme werd steeds dominanter – Duitsland en Italië zouden spoedig eenheidsstaten worden – en het internationale machtsevenwicht van Metternich loste op in rook en kruitdamp. Niet alleen in de internationale politiek werd de natiestaat de allesbepalende factor, ook in de binnenlandse politiek was dat het geval. De door Hobbes geschilderde Leviathan ging alle sferen van het maatschappelijk leven beheersen en eiste het recht op alle burgers in te zetten voor zijn doelstellingen.

De conservatief Blome was dit alles een gruwel, en hij zag in de katholieke kerk de enige potentiële tegenmacht. De supranationale kerk kon niet alleen een dam vormen tegen het nationalisme, dat vroeg of laat tot oorlog zou leiden, maar ook tegen het liberalisme en het socialisme. Dat een gefortuneerde aristocraat als Blome het socialisme afwees zal niet verbazen, maar ook van het ongebreidelde kapitalisme, dat mensen als gebruiksvoorwerpen zag en tot immense sociale misère leidde, wilde hij niets weten. In de jaren na 1870 speelde hij een centrale rol in de zogenaamde Zwarte Internationale, een geheime katholieke organisatie die de wereldlijke macht van de paus wilde herstellen en zich tegen het liberalisme en socialisme keerde. Ruim tien jaar later was hij betrokken bij de Unie van Fribourg, die voor een sociaalkatholicisme pleitte en grote invloed had op de totstandkoming van de pauselijke encycliek Rerum Novarum uit 1891, waarin gepleit werd voor sociale wetgeving en een corporatistische maatschappijordening.

Mensenrechtenrevolutie

Met de opmars van totalitaire bewegingen als het fascisme en communisme leken dergelijke opvattingen volstrekt achterhaald, maar op de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog zouden ze niettemin weer opbloeien. Het was niet alleen het sociaalkatholicisme dat, herrezen in de gedaante van de christendemocratie, een rol speelde in de beweging tot Europese integratie, ook andere conservatieve krachten drongen hierop aan. In zijn vorig jaar verschenen Winston Churchill, vader van Europa beschrijft de Nederlands-Amerikaanse historicus Felix Klos de cruciale rol die de leider der Britse conservatieven speelde bij de Europese eenwording.

Uiteraard was Churchill diep teleurgesteld toen hij de verkiezingen van 1945 verloor en Labour aan de macht kwam, maar al spoedig gebruikte hij zijn herwonnen vrijheid en zijn immense prestige om door middel van visionaire redevoeringen toch invloed uit te oefenen op de wereldpolitiek. Het bekendst is natuurlijk zijn rede in Fulton uit maart 1946, waarin hij het begrip IJzeren Gordijn introduceerde en daarmee het startschot gaf voor de Koude Oorlog. Een halfjaar later hield hij in Zürich echter een rede die minder in het geheugen is blijven hangen, maar die waarschijnlijk veel belangrijker was. Hierin pleitte hij voor de stichting van de Verenigde Staten van Europa, waarbij hij – tot ieders verbijstering – stelde dat de aartsvijanden Frankrijk en Duitsland daarbij de leiding moesten nemen. Britse tegenstanders van de eu wijzen er altijd op dat Churchill in deze redevoering aangaf dat Groot-Brittannië de Verenigde Staten van Europa zou steunen, maar er zelf buiten zou blijven. Dat klopt, maar Klos maakt duidelijk dat dit een tactische zet was: hij wilde de Sovjet-Unie niet op de kast jagen en was van mening dat wanneer de Europese eenwording een feit was, men officieel zowel de Russen als de Britten moest uitnodigen toe te treden. Stalin zou dat ongetwijfeld weigeren, waarna Groot-Brittannië wel met een gerust hart lid kon worden.

Wat de motieven van Churchill en andere conservatieven zijn geweest om te pleiten voor Europese eenwording en aan te dringen op de oprichting van het door veel hedendaagse conservatieven verafschuwde Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat immers een inbreuk vormt op de nationale soevereiniteit, wordt duidelijk uit het imposante boek The Conservative Human Rights Revolution van de Australische historicus Marco Duranti. Conservatieve politici worden vaak afgeschilderd als kritische of zelfs cynische tegenstanders van de zogenoemde ‘mensenrechtenrevolutie’ die zich na de Tweede Wereldoorlog voltrok. Volgens Duranti komt dat omdat men bij mensenrechten vooral denkt aan de rol die de Verenigde Naties daarbij heeft gespeeld, terwijl de totstandkoming van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (evrm) in veel opzichten belangrijker en ingrijpender is geweest. De naleving van dit verdrag wordt immers bewaakt door het evrm, dat bindende uitspraken doet. Op het niveau van de vn ontbreekt zoiets.

Het ontstaan van de Raad van Europa en het evrm wordt doorgaans in verband gebracht met de angst voor totalitaire bewegingen als het fascisme en het communisme, en zou bovendien vooral een zaak van technocraten zijn geweest. Duranti laat echter duidelijk zien dat er wel degelijk ethische overwegingen ten grondslag lagen aan deze initiatieven, en dat vooral bij de conservatieve voorvechters in Groot-Brittannië en Frankrijk binnenlandse motieven een grote rol speelden. In beide landen vreesden conservatieve minderheden dat hun vrijheden en rechten zouden worden aangetast door een meerderheid die streefde naar een vorm van socialisme en om die reden de macht van de staat verregaand wilde uitbreiden. Zij stelden het pluralisme boven de volkssoevereiniteit en wilden de autonomie van de burger en de civil society niet offeren op het altaar van de centralistische natiestaat. Hun idee van mensenrechten was niet ontleend aan de abstracte beginselen van de Verlichting, maar greep terug op een nostalgisch beeld van een christelijk Europa dat verbonden was door gemeenschappelijke waarden.

In Engeland waren met name Churchill en David Maxwell Fyfe – de Britse aanklager bij de Processen van Neurenberg en later onder meer minister van Binnenlandse Zaken en Justitie – de drijvende krachten achter de Europese integratie, terwijl in Frankrijk vooral katholieke intellectuelen en politici, die zich hergroepeerden in de christendemocratie, hierop aandrongen. Een deel van hen stamde uit de antirepublikeinse, antidemocratische en zelfs antisemitische stroming die in de Derde Republiek een belangrijke rol had gespeeld en waarvan veel vertegenwoordigers in 1940 voor het regime van Vichy hadden gekozen. Twee van deze intellectuelen staan centraal in de in 2015 verdedigde dissertatie van Daniël Knegt waarvan in oktober de handelseditie verschijnt: Fascism, Liberalism and Europeanism in the Political Thought of Bertrand de Jouvenel and Alfred Fabre-Luce.

 Deze auteurs en politieke denkers waren geschokt door de Eerste Wereldoorlog en de politieke en geestelijke crises die Europa sindsdien teisterden. Ze droomden van de regeneratie van het continent en zagen een verzoening tussen Frankrijk en Duitsland als een noodzakelijke voorwaarde hiervoor. Dit leidde ertoe dat ze in de jaren dertig in fascistisch vaarwater belandden; in het geval van Fabre-Luce resulteerde dit in regelrechte collaboratie met de nazi’s, terwijl De Jouvenel tijdens de bezetting een meer ambivalente positie innam. Na de oorlog zagen beide mannen de Europese integratie als een belangrijk middel om het in hun ogen steriele parlementarisme en de totalitaire neigingen van socialistische politici in te dammen. De Jouvenel behoorde tot de oprichters van de conservatief-liberale Mont Pèlerin Society en onderhield hechte banden met Friedrich Hayek, Milton Friedman en de Duitse econoom Wilhem Röpke, een van de grondleggers van de soziale Marktwirtschaft. Het wereldbeeld in deze kringen was elitair, traditionalistisch en antimarxistisch, met een paternalistische kijk op het welzijn van de arbeidende bevolking, terwijl men er een sterk nostalgisch beeld van Europa als bolwerk van de westerse beschaving op na hield. Een verenigd Europa werd gezien als de enige manier om – in een tijd van beginnende dekolonisatie en de opkomst van een communistisch blok – een rol op het wereldtoneel te blijven spelen.

Vijandige bronnen

Evenals Duranti wijst Knegt erop dat Europese integratie nooit een louter technocratische aangelegenheid is geweest, maar dat juist thema’s als identiteit, nationalisme, ideologie en cultuur een belangrijke rol speelden. Dat dergelijke ideeën hun wortels hadden in het Interbellum blijkt niet alleen uit het boek van Knegt, maar ook uit de bundel European Encounters. Intellectual Exchange and the Rethinking of Europe 1914-1945 (Rodopi 2014), geredigeerd door Carlos Reijnen en Marleen Rensen, die beiden European Studies doceren aan de Universiteit van Amsterdam. Hierin staan de contacten tussen tal van Duitse, Franse, Oostenrijkse, Britse, Nederlandse en Oost-Europese intellectuelen centraal. Intellectuelen die allemaal op de een of andere manier een antwoord trachtten te vinden op de politieke, maatschappelijke en geestelijke crisis waarin Europa volgens hen verkeerde. Hoewel sommigen verlangden naar het herstel van de traditionele verhoudingen, en anderen hoopten op een revolutionaire vernieuwing van Europa, waren zij allen ervan doordrongen dat het hier ging om problemen die nooit binnen de nationale kaders konden worden opgelost.

Veel van de conservatieve, rechtse en soms zelfs fascistische denkers en politici die in de genoemde boeken aan bod komen, dachten bij ‘Europa’ en ‘mensenrechten’ aan andere dingen dan hedendaagse voorstanders van deze idealen. Zo had Churchill nauwelijks oog voor de rechten van de bevolking van de koloniën, en steunde hij in zijn strijd tegen het communisme ook tal van rechts-autoritaire regimes. Nogal wat Franse voorvechters van een verenigd Europa waren antisemiet en hadden een uitgesproken antidemocratisch verleden. Voor seksediscriminatie had vrijwel geen van deze mannen oog, en iemand als Maxwell Fyfe ijverde later als minister voor nog strengere vervolging van homoseksuelen.

De afstand tussen deze conservatieven en de huidige centrumlinkse voorstanders van Europese integratie lijkt dus enorm, om niet te zeggen onoverbrugbaar. Niettemin wijst Duranti erop dat er zekere raakvlakken en overeenkomsten zijn. Terwijl veel hedendaagse conservatieven Europa zien als bedreiging voor de nationale soevereiniteit en eigen identiteit, en de wensen en belangen van de eigen bevolking aanvoeren als rechtvaardiging voor het ontmantelen van de Europese Unie, is het vooral centrumlinks dat benadrukt dat de individuele burger en tal van minderheidsgroeperingen niet vermorzeld mogen worden onder de ‘tirannie van de meerderheid’. Juist centrumlinks vindt het nu belangrijk dat binnenlandse maatregelen supranationaal worden getoetst en kijkt met een zekere nostalgie terug op een tijd waarin ‘Europa’ nog de belichaming leek van gedeelde waarden en de onderlinge solidariteit nog niet werd ondergraven door plat materialisme, klassentegenstellingen en populistische demagogie. Zoals altijd staat nostalgie op gespannen voet met de realiteit, maar wie zich werkelijk verdiept in de geschiedenis van de Europese integratie ziet dat deze weinig te maken had met simplistische tegenstellingen als links-rechts, progressief-conservatief of internationalistisch- nationalistisch, en dat deze ontsprong aan zeer uiteenlopende, deels zelfs vijandige bronnen. Het is natuurlijk mogelijk om alles wat op dit punt is bereikt rücksichtslos overboord te kieperen, maar wellicht kunnen we beter kijken naar wat er waardevol is aan de Europese instituties, en wat we kunnen leren van de manier waarop deze tot stand zijn gekomen.