Leven en werk van Ernst Kantorowicz


Ernst Kantorowicz vocht tegen communisten in de straten van München en tegen communistenhaters in het bestuur van de universiteit van Berkeley. Hij beminde zowel mannen als vrouwen, was Joods maar schreef het favoriete boek van Goebbels en verwierf onsterfelijkheid met de uitleg van de zin ‘de koning is dood, lang leve de koning!’ in The King’s Two Bodies. Sjoerd van Hoorn neemt het tegenstrijdige leven van Kantorowicz onder de loep. Door Sjoerd van Hoorn.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#4

Politieke mystiek – het verbinden van het bestuur van een staat met diepgevoelde spirituele bekommernissen – heeft geen goede naam in de onttoverde wereld van nu. In 1957 schreef Ernst Kantorowicz, toen historicus te Princeton, er het volgende over:

‘Mysticism, when transposed from the warm twilight of myth and fiction to the cold searchlight of fact and reason, has usually little left to recommend itself. […] Political mysticism in particular is exposed to the danger of losing its spell or becoming quite meaningless when taken out of its native surroundings, its time and its space.’

Kantorowicz toont zich niet erg geporteerd voor een politiek die haar fundering zoekt in mythen en verhalen. Toch sprak hij vierentwintig jaar eerder juist over een rijk dat zijn grond vond in de diepe waarheden die worden onthuld door de letteren, om precies te zijn ‘het geheime Duitsland’, dat ‘ein Götterreich [ist] wie der Olymp, ein Geisterreich wie der mittelalterliche Heiligen- und Engelsstaat, ein Menschenreich wie Dantes als “Humana Civilitas” erschaute Jenseitswelt der drei Bezirke…’ Deze woorden roepen allesbehalve het zoeklicht van de feiten en de rede op.

De vraag ligt dan ook voor de hand hoe Kantorowicz van het ene uiterste van gevoelde politieke mystiek bij de koele studie van de politieke theologie kwam. Staan de twee Kantorowiczen werkelijk zo ver van elkaar af als het lijkt? In zijn onlangs gepubliceerde biografie – Ernst Kantorowicz: A Life – probeert Robert E. Lerner, emeritus hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de Amerikaanse Northwestern University, deze vragen te beantwoorden.

Ernst Kantorowicz (1895-1963) geldt als een van de meest invloedrijke historici van de twintigste eeuw. Hij is de auteur van een biografie van de dertiende-eeuwse Duitse keizer Frederik ii (1927), van enkele tientallen artikelen over diverse onderwerpen uit de Europese middeleeuwen, de late oudheid en het Byzantijnse Rijk en van Laudes Regiae, een studie naar het belang van liturgie voor het begrijpen van middeleeuwse koningssymboliek. Het hierboven geciteerde The King’s Two Bodies is zonder twijfel zijn opus magnum. In dit boek verkent Kantorowicz de middeleeuwse wortels van het idee dat een koning nooit sterft, zoals dat bijvoorbeeld verankerd ligt in het Engelse recht. Dit idee is ook de basis geweest van de moderne bureaucratie, waarin immers de functie van een ambtenaar of magistraat ook onafhankelijk bestaat van degenen die hem tijdelijk bekleden. Zijn werk is niet alleen verplichte kost voor mediëvisten, maar bijvoorbeeld ook voor rechtshistorici, politiek filosofen, en politicologen in landen waar die wetenschap niet alleen positivistisch wordt opgevat. Daarnaast is Kantorowicz een belangrijke figuur in de geschiedenis van de Duitse literatuur, aangezien hij een hoofdrol speelde in de zogenoemde George-Kreis – de kring rond de dichter en mystiek leider Stefan George, die het denken en leven van Ernst Kantorowicz en een indrukwekkende rij van andere Duitse schrijvers, academici, intellectuelen en militairen in hoge mate gevormd heeft.

Duitsland en de George-Kreis

Ernst Kantorowicz wordt op 3 mei 1895 geboren in het Duitse Posen, het tegenwoordige Poznań in Polen, als telg van een Joods koopmansgeslacht. De firma Hartwig Kantorowicz stookt likeuren die door heel Europa worden gedronken. Hoewel de meerderheid van de bevolking van Posen Pools is, is de dominante cultuur Duits. Ernst verkeert in een uitsluitend Duitse, sterk nationalistische culturele omgeving, waarin het feit dat hij van mosaïschen Glaubens is een bijzaak is – of lijkt. De scholen in Posen deden niet aan cijferinflatie, want ofschoon Ernst Kantorowicz lage cijfers haalde en zelfs een keer bleef zitten op het zevenjarige Königliche Auguste-Viktoria Gymnasium, las hij Latijn en Grieks.

De Eerste Wereldoorlog brengt hem als vrijwilli

ger bij een artillerie-eenheid naar het slagveld van Verdun, waar hij gewond raakt, tot onderofficier bevorderd wordt en het ijzeren kruis van de tweede klasse toegekend krijgt. Daarna komt hij in Constantinopel terecht met een eenheid die een spoorweg aanlegt, en wordt door de sultan de ijzeren halve maan toegekend. Turkije heeft een zekere charme voor Kantorowicz, die een interesse aan de dag legt voor Turks en Arabisch en voor de islam. Turkije brengt ook nog een ander avontuur: Kantorowicz heeft een affaire met het vriendinnetje van generaal Liman von Sanders. De jaloerse officier stuurt de sergeant terug naar Duitsland. Al spoedig vindt hij een nieuwe geliefde in de beeldschone, zes jaar oudere Fine von Kahler (geboren Sobotka), een intellectuele vrouw die als jong meisje een finishing school voor toekomstige echtgenotes van de upper classes verruilde voor een gymnasium, zodat ze haar literaire interesses kon volgen. Fine noemde Ernst haar ‘veulen’. In dezelfde tijd heeft ze behalve haar huwelijk ook nog een affaire met de letterkundige Friedrich Gundolf, die we verderop nog zullen tegenkomen. Na een tumultueuze relatie werd ze uiteindelijk een goede vriendin. Kantorowicz zal gedurende zijn hele leven relaties hebben met zowel mannen als vrouwen. Dit belette hem niet om homoseksuelen vooral komisch te vinden. Blijkbaar was voor Kantorowicz het geslacht van een geliefde niet werkelijk van belang, een instelling die we bijvoorbeeld ook bij filosoof Ludwig Wittgenstein terugzien en die een weerspiegeling is van een meer aristocratische seksuele moraal, waarin het er niet toe doet wat iemand in zijn slaapkamer uitspookt, zolang hij zijn plichten maar nakomt en in het openbaar de goede zeden bewaart. Kantorowicz zou zich niet erg hebben thuis gevoeld in ons tijdperk van wat men wel genderidentiteiten noemt.

Tijdens zijn verloving volgt Kantorowicz al colleges filosofie in Berlijn. Na de vrede zal hij in München en Heidelberg met name economie studeren, met het oog op een loopbaan in het familiebedrijf. Voor het zover is, vecht hij echter in Polen tegen het nationalisme en in Berlijn en München tegen de spartakisten en de Rätrepublik. Kantorowicz ervaart de strijd op leven en dood tegen de Zuid-Duitse communisten als een existentiële strijd. Als student loopt Kantorowicz colleges economie, maar in Heidelberg volgt hij ook onderwijs in de oude geschiedenis, zoals een werkcollege van de oudhistoricus Alfred von Domaszewski over Alexander de Grote. Later zal Kantorowicz zeggen dat zijn hart eigenlijk altijd bij de klassieke oudheid heeft gelegen.

Zijn tijd in Heidelberg brengt Kantorowicz niet alleen in contact met medestudenten en hoogleraren, maar ook met de man die als geen ander zijn leven zou bepalen, de schepper van het begrip van ‘het geheime Duitsland’ dat we hierboven tegenkwamen, de dichter Stefan George (1868-1933). Kantorowicz’ biograaf Robert Lerner heeft moeite om Stefan George te plaatsen. Hij begrijpt de rol die de totalitair ingestelde mysticus George had in het leven van de frivole en ironische historicus Kantorowicz naar eigen zeggen niet werkelijk.

Wij kunnen Stefan George enigszins plaatsen als we bedenken dat Max Weber hem in gedachten had toen hij zijn begrip van de charismatische leider ontwikkelde. Max Weber was (emeritus) hoogleraar in Heidelberg, waar Stefan George veelvuldig verbleef. Volgens Webers biograaf Dirk Kaessler (zie ook Van Hoorns ‘Het calvinisme van de popcultuur’ in dNBg 2016#3, red.) waren George en Weber twee charismatische tegenpolen. De wetenschapper en de dichter waren twee zonnen (om met Dante te spreken) die ook elk een kring om zich heen hadden. In 1915 woonden ze zelfs enige tijd in hetzelfde pension. De twee meest charismatische inwoners van Heidelberg kenden elkaar persoonlijk vanaf 1910. Thomas Karlauf, de biograaf van Stefan George, schrijft uiterst verhelderend over de relatie van wederzijdse erkenning en concurrentie die George en Weber verbond. Weber zag in George, of liever, in de uitwerking die hij op mensen had: ‘eine außeralltägliche, magisch bedingte Qualität, um derentwillen eine Persönlichkeit als “Führer” anerkennt wird’. Nu is voor de typen van heerschappij die Weber definieerde juist de geesteshouding van de mensen over wie geheerst wordt van centraal belang. Bij de charismatische heerschappij gaat het om de ‘Anerkennung durch die Beherrschten’ en deze is ‘psychologisch eine aus Begeisterung oder Not und hoffnung geborene gläubige, ganz persönliche Hingabe’.

Geheel los van Weber kenschetste georgeaan Friedrich Gundolf de George-Kreis als volgt: het ging om ‘eine kleine Anzahl Einzelner mit bestimmter Haltung und Gesinnung, vereinigt durch die unwillkürliche Verehrung eines großen Menschen, und bestrebt die Idee die er ihnen verkörpert […] durch ihr Alltagsleben oder durch ihr öffentliche Leistung zu dienen’. Met andere woorden, de George-Kreis was exact de emotionale Vergemeinschaftung waarin het handelen van de leden bepaald wordt door ‘Berufung auf Eingebung des Führers aufgrund der charismatischen Qualifikation des Berufenen’.

Stefan George was dus veel meer dan een dichter met loyale fans. Volgens de grote romanist Ernst Robert Curtius, een van de eersten die het belang van het werk van Proust erkende, en auteur van een nog steeds actuele studie over de doorwerking van de klassieke oudheid in de Europese literatuur, was George in feite een sekteleider die rond 1910 gelijkwaardige vriendschappen met de socioloog Georg Simmel en de Nederlandse dichter Albert Verwey had ingeruild voor een kring uiterst begaafde jongemannen die hij om zich heen verzamelde. George liet een spoor achter van zo mogelijk nog begaafdere jongemannen die zich de totalitaire nukken van der Meister niet langer wensten te laten welgevallen.

Het is niet toevallig dat George goed viel bij classici. Volgens Thomas Karlauf was de leer van George in hoge mate platoons en platonisch van aard. De George-Kreis was bijvoorbeeld sterk homo-erotisch van inslag. Hoewel veel leden ook of voornamelijk relaties met vrouwen hadden, zwolgen George en zijn pupillen in de cultus van de mooie jongen. Mannelijke schoonheid was voor George een eigenschap met morele waarde. De mooie man gold voor hem letterlijk als de belichaming van het ideaal van de schoonheid waar het leven om draaide. Het ging hier niet alleen om een erotisch getinte sociale verhouding tussen mannen à la Thomas Mann die Olivier Boehme (in dNBg 2017#1) zo verhelderend geëvoceerd heeft, het ging bovendien om het nastreven van het ideaal dat Plato ontwikkelt in zijn dialogen, met name in Symposium en Phaidros. Volgens Plato is het bewonderen van mooie lijven een stap naar het bewonderen en kennen van de idee schoonheid zelf. De erotisch-pedagogische relatie tussen een meester en een leerling gaat erom deze geestelijke stap te maken. De academie van Plato was volgens Stefan George gefundeerd op hetzelfde begrip van eros als zijn eigen kring.

De geest van Plato zou volgens de aanhangers van Stefan George dan ook nergens zo sterk aanwezig zijn geweest als onder hen zelf. Naast Friedrich Hölderlin was Plato de belangrijkste historische figuur met wie de georgeanen zich identificeerden. George werd niet alleen geplatoniseerd, Plato werd ook gegeorgeaniseerd: volgens George had Plato ontdekt dat ‘alle metaphysischen Erkenntnisse nichts sind ohne Begegnung mit dem erweckenden Menschen, der liebend das Schöne entbindet’ waarbij entbinden niet alleen staat voor losmaken maar ook voor ter wereld brengen.

Ernst Kantorowicz belandde in november 1920 te midden van de mensen die deze idealen koesterden… en voelde zich er zeer verguld mee. De George-Kreis was dan ook in de ogen van zijn tijdgenoten niet zomaar een curieus groepje. George werd algemeen erkend als een groot dichter, wiens werk bijvoorbeeld veelvuldig op muziek is gezet en becommentarieerd door hem niet per se welgezinde tijdgenoten als Hugo von Hofmannsthal, Rudolf Borchardt en Walter Benjamin. (Ofschoon de laatste beweerde zijn ideeën af te wijzen, nam hij speciaal plaats op een bankje in het park om George te kunnen zien wandelen, en ook Hans Georg Gadamer memoreert in zijn autobiografie Philosophische Lerhrjahre specifiek de enige keer dat hij George zag.) Bovendien was George ook een bewonderd herontdekker van ten onrechte vergeten auteurs, vooral Friedrich Hölderlin. Zijn aantrekkingskracht werd verder vergroot doordat de George-Kreis onderdeel uitmaakte van het toen in Duitsland alomtegenwoordige verschijnsel van (jeugd)bewegingen. Er waren tussen 1900 en 1933 vele clubs van idealistische jongens en mannen, en minder vaak meisjes en vrouwen, die zich verenigden rond een hoger doel; vaak verenigingen met hoogdravend aandoende benamingen als de witte ridders van de Geist, waar een van de latere ontdekkers van de kwantummechanica, Werner Heisenberg lid van was.

Waar Robert Lerner zich afvraagt waarom Kantorowicz zijn hele leven George erkentelijk is gebleven, terwijl hij toch afstand had genomen van het Führertum van zijn studententijd, is het antwoord wellicht te vinden in de eros paidagogos die hem had gevormd in de platonische traditie. Die traditie was bepalend voor de hiërarchie van waarden die Kantorowicz zijn leven lang trouw bleef, al veranderden zijn politieke inzichten zodanig dat hij van een ultrarechtse nationalist tot een linkse kosmopoliet werd. Het laat zich vermoeden dat Kantorowicz de waarden van George, de totstandbrenging van de humana civitas, in veel opzichten meer terugzag bij zijn links-liberale collega’s in Princeton dan bij de communistenvreters in zijn nieuwe vaderland.

Nazitijd

Voor Kantorowicz’ Amerikaanse periode aan bod komt is er nog veel te zeggen. Hij sloot zijn studie af met een proefschrift over islamitische handwerkersgilden in de middeleeuwen. De volgende stap was het schrijven van een biografie over de Duitse keizer Frederik ii (1194-1250), gepubliceerd in 1927, volgens hem de eerste absolute vorst van Europa, schepper van de bureaucratische staat, en promotor van het Romeins recht als basis van het openbaar bestuur.

Kantorowicz’ boek was een absolute bestseller. Vanwege de persoonlijkheidscultus rond Frederik die in het boek wordt gevierd was Kaiser Friedrich der Zweite ook een favoriet boek van Goebbels en Hitler. (Toen het boek na de Tweede Wereldoorlog werd herdrukt ontving Kantorowicz in Berkeley een brief van een voormalig Wehrmacht-generaal die zei blij te zijn dat zo’n boek nog mocht bestaan in het naoorlogse Duitsland.) Kantorowicz zelf stond er ambivalenter tegenover. Hij was nog steeds overtuigd van het belang van Frederik, maar de schrijver van het boek, zo zei hij, was iemand anders. Lerner interpreteert dit als een afwijzing van zijn vroegere zelf, maar hoe vaak komt het niet voor dat oudere auteurs hun jeugdwerk afwijzen?

Omdat Kaiser Friedrich der Zweite is geschreven in een zeer literaire (de hedendaagse lezer nogal bombastisch aandoende) stijl en bovendien de bronverwijzingen ontbreken, werd Kantorowicz door veel gezaghebbende mediëvisten beschuldigd van een onwetenschappelijke houding. Kantorowicz’ verzengende repliek was tweeledig: enerzijds opende hij met een pleidooi voor de historische verbeelding rechtstreeks de aanval op het positivisme in de geschiedwetenschappen, daarnaast publiceerde hij een tweede band van de biografie met uitputtende documentatie van al zijn beweringen over Frederik. Lerner tekent met smaak en zichtbaar genoegen op dat Kantorowicz’ voornaamste plaaggeest, Albert Brackmann, die zijn uiterste best deed om te voorkomen dat Kantorowicz een academische loopbaan kon ontplooien, zich in de nazitijd wendde tot de Ostforschung, dat wil zeggen de studie naar historische excuses voor het ontwortelen van de Slavische volken ten faveure van ‘Lebensraum’ voor Duitsers.

Kaiser Friedrich der Zweite stond niet alleen in aanzien bij literaten en aspirant-dictators, ook bij andere wetenschappers zoals Duitse mediëvisten als Paul Kehr en Karl Hampe oogste het boek bewondering. Daarnaast genoot de sociaal begaafde, charmante Kantorowicz nog altijd de bescherming van invloedrijke vrienden van Stefan George, zoals de classici Karl Reinhardt en Walter Otto. Zo kwam het dat hij het eerst tot bijzonder hoogleraar schopte, en vervolgens in augustus 1932 tot gewoon hoogleraar (een gewone leerstoel, zo luidt terecht de oude grap, is bijzonderder dan een bijzondere leerstoel) in Frankfurt – en dat zonder het daarvoor in Duitsland vereiste tweede proefschrift, het Habilitationsschrift, geschreven te hebben en nog altijd zonder ooit één college te hebben gevolgd op het gebied van zijn leeropdracht, de middeleeuwse geschiedenis.

Een zeer ongewone ordinarius dus, deze Kantorowicz, en hij zou van zich laten horen met zowel inhoudelijk als methodologisch zeer vernieuwende werken. Maar in januari 1933 brak de nazitijd aan en zelfs als gedecoreerde oorlogsheld waren zijn vooruitzichten niet rooskleurig. Hij werd aanvankelijk al snel met ‘vakantie’ gestuurd, maar nam in november 1933 toch zijn leeropdracht weer op met de tweede inaugurale rede. Das geheime Deutschland is een langgerekte schreeuw om beschaving, een uiterst welbespraakte noodkreet ter verdediging van wat Kantorowicz beschrijft als het ware Duitsland, dat wil zeggen het Duitsland van Goethe en Herder, van Shakespeare en Dante, die als spiritueel hoogstaande mensen ten diepste ook Duits van aard moesten zijn, en natuurlijk van Stefan George, naar wiens gelijknamige gedicht de titel van de oratie verwees.

Oxford, Berkeley, Princeton

Das geheime Deutschland werd goed ontvangen door Kantorowicz’ studenten, die zich met riskering van gevangenisstraf of erger inzetten voor het aanblijven van hun docent. Intimidatie door nazistische studenten maakte het op de lange termijn onmogelijk voor Kantorowicz om zijn colleges aan de universiteit voort te zetten. Hij gaf nog een tijd thuis werkcolleges, maar koos in 1934 al snel voor een Visiting Fellowship aan New College, Oxford. In Oxford leerde hij de onvermijdelijke Maurice Bowra kennen, classicus, poëzievertaler, beroemd om zijn mots d’esprit, die over een docente Franse literatuur in Oxford eens opmerkte dat ze gekleed ging ‘in all the colours of the Rimbaud’, beweerde dat hij meer ‘dined against than dining’ was en stelde dat ‘buggery was invented to fill that awkward hour between evensong and cocktails’. Bowra verwierf zijn vaste plaats in de ideeëngeschiedenis van de twintigste eeuw naar velen nu zeggen vooral door de geestelijke bevrijding van een reeks aanvankelijk emotioneel geremde undergraduates, waaronder Evelyn Waugh, Kenneth Clark en Isaiah Berlin. Hij was echter ook de man die erop stond dat poëzie onontbeerlijk geestelijk voedsel was en die Rilke, George en moderne Russische dichters introduceerde aan een Engels publiek. Maurice Bowra was in zekere zin de Stefan George van Oxford. Stefan George zelf was in december 1933 overleden. Kantorowicz begon een relatie met Bowra en wijdde zich aan de studie van het Engelse koningschap en aan de studie van het belang van liturgische gezangen bij de kroning.

In juli 1934 keerde Kantorowicz terug naar Duitsland. Zoals meer Duitse intellectuelen emigreerde hij in 1938 met de nodige moeite naar de Verenigde Staten, waar hij na enige tijd en veel bemiddeling een reeks tijdelijke aanstellingen aan de universiteit van Californië te Berkeley bemachtigde en in 1945 ook in Berkeley hoogleraar middeleeuwse geschiedenis werd. Berkeley was de plek waar hij zijn tweede gevecht tegen totalitair gezinde gezagsdragers hield – opnieuw een gevecht dat hij zou verliezen. Dit keer ging het om het college van bestuur van de universiteit van Californië, dat van de wetenschappelijk medewerkers eiste dat ze zouden verklaren geen communistische sympathieën te hebben. Kantorowicz weigerde, zeggende dat hij communisten doodgeschoten had en niet van plan was nu enige eed te zweren om zijn anticommunisme aan te tonen. Belangrijker, hij had genoeg ervaring met regimes die stonden op eden van trouw. Aanvankelijk dachten veel werknemers van de universiteit er net zo over als hij, maar aangezien de vrees voor het behoud van het baantje, de carrière en de hypotheek het onder academici vrijwel altijd wint van principes, had hij spoedig maar weinig medestanders over. Hij nam ontslag en kon gelukkig terecht aan het Institute for Advanced Study te Princeton, het onderzoeksinstituut waar, aldus Kantorowicz’ eigen omschrijving, men betaald wordt om te zijn en niet om te doen, een opmerking die past in de lijn van zijn bewering dat hij eigenlijk alleen verstand had van koken.

De twee lichamen

Naast witte wijn en kookkunst was koningschap ook in Princeton weer de andere grote interesse van Kantorowicz. Bij de lectuur van de Engelse historicus Frederic Maitland was zijn oog gevallen op de opmerkelijke doctrine van de twee lichamen van de koning. De koning sterft nooit, terwijl het individu dat de troon bezet wel sterfelijk is. Le roi est mort, vive le roi. Het is een idee dat terugkeerde in de Engelse burgeroorlog van de jaren 1640, waarin de parlementaire partij for the King against the king vocht, en dat ook in ons volkslied terugkeert: het is namelijk nogal paradoxaal om de koning van Spanje altijd te hebben geëerd en niettemin tegen hem (Filips ii) te hebben gevochten. Maitland had het leerstuk van de twee lichamen van de koning aangetroffen bij de juristen uit de Tudor-tijd, maar Kantorowicz voerde het terug naar veel oudere bronnen. Hij laat zien dat vage ideeën over de spirituele kant van het koningschap zich gedurende de hoge middeleeuwen ontwikkelden tot geavanceerde theologische ideeën en uiteindelijk tot juridische concepten. Het idee dat de koning een onsterfelijk lichaam heeft mag mistig en mystiek lijken, het is historisch gezien een voorwaarde geweest voor de ontwikkeling van de bureaucratische staat. Kantorowicz toont ook aan dat de ideeën over koningschap in de veertiende eeuw steeds meer humanistisch werden. Dat doet hij in een prachtig hoofdstuk over Dante, die in zijn De monarchia betoogde dat de keizer een eigen waardigheid bezat die evenwaardig was aan die van de paus, omdat de keizer als heerser de mensheid naar het aardse geluk diende te leiden, terwijl de paus verantwoordelijke was voor het eeuwige geluk. De humanistische wending van Dante, waarmee hij volgens Kantorowicz (en een andere Dante-kenner, de romanist Erich Auerbach in zijn Dante als Dichter der irdischen Welt) de renaissance inluidde, bestond in het centraal stellen van de menselijke waardigheid en het menselijk geluk aan deze zijde van het leven.

Lerner begrijpt ook op dit belangrijke punt Kantorowicz niet (‘How this relates to the king’s two bodies is obscure’) terwijl toch duidelijk is dat het zijn onderwerp te doen was om een humanistisch begrepen menselijke waardigheid van het koningschap, die desalniettemin losstaat van de persoon die deze waardigheid nu eenmaal bekleed. Dit onbegrip verklaart wellicht ook waarom hij niet inziet dat Stefan George een centrale figuur bleef in het leven van Kantorowicz: het ideaal van het geheime Duitsland staat namelijk alleen maar ogenschijnlijk in contrast met het scepticisme van de (hier aan het begin geciteerde) zinnen uit The King’s Two Bodies, dat immers uitmondt in een viering van het danteske monarchische ideaal.

The King’s Two Bodies werd gepubliceerd in 1957. Ernst Kantorowicz was nog tot z’n dood in 1963 een zeer gewaardeerde figuur in Princeton en waar hij ook ging. The King’s Two Bodies geldt nu als zijn belangrijkste werk – mede dankzij enkele Franse filosofen, zoals Michel Foucault, die de figuur van de onsterfelijke koning zag als het fundament van het westerse recht, of zoals Claude Lefort, die in de onsterfelijke koning juist een door de democratie te overwinnen en te ontruimen locus van heersersmacht zag. Dat laatste is wellicht iets wat de aristocratische denker die Ernst Kantorowicz ten diepste was niet begrepen zou hebben.