Politieke taal


Na de verkiezingswinst van Donald Trump in november vorig jaar buitelden de commentatoren over elkaar om precies uit te leggen hoe het zover had kunnen komen. Opvallend aan in ieder geval een deel van die verklaringen was het gebrek aan zelfonderzoek: de winst van Trump, zo ging het, was niet zozeer te danken aan het beschimmelde wereldbeeld van Clinton (op elke mogelijke manier immers toch de ‘redelijkere keus’), maar aan de tactiek van de campagne. Politiek is een marktplaats en ideeën zijn marktwaar: wie die verliest, prijst zijn merk niet op de juiste manier aan. Door Thijs Kleinpaste.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#4


Steeds als dit argument gemaakt werd, waren de titels van een handvol bestsellers uit het afgelopen decennium zelden ver weg: George Lakoffs Don’t Think of an Elephant (over framing), Drew Westens The Political Brain (over de neurologische oorsprong van politieke meningsverschillen) en Jonathan Haidts The Righteous Mind (over de morele ‘zuilen’ in ons brein); stuk voor stuk boeken over politiek en massapsychologie. Wat die bestsellers met elkaar gemeen hebben is de these dat onze instincten aan onze meer beredeneerde (rationele) politieke stellingnames voorafgaan. De mens is weliswaar in staat tot rede en rationaliteit, maar die rede is, zo verklaart men met een buiging naar Hume, ook ondergeschikt aan de passies. Wie verkiezingen winnen wil, moet daarom niet alleen het beste beleid presenteren, maar tevens een beroep doen op dat wat nooit louter rationeel of beredeneerd is – op de beleving, emotie, waarden.

De les die volgens aanhangers van die boeken steevast getrokken moet worden, is tweeledig. Allereerst dat politiek linkse of liberale mensen de rol van de passies op een heel fundamenteel niveau niet snappen, omdat ze de taal van die waarden niet spreken (of niet denken te spreken), en ten tweede dat die liberale mensen een min of meer homogene, wereldvreemde, kosmopolitische, technocratische, betweterige en verheven groep vormen – een vrij omvangrijke ‘elite’ die, dat spreekt voor zich, bar weinig begrepen heeft van hoe de rest van de wereld tot politieke opvattingen komt. Ze begrijpen religie in klein- en buitenstedelijk Amerika niet, slagen er niet in de essentie van de culture wars te doorgronden, en zijn niet thuis in de leef- en belevingswereld van de kiezers die ze zeggen te vertegenwoordigen, of voor wie hun plannen bedoeld zijn (de onder- en middenklassen). En dus blijft die elite, zo stellen de auteurs van die boeken unisono, na iedere verkiezing weer verbijsterd achter als blijkt dat kiezers die duidelijk baat zouden hebben bij een krachtigere sociale zekerheid en betere gezondheidszorg op een partij hebben gestemd die ze berooft van een betaalbare, goede opleiding, ze aan hun economische lot overlaat, de aarde vernietigt en de belastingen van een handvol plutocraten verlaagt.

Slechte gewetens

De eerste opmerkelijke gemene deler tussen dit soort pleidooien is dat ze een toon aanslaan die ergens het midden houdt tussen die van profetische openbaringen en kroegwijsheden – tussen ‘laat me je iets vertellen wat je wereld op zijn kop zet’ en ‘het is een raadsel waarom je dit zelf niet eerder doorhad’. De tweede is dat het probleem waartegen een dergelijk boek zich keert er altijd een lijkt te zijn dat de auteurs hebben overgenomen van de meest fanatieke vijanden van liberale politiek (in de Verenigde Staten: de christelijk-conservatieve beweging).

Die tweede gemene deler illustreert vooral hoezeer een slecht geweten (van de auteurs en van het soort lezer dat dergelijke boeken als kleine bijbeltjes beschouwt) in staat is om de clichés van populistisch-conservatieve tv-zenders en radiostations over ‘de elite’ te internaliseren. De auteurs moeten die karikatuur op enig moment zijn tegengekomen en hebben gedacht: ‘Verdomd, dit ben ik.’ Want dat is het meest verbazende: dat de boeman die wordt bestreden – het linkse, technocratische, wereldvreemde, vegetarische, met het milieu en minderheden begane, beleidsnotitie-herkauwende politieke dier (in de gedaante van kiezer, gekozene of politieke wetenschapper, dat is meestal om het even) – die karikatuur, vrij klakkeloos wordt aanvaard als een natuurgetrouwe weergave van de werkelijkheid.

Alleen kinderen zijn bang voor de boeman – maar door in het bestaan van de boeman te geloven kun je pardoes overtuigd raken van de noodzaak om kiezers te behandelen alsof ze kind zijn. Dat is de derde opmerkelijke gemene deler: de auteurs willen hun lezers doen geloven dat verloren verkiezingen liggen aan de manier waarop liberale politici zich presenteren. Met gevoel voor pathos betogen ze dat de opvattingen van kiezers in de Verenigde Staten serieus genomen moeten worden (voor zover die opvattingen een opening bieden naar effectieve manipulatie, althans). Ze lijken in een hoogst eigenaardige spagaat te zitten tussen enerzijds hun voorgewende superioriteit omdat zij wel begrijpen wat er in het hoofd van de rest van het land omgaat, en anderzijds de presentatie van die kiezer als lijdend voorwerp van zijn eigen gemanipuleerde politieke psychologie.

De casus Haidt

Neem psycholoog Jonathan Haidt. Ten grondslag aan onze politieke twisten, schrijft hij in The Righ- teous Mind, ligt een politieke voorkeur die bij onze geboorte al met een potloodlijntje is ingetekend op het lege canvas van onze persoonlijkheid. Mensen worden geboren met een aanleg om bijvoorbeeld
in politiek opzicht meer liberale (noem het linkse, progressieve) of juist meer rechtse (conservatieve, reactionaire) sympathieën te hebben. Die voorkeuren zijn echter geen blauwdruk voor de rest van ons leven. Na de geboorte worden de voorkeuren door ervaring in het leven gevormd en beïnvloed. Ze worden versterkt of afgeremd, beïnvloed door opvoeding, cultuur en de omgeving waarin iemand opgroeit. Onze voorkeuren zijn vooraf een beetje gegroepeerd, maar nog niet in beton gegoten.

Volgens Haidt kan de menselijke moraal worden gedeeld in vijf verschillende zuilen: ‘care/harm’, ‘fair- ness/cheating’, ‘loyalty/betrayal’, ‘authority/subversion’ en ‘sanctity/degradation’. Soms wordt er een zesde aan toegevoegd: ‘liberty/oppression’.

Het belangrijkste verschil tussen de conservatieve en progressieve mensen (merk op dat – o wonder! – het morele brein zoals Haidt het presenteert exact samenvalt met de scheidslijnen van de tweepartijpolitiek van de Verenigde Staten) is dat de laatste groep zich niet wil wagen aan loyaliteiten ten aanzien van specifieke groepen. Hun moraliteit is universalistisch, met nadruk op de eerste pijlers (‘care/harm’ en ‘fairness/ cheating’). Progressieve mensen, schrijft Haidt, geven daarom de voorkeur aan politici die uit naam van universele waarden en rechten opkomen voor de minst geprivilegieerde groepen, en die streven naar een eerlijker verdeling van het economische, sociale en culturele kapitaal in de wereld. Het denkkader van progressieve mensen is zo afgesteld dat ze de andere morele pijlers (met meer waardering voor morele waarden als gezag, groepsdenken en loyaliteit) zien als bedreiging.

Nadat hij deze pijlers heeft uitgewerkt komt
Haidt tot wat volgens hem de kern van de zaak is: progressieven en conservatieven hechten, blijkt uit zijn onderzoek, nagenoeg evenveel belang aan de eerste twee fundamenten, ‘care/harm’ en ‘ fairness/ cheating’ (en soms ‘freedom/oppression’), maar het zijn uitsluitend de conservatieven die de andere funda- menten op waarde weten te schatten en er een beroep op doen: ‘loyalty/betrayal’, ‘authority/subversion’, en ‘sanctity/degradation’.

Progressieve mensen waarderen het belang van die pijlers aanzienlijk lager dan hun conservatieve tegenpolen. Zo komt Haidt tot de conclusie dat progressieven een beperkter moreel palet hebben. Morele discussies gaan om die reden, aldus Haidt, zelden over de vraag of de morele pijlers als zorg en eerlijkheid voldoende tot hun recht komen, maar eigenlijk altijd over hoe zaken als groep, gezag en loyaliteit in politieke zin gewaardeerd worden.

Onwillekeurig bekruipt de lezer van The Righteous Mind de gedachte dat Haidt vooral graag kwijt wil hoe hijzelf de grote vergissing van zijn voorheen linkse opvattingen inzag, en hoe hij uiteindelijk de waarachtigheden die het conservatisme opdient op waarde wist te schatten. Dat, althans, lijkt de functie te zijn van Haidts voortdurende intermezzo’s waarin hij precies die persoonlijke woestijntocht in herinnering brengt. Ook hij was ooit een liberaal die, gruwel, alleen maar oog had voor eerlijkheid en zorg – tot hij het licht zag. Hoe gelukkig is het dat hij dit zich uiteindelijk realiseerde. En hoe gelukkig zijn lezers, nu, die rechtstreeks toegesproken kunnen worden opdat ook zij (wij), kinderen van het licht zullen zijn; dat we alleen maar hoeven te begrijpen dat het conservatisme gewoon een beroep doet op een rijker palet aan waarden, en dat we daar niet angstig om hoeven te zijn. De volgende keer dat Republikeinen plannen maken om dertig miljoen mensen van hun zorgverzekering te beroven en we daar kwaad om worden, volstaat het te denken aan Haidt: het zijn geen slechte mensen, ze hebben gewoon een complexer, subtieler en rijker moreel palet.

‘Can we all get along?’

Als de eerste verbijstering plaatsmaakt voor irritatie rijst ook een fundamenteler besef van de diepte van Haidts geleerde domheid – een besef dat altijd samenhangt met het beoogde doel van boeken zoals The Righteous Mind.

Het is Haidt er namelijk om te doen, verzekert hij zijn lezers, om liberale mensen het instrumentarium in handen te geven verkiezingen te winnen. Het enige wat ze daarvoor hoeven doen is zich beseffen dat zij óók over waarden kunnen praten – over groep, over loyaliteit, en zelfs over heiligheid. De morele con icten die ten grondslag liggen aan alle politieke strijd, met andere woorden, kunnen – nee, liefst moeten! – worden gepacificeerd. ‘Can we all get along?’ verzucht Haidt met gevoel voor drama in het nawoord, en het antwoord waarop hij hoopt is: als we maar genoeg ons best doen om te begrijpen dat we het allemaal goed bedoelen, dan vinden we uiteindelijk vanzelf een vergelijk.

Het ware resultaat is echter dat er geen werkelijke reflectie plaatsvindt waarom centristische kandidaten verkiezingen steeds weer verliezen. Haidt suggereert immers dat wat ze fout doen, ligt aan de manier waarop ze politieke standpunten verwoorden – aan de waarden die ze inroepen – en niet aan wat hun politieke standpunten zijn. Haidt wil ons laten geloven dat het niet ligt aan de inhoud (als goed liberaal is hij immers overtuigd van de intellectuele superioriteit ervan), maar aan de vorm – over de inhoud bestaat geen conflict: liberalen en conservatieven willen in essentie hetzelfde. Daar waar politiek conflict zich voordoet, moet er dus wel sprake zijn van een communicatieprobleem, niet van een oprechte morele en politieke twist.

Nonsens, natuurlijk, en akelig onsympathiek bovendien, maar Haidt illustreert en passant wel wat er niet deugt aan de eeuwig geveinsde redelijkheid van het hedendaagse liberalisme. Door zichzelf tot grote Versteher te kronen van morele conflicten heeft Haidt zich de positie aangematigd van arbiter tussen twee (ten onrechte) strijdende kampen.

Politiek en moraal

Zelfs als het zo is dat conservatieve stemmers in feite evenveel geven om de waarden die belangrijk zijn voor liberalen, dan nog rijst de vraag: is het eerlijk om het probleem van moderne politiek zo te schetsen?

Politiek speelt zich niet af in een vacuüm – politiek is het maken van keuzes op de momenten waarop fundamentele en onverenigbare waarden met elkaar in strijd zijn. Het zal vast aan mij liggen, maar zelfs als ik een oprechte poging doe om in het geschreeuw van mensen die vluchtelingen het liefst uit het water schieten iets van een appèl aan loyaliteit of groepsgevoel te ontwaren, dan nog vind ik die ‘loyaliteit’ iets verwerpelijks. Haidt laat wat daadwerkelijk moeilijk is aan morele oordeelsvorming voor het gemak buiten beschouwing: de principiële keuze. Haidts verlangen naar een gulden middenweg ten spijt: je kunt bootvluchtelingen niet een beetje laten verdrinken; je kunt mensen die zich nu dankzij Obama’s verzekering noodzakelijke zorg kunnen veroorloven niet een beetje laten creperen.

Door te stellen dat de vijf (of zes) morele pijlers een natuurlijke (neurologische) grondslag hebben, geeft Haidt ze een gelijkwaardige positie: wat in het brein aanwezig is, lijkt hij te stellen, kan niet zeer fundamenteel verkeerd zijn. Het zijn immers menselijke waarden, en die zijn op het moment dat ze worden ingetekend moreel neutraal – en de eigenaardigheid van The Righteous Mind is dat wat begint als een pleidooi voor de herwaardering van het besef dat er meer morele overtuigingen zijn dan alleen liberale, leidt naar een toestand waar elke morele overtuiging evenveel waard is – en dus niets. Haidt schept een landschap waar de opdracht van politiek niet langer is om een strijd tussen waarden te beslechten, maar om er voor zo veel mogelijk mensen een aanvaardbare balans tussen te vinden, zonder werkelijke weging van de vraag of dat de wereld een betere of juist slechtere plaats maakt – het compromis is alles, het politieke geschil is niets.

In dat landschap is de enige positie met gezag die van het soort Verstehers zoals Haidt. De enige positie met morele legitimiteit is daar die van vredestichter tussen mensen die in de war zijn en ten onrechte geloven in de juistheid van hun positie. Debatten over waarden worden door Haidt gedegradeerd tot misverstanden tussen mensen die grotendeels hetzelfde zouden willen. Waar het pleidooi van The Righteous Mind dus op neerkomt, is de eindeloze verlenging van de liberale status quo; van een degradatie van taal als drager van politieke strijd over absolute en onverenigbare waarden tot een hulpmiddel in het manipuleren van onze emoties; van de opmars van de breinexpert die de legitimiteit van morele posities alle gewicht en gezag ontneemt, om er een verwaterde opvatting voor politiek voor terug te geven; van een situatie waarin politieke radicaliteit, zelfs als het gaat over fundamentele vragen, op voorhand wordt gediskwalificeerd als slechte smaak en nodeloos polariserend.

Het verlangen van liberalen om boven alles toch de redelijkheid te vertegenwoordigen, is juist daar waar het om hevige morele en politieke conflicten gaat, een chimaera. Haidt hult zich in wereldwijsheid en empathie, maar het komt uiteindelijk allemaal neer op morele ruggegraatloosheid. In plaats van partij te kiezen, praat The Righteous Mind de per de rechtse propaganda over wat linkse (of zelfs liberale) mensen willen na, en bepleit vervolgens een rapprochement, omdat de vrede toch bewaard moet worden. Dat is niet moedig, en evenmin de tragiek van de ‘eerlijke’ of ‘onbeschutte’ of ‘redelijke’ middenpositie – het is lafheid.