De schoenste weurd van de werreld: meertaligheid in Nederland
🖋 Berthold van Maris


Men zegt weleens dat in geglobaliseerd en gedigitaliseerd Nederland de taalverloedering hoogtij viert. Onzin, vindt Berthold van Maris. Aan de hand van twee recente dialectgeschiedenissen, die van het Gronings en die van het Limburgs, laat hij zien hoezeer taalmutatie en invloeden van andere talen al eeuwenlang bij het Nederlands horen. Door Berthold van Maris.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#5

Nederland is meertalig. Een van de dingen waaraan je dat kunt zien, is het gemak waarmee Nederlanders twee of soms zelfs drie talen door elkaar gebruiken in uitlatingen op het internet: ‘In Shaa Allah dat je met behulp van Allah Ta’ala en de waarheid je weg helemaal terug vindt, that the nights no longer frighten you and the days lighten up.’ Hier is een Marokkaanse Nederlander aan het woord, op maroc.nl. Op waarbenjij.nu vind je Brabanders die ongeveer hetzelfde doen: ‘How’s life? Echt gaaf dat je je duikbrevet gaat halen, kost inderdaad wat maar dan hedde ook wa..! Take care.’ En wie er even voor gaat zitten, vindt op internet ook mengsels van Standaardnederlands, Marokkaans én regionaal Nederlands: ‘kei leuk man thx he en n gelukkig nieuwjaar beslama leila.’ ‘Keileuk’ is typisch Brabants. Nog een voorbeeld, maar nu iemand met een Turkse achtergrond, op hababam.nl: ‘Je doet maar wat je wilt. Islam diyor zinaya yaklastiracak seyden uzak durun diye. Indien je niet akkoord bent, kunde gij de klute kusse van mijn kleine broertje.’

Nederland is altijd al meertalig geweest. Althans, vanaf de tijd waarover we kunnen oordelen, omdat we nog teksten hebben uit die tijd. De oudste in Nederland gevonden tekst dateert van 29 na Christus en is… in het Latijn. Een Romeins schrijfplankje, waarop met veel moeite een paar krabbels te lezen zijn over een lening. De oudste lange tekst in het Nederlands, geschreven rond 1100, vermengt twee talen. Het is een Oudnederlandse vertaling van het Hooglied, inclusief religieuze uitleg ervan, geschreven in een mix van Oudnederlands en Latijn. Dat ziet er zo uit: ‘Wandaf min sponsus is deus et homo ande her warth incarnatus ex virginali castitate.’ (Want mijn gemaal is God en mens en hij werd tot vlees vanuit maagdelijke kuisheid.)

Meertaligheid van noord…

De Nederlandse meertaligheid strekt zich uit over het hele Nederlandse grondgebied. Recentelijk verschenen er twee lijvige boeken over het fenomeen in Groningen en in Limburg. Het boek over Groningen is van de hand van taalkundige Siemon Reker, die het de titel Biografie van het Gronings meegaf. Dat zal wel over het Gronings dialect gaan, denkt de argeloze lezer misschien. Maar nee, de invalshoek is breder. Reker vertelt over zes talen die de afgelopen achthonderd jaar in Groningen gebruikt zijn: Oudfries, Middelnederlands, Latijn, Nederduits, Standaardnederlands, en, ja, ook Gronings dialect.

Het boek heeft een originele opzet. In alle 1001 columnachtige stukken van elk één pagina formuleert Reker zijn bevindingen naar aanleiding van een woord, zin of tekst die tussen 1200 en nu in Groningen gezegd of genoteerd werd. Hij besteedt daarbij, terecht, veel aandacht aan wat hij ‘latrelaties’ tussen talen noemt: als twee talen niet in elkaar opgaan, maar naast elkaar gebruikt worden, beïnvloeden ze elkaar toch.

Rond 1600 schrijft iemand in Groningen: ‘Hödet juw vör den valschen Propheten, de tho juw kamen in Schapes Kleider, inwendich averst sint se rytende Wülffe.’ Inderdaad, een citaat uit de Bijbel: Hoedt u voor de valse profeten, die tot u kwamen in schaapskleren, maar eigenlijk zijn het verscheurende wolven. De tekst klinkt een beetje Nederlands, maar ook een beetje Duits. Reker legt uit dat het met het Gronings in die tijd nog twee kanten op kon: het kon een soort Duits worden, of een soort Nederlands.

Dat het Nederlands werd, had te maken met de definitieve aansluiting van Groningen bij de Republiek der Verenigde Nederlanden in 1594. De schrijftaal werd er vanaf toen steeds Hollandser. Tegenwoordig schakelen Groningers vaak tussen dialect en Standaardnederlands, zelfs binnen een en dezelfde zin. Reker tekent het volgende voorbeeld op, van een vrouw die aan het woord is op RTV Noord: ‘As je bedenkt hou veul keer we dit kanaaltje heen en weer varen hebben, onveurstelbaor en het bleef spannend.’ De vrouw spreekt ABN met een aantal Groningse woorden, en wat Groningse grammatica (‘varen’ in plaats van ‘gevaren’).

Pas vanaf het einde van de achttiende eeuw wordt er ook in het Gronings geschreven. Er verschijnen grappig bedoelde teksten, maar ook verhalen en gedichten. Vaak gebeurt dat in ‘halfdialect’: een soort tussentaal, tussen dialect en Standaardnederlands in. Bijvoorbeeld: ‘Terborg zei dat hij morgen weer groene zeep had.’ In dialect is dat: ‘Terbörg zee dat e mörgn weer gruine zaip haar.’ En in halfdialect: ‘Terbörg zee dat e morgen weer groene zeep haar.’ Sommige Groningers vinden halfdialect ‘slecht dialect’. Anderen, onder wie Reker zelf, beschouwen halfdialect liever als linguïstische realiteit; iedere Groninger die zowel dialect als Standaardnederlands spreekt, kan daar tenslotte ook ergens tussenin gaan zitten.

Het Gronings is, net als alle andere regionale talen van Nederland, de afgelopen eeuw behoorlijk opgeschoven richting Standaardnederlands. Zelfs zodanig dat het verschil tussen dialect en standaardtaal nu minder groot is dan ooit. Reker schrijft over een Gronings dorp waar ze een eeuw geleden nog ‘as ik komen kind haar’ zeiden (‘als ik had kunnen komen;). Later werd dat: ‘as ik kommen kinnen haar’. En nu is het: ‘as ik haar kinnen kommen’ – het verschil met Standaardnederlands is nog maar minimaal. Volgens Reker correspondeert elke stap met ongeveer één generatie. Dit is dus wat drie achtereenvolgende generaties met zo’n dialect kunnen doen.

… tot zuid.

In Limburg hebben de afgelopen 800 jaar tenminste zeven talen hun sporen achtergelaten: Latijn, Middelnederlands, Limburgs, Frans, Duits, Standaardnederlands en Engels. In al die talen is door Limburgers ‘literatuur’ geschreven, als we Geschiedenis van de literatuur in Limburg mogen geloven. De Limburgse literatuur begint in de twaalfde eeuw, met de dichter Heinric van Veldeke, ook wel: He(y)nric van Veldeke(n), Heinrich von Veldeke, of ‘gewoon’ Hendrik van Veldeke. Bij hem vallen we, wat meertaligheid betreft, met onze neus in de boter. Van deze dichter, die in de buurt van Hasselt geboren werd, zijn namelijk zowel Middelnederlandse als Middelhoogduitse teksten overgeleverd. Hoewel niet duidelijk is of die Middelhoogduitse teksten ook echt zo door hem geschreven zijn (of dat het latere, Duitse bewerkingen zijn van Middelnederlandse teksten die verloren zijn gegaan), door het Middelhoogduits van die gedichten schemert in ieder geval voortdurend het Middelnederlands van die tijd. Bovendien zitten in de Middelnederlandse tekst die we van hem hebben, een zeer lang gedicht over Sint Servaas, behoorlijk wat Limburgse elementen.

Veldeke schreef in het Nederlands, en dus misschien ook wel in het Duits. Bovendien las hij ook Latijn en Frans, want zijn inspiratiebronnen waren een in het Latijn geschreven boek over Sint Servaas, en Franstalige hoofse romans en hoofse lyriek. Een veeltalige man dus: hij kreeg te maken met vier verschillende talen, en waarschijnlijk sprak hij nog een vijfde: het Limburgse dialect van het Belgisch-Limburgse dorp Veldeke, waar hij opgroeide.

In de tweede helft van de zeventiende eeuw werd de Franse invloed in Limburg snel groter. De eerste dialecttekst uit Maastricht (van rond 1775) is, grappig genoeg, een tekst over de verfransing van Maastricht. Het is een ‘sermoen’ (toespraak) met een Limburgs-Latijnse titel: Sermoen euver de Weurd ‘Inter omnes Linguas nulla Mosa Trajestensi prastantior’ (Toespraak over de woorden ‘Van alle talen is er geen zo mooi als het Maastrichts’). De tekst steekt, anders dan de titel doet vermoeden, de draak met zowel het Frans als het Maastrichts. De redenaar beweert bijvoorbeeld dat als een paar ‘Mooswiever’ (Maastrichtse vrouwen) elkaar de waarheid zeggen, ze daarbij ‘de schoenste weurd van de werreld’ (de schoonste woorden van de wereld) gebruiken, ‘par exempel’ (zoals) ‘dou swerenootse lompen hond’ (jij ellendige lompe hond) en ‘dou hoore kind’ (jij hoerenkind).

Frans Erens, een Limburger die eind negentiende eeuw deel uitmaakte van de (vooral Hollandse) literaire beweging van de Tachtigers, schreef in zijn memoires, Vervlogen jaren, over de taalsituatie in Schaesberg, het dorp waar hij opgroeide: ‘In mijn kinderjaren heb ik alleen het dialect van onze streek gehoord en Duitsch of Fransch, en evenals mijn dorps- en streekgenooten deed de klank van het Hollandsch mij eerder weeïg aan dan nobel beschaafd.’ Als literator bedient Erens zich van dat ‘Hollands’, maar hij doet dat met gemengde gevoelens: ‘Het is voor mij steeds een wrange vraag geweest: Indien ik in het Fransch of Duitsch had kunnen schrijven, zou ik dan mogelijk iets mooiers en beters hebben gemaakt?’ Ook schrijft hij: ‘Mijn Hollandsche taal, wanneer ik schreef, beschouwde ik als een van de echt-Hollandsche bijmengsels geëpureerd idioom.’ En inderdaad komt het Hollands dat Erens schrijft abstracter over dan dat van zijn vrienden Kloos en Van Deyssel. Daarmee is het, in zekere zin, Nederlandser dan het Hollands van de Hollanders.

In de negentiende en twintigste eeuw zijn er ook schrijvers die soms in het Nederlands en soms in het Limburgs schrijven. Waar hun Nederlands meestal erg literair is, zoals het gekunstelde Tachtigers-proza, is hun Limburgs eenvoudig en direct, en meer spreektaal dan schrijftaal – iets wat we tegenwoordig heel positieve eigenschappen zouden vinden. Sommigen gebruiken het Limburgs alleen in speciale gevallen, bijvoorbeeld als ze over hun ouders of grootouders schrijven. Dichter en emeritus hoogleraar letterkunde Wiel Kusters, bijvoorbeeld, schrijft in het Nederlands, maar schakelt over op het Limburgs als hij zijn vader, een voormalige mijnwerker, vlak voor diens overlijden laat zeggen: ‘Dui miech die moer um, iech krie jing lòf.’ (Duw me die muur om, ik krijg geen lucht.) Die woorden zijn zo intiem dat ze alleen in het Limburgs geciteerd kunnen worden.

Platte, poëtische parels

De Geschiedenis van de literatuur in Limburg behandelt zoveel boeken en schrijvers waar je nog nooit van gehoord hebt, dat je al lezende onwillekeurig gaat hopen dat je op een paar vergeten pareltjes stuit. En inderdaad, er valt een en ander te ontdekken. De vijftiende-eeuwer Rutger Sycamber, bijvoorbeeld, tijdgenoot en vriend van Erasmus, die een belangrijk en omvangrijk oeuvre bij elkaar schreef in het Latijn. Zijn werk is nu nog van waarde, omdat het een levendig beeld geeft van het leven in een klooster en ook van de wederwaardigheden van reizende monniken, die, boeken lezend en discussiërend, van klooster tot klooster trokken.

Van minder lang geleden, en van een heel ander kaliber, is de negentiende-eeuwer Theodoor Weustenraad. Hij schreef Franstalige poëzie, die het goed deed in België. Maar de mooiste tekst van zijn hand is een lang satirisch gedicht in plat Limburgs: de Percessie van Scherpenheuvel. Een vrolijk-kluchtige, pornografische, antikatholieke tekst, die ook een paar ernstige, lyrische passages bevat, waarin Weustenraad een zeer on-katholiek, haast soefistisch aandoend godsbeeld belijdt: God vind je waar in eenvoud geleefd wordt en in de natuur.

Een andere bijzondere Limburgse schrijver was Robert Franquinet. Hij kwam uit een welgesteld Limburgs milieu waarin je als adolescent makkelijk in de ban kon raken van de Franse literatuur. In zijn schitterende novelle Ghislaine La Bruyère en ik (1939) veroorzaken ‘Franse’ ideeën over liefde, leven en literatuur de ondergang van een getalenteerde jonge Limburger.

En dan is er nog Pé Hawinkels, die teksten schreef voor Herman Brood: ‘I’m sittin’ with Nelly / In front of the telly / I’m fillin’ my belly / With a bottle of wine’. Wat minder mensen weten, is dat Hawinkels ook onnavolgbaar-ingewikkelde poëzie schreef in het Nederlands. En over zijn jeugd in het dorpje Hoensbroek, het dorpsleven aldaar en het katholicisme, bekende thema’s in de streekliteratuur, schreef hij de novelle Autobiografische flitsen & fratsen, waarin hij een stijl hanteert die lichtjaren verwijderd is van de stijl van de Limburgse streekliteratuur. Hawinkels schrijft extreem ironisch, en zo omslachtig mogelijk, met langdurige uitweidingen en zijpaden, en laat de lezer af en toe behoorlijk de weg kwijtraken.

Weustenraad, Franquinet, Hawinkels en zelfs Sycamber: allen Limburgers, maar ook kosmopolitische figuren, die zich bewogen in een veel grotere wereld, en die dat kosmopolitische wisten te verbinden met Limburgse elementen. Zoals Van Veldeke dat in de twaalfde eeuw ook al deed.

Limburgs nu

De interessantste Limburgse dialectschrijvers van dit moment zijn Gé Reinders en Jack Poels, allebei zangers, Poels de frontman van de popgroep Rowwen Hèze. Beiden zijn wereldberoemd in Limburg en tamelijk bekend in de rest van Nederland. Net als de eerdergenoemde schrijvers bewegen zij zich in een wereld die veel groter is dan hun dorp of streek. Hun dialect is ‘Limburgs light’: halfdialect, of misschien gewoon hedendaags dialect dat dicht tegen het Standaardnederlands aan ligt. Zulk soort Limburgs is ook voor de niet-Limburger goed te behappen.

Kijk maar naar dit liedje van Gé Reinders: ‘Moe zit in de kamer / Pa is in de sjuur / Zusje zit aan taofel / Is bang veur ’t vagevuur / Enne doodgeweune doordewaekse daag.’ Geen Hollander hoeft een cursus Limburgs te volgen om dat te kunnen begrijpen.