Cézanne & Zola: kunst, vriendschap en geschiedenis


‘Van 1852 tot 1858 waren Paul Cézanne en Émile Zola klasgenoten en onafscheidelijk’, staat er op de gevel van het Lycée Mignet in Aix-en-Provence. Daarop volgt een citaat van Zola: ‘we waren vrienden, we droomden van liefde en roem’. Op deze school, het vroegere Collège de Bourbon, in 1603 opgericht door Henry IV, leerden ze elkaar kennen en begon een uitzonderlijke vriendschap die zo’n halve eeuw duurde en tot op de dag van vandaag intensief wordt bestudeerd. Onlangs verscheen bij Gallimard Lettres croisées, een bundeling van hun correspondentie van de periode 1858-1887. Het veroorzaakte opwinding onder kunsthistorici. Aanleiding: één briefje van 28 november 1887, van Paul Cézanne aan Émile Zola. Door Margot Dijkgraaf.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#5


‘Mon cher Émile, Je viens de recevoir de retour d’Aix le volume La Terre, que tu as bien voulu m’adresser. Je te remercie pour l’envoi de ce nouveau rameau poussé sur l’arbre généalogique des Rougon-Macquart. Je te prie d’accepter mes remerciements et mes plus sincères salutations. Quand tu seras de retour, j’irai te voir pour te serrer la main. Paul Cézanne.’

Het is op het oog een heel gewoon briefje, waarin Cézanne Zola bedankt voor het feit dat hij hem zijn meest recente boek heeft opgestuurd. De ophef ontstond dan ook niet vanwege de inhoud van het briefje, maar vanwege de datum: 28 oktober 1887. Tot voor kort waren alle historici er namelijk van uitgegaan dat het contact tussen beide kunstenaars was verbroken na 4 april 1886. Van die dag dateert een briefje van Cézanne aan Zola dat decennialang werd gelezen als een ‘lettre de rupture’, een bericht waarin de schilder definitief brak met zijn vriend de schrijver. Dit latere briefje, dat in 2013 opdook, bewees dat er geen sprake was van een definitieve breuk – waarna alle hypotheses moeten worden herzien.

Ook voor wie geen kenner is van het werk van Zola of Cézanne, zijn de Lettres croisées, die nu voor het eerst integraal in één band zijn samengebracht, fascinerende lectuur. Niet alleen kom je heel dicht bij het leven van deze twee grote kunstenaars uit de negentiende eeuw, ook volg je, in vaak levendige brieven, prachtig hun ontwikkeling van adolescent tot volwassen kunstenaar, ieder met zijn eigen karakter en persoonlijke situatie. Een dergelijke kunstenaarsvriendschap van bijna een halve eeuw is een bijzonderheid, in de geschiedenis van de literatuur en van de kunst.

Niet alleen komen beide kunstenaars uit dezelfde stad en gaan ze naar dezelfde middelbare school. Ze delen ook dezelfde jeugdherinneringen en wijden zich aan dezelfde onderwerpen, ze houden er vergelijkbare ideeën op na en verkeren later in dezelfde kunstenaarskringen. Ze hebben bovendien eenzelfde afkeer van ‘academisme’ en leiden een onconventioneel leven.

Terwijl ze wel degelijk verschillen, in achtergrond en milieu. De vader van Zola, Francesco, werd geboren in Venetië en verhuisde, via Marseille, naar Aix. Als ingenieur ontwierp hij een plan voor een dam en een kanaal waardoor Aix van water kon worden voorzien. Toen hij op jonge leeftijd stierf – zijn zoon was zeven – liet hij zijn gezin berooid achter. Zijn bouwplannen zouden pas na zijn dood tot stand komen en zijn vrouw zou haar leven lang strijden voor een toelage. Cézannes vader daarentegen had als hoedenmaker in Aix fortuin gemaakt en was daarna bankier geworden. Paul groeit in welvaart op, terwijl Émile een beurs krijgt van de stad en hij met zijn moeder om de haverklap moet verhuizen naar steeds kleinere en goedkopere woningen.

Maar samen doorlopen ze het lyceum: Paul, onrustig en grillig in zijn prestaties en volgens Zola en Cézanne-kenner John Rewald ‘impulsief en driftig’, heeft een uitzonderlijk geheugen en is een kei in dichtkunst, tekenen en schilderen. Zola, een harde en regelmatige werker, en volgens Rewald ordelijk en kalm, wijdt zich het liefst aan het schrijven van poëzie of fictie. Beiden koesteren ze ambities die niet bij hun familie in de smaak vallen. Samen zwemmen ze, maken ze tochten in de bergen, groeien ze op onder de brandende Zuid-Franse zon en in de woeste natuur in de omgeving van Aix. Zon, water en boeken – het zijn de belangrijkste bronnen waaraan beiden zich in hun jeugd laven. In 1858 sterft Zola’s grootmoeder, waarmee de laatste financiële steun voor zijn moeder verdwijnt. Paul vertrekt met zijn moeder naar Parijs.

Daar begint de briefwisseling, die, met flinke tussenpozen, decennia zou voortduren. Van de brieven is maar een deel bewaard, uit sommige jaren is er geen enkele brief over, uit andere perioden zijn alleen de brieven van Zola over, of omgekeerd. Soms schreven ze elkaar maanden niet, omdat ze in elkaars nabijheid verkeerden of omdat ze te zeer in beslag werden genomen door andere zaken. De bezorger van de Lettres croisées, Henri Mitterrand, heeft er dan ook voor gekozen de brieven in relevante perioden in te delen, en ieder deel van een uitgebreide toelichting te voorzien, waardoor de context van de afgedrukte brieven duidelijker wordt. Zo geeft ieder deel van de correspondentie dat de tijd heeft doorstaan een mooi beeld van de relatie tussen beiden mannen en de onderwerpen die hen bezighielden.

Gescheiden vrienden

De brieven uit de eerste jaren van hun scheiding – Zola zit in Parijs, Cézanne in Aix, beiden zijn nog geen twintig jaar – getuigen van een vrolijke kameraadschap: ze missen elkaar, ze zijn voortdurend benieuwd naar wat de ander doet en denkt, kijken uit naar de vakantie, ze schrijven elkaar lange epistels, Cézanne veelal op rijm. Al snel schrijft Zola over zijn geldzorgen, over de noodzaak een baantje te nemen bij de douane. Hoe kan hij zorgen dat hij te eten heeft en toch vrij blijven? Hij weidt uit over zijn schrijfplannen (‘over beginnende liefde’) en over boeken die hij leest (Dante, Ronsard, Boileau, Musset, Michelet, George Sand, Horace, Pétrarque, Shakespeare). Parijs bevalt Zola maar half: ‘Ici, avant le visage, il y a toujours un masque. Et lorsque vous avez démasqué un objet, il n’est pas sûr que ce que vous apercevez soit l’objet lui-même, c’est peut-être un second masque.’ Hij heeft zijn studie niet afgemaakt, voelt zich alleen en verdrietig, ‘je doute de tout, de moi-même en premier’. [1]

Cézanne wijst hij op Rembrandt, op Ary Scheffer. Steeds verzekert hij hem ervan dat hij in zijn talent gelooft, dat hij hem begrijpt. Hij filosofeert over de aard van de mens, over het huwelijk (‘de echtgenoot heeft een belangrijke taak, die zijn vrouw opnieuw op te voeden’), over de liefde, over vriendschap (‘ik klamp me wanhopig aan je vriendschap vast’) en over het kunstenaarschap (‘in de kunstenaar zitten twee mensen, de dichter en de arbeider. Je wordt als dichter geboren, je wordt arbeider’). Steeds vaker schrijft hij – voorbode van zijn latere journalistieke werk over kunst – over wat schilderkunst voor hem betekent, over zijn ‘amour du beau’. Soms geeft hij Cézanne indringend raad: hij moet vooral geen broodschilder worden, want wie voor de commercie schildert is verloren. Cézanne studeert rechten, onder druk van zijn vader, maar als hij werkelijk wil schilderen, schrijft Zola nogal belerend, dan moet hij daar echt voor gaan. Een keuze moet hij maken, ‘une chose ou l’autre’, ‘mais ne reste pas un être sans nom’. Over hoe hij dat zou moeten doen als zijn vader daarop zijn toelage zou intrekken, zwijgt Zola.

Voor alles bevestigen ze elkaar steeds weer hun vriendschap (‘nous nous connaissons trop parfaitement pour jamais nous détacher’ [2]) en denken ze terug aan hun gemeenschappelijke jeugd in de Provence. Nu al zit er een nostalgische toon in hun correspondentie: hun leven heeft al een draai genomen die hen met weemoed terug laat kijken op hun zorgeloze jaren onder de zon in Aix. Zola heeft al Cézannes brieven bewaard, schrijft hij, het zijn zijn jeugdherinneringen. Voor beiden volgen tropenjaren. Zola worstelt om rond te komen, Cézanne wordt kort gehouden door zijn vader, die zijn schilderambities dwarsboomt. Er zit voor beiden maar één ding op, doorbijten: ‘Travaillons, travaillons, c’est l’unique moyen d’y arriver.’ [3]

Werken, werken

In Parijs omringt Zola zich meer en meer met kunstenaars, gaat hij om met Manet, Monet, Degas, de gebroeders Goncourt, Georges Pajot en Marius Roux. Zijn artikelen over de nieuwe schilderkunst vinden steeds gretiger aftrek en hij ontwikkelt zich tot een bekend en gevreesd kunstcriticus. Dat neemt niet weg dat hij vaak op zwart zaad zit. Het succes komt pas met zijn derde naturalistische roman, Thérèse Raquin (1867), over een verdoemde liefde, moord en zelfmoord.

In de tussentijd woont Cézanne met één been in Aix, met het andere in Parijs. Met Zola bezoekt hij de Salons, waar de door een jury uitverkoren werken worden tentoongesteld. Ieder jaar stuurt hij een schilderij in, steeds wordt zijn werk geweigerd, terwijl dat van zijn collega’s Manet, Bazille, Sisley, Pissarro, Renoir, Fantin-Latour, Degas, Jongkind en Berthe Morisot wordt toegelaten.

Zola trouwt met zijn vriendin Alexandrine Meley; Cézanne kiest voor een leven met Marie-Hortense Fiquet, de vrouw die op een groot aantal van zijn schilderijen staat afgebeeld. Rewald merkt enigszins gemeen op dat zij ‘slechts aan het artistieke leven van haar man deelnam door eindeloos model voor hem te zitten’, ‘zonder te bewegen en zonder te spreken, wat een grote opgave voor haar geweest moet zijn’. Feit is dat Cézanne zijn vrouw niet op haar voordeligst afbeeldde, en dat hij haar bestaan, en dat van hun zoon, lang voor zijn autoritaire vader verborgen zou houden. Als Frankrijk in 1870 de oorlog verklaart aan Pruisen vluchten Zola en Cézanne naar het vissersdorp L’Estaque. Cézanne schildert verder, Zola reist naar Bordeaux en keert daarna naar Parijs terug. Hij komt terecht in de gewelddadige acties van de Commune de Paris, die volgen op de wapenstilstand. In de paar brieven die er uit die tijd over zijn, vertelt Zola aan Cézanne hoe twee maanden lang de kogels om zijn oren leken te vliegen: ‘nuit et jour la canon, vers la fin les obus sifflaient au dessus de ma tête dans mon jardin’. [4] Toch stopte hij niet één moment met werken.

Vervreemding

In de jaren erna blijft Cézanne vooral in het zuiden. Aan Zola vraagt hij of hij hem niet kan helpen aan een klein appartement in Marseille, ‘dans un quartier cependant où on n’assassine pas trop’ [5], waar hij Hortense wil onderbrengen terwijl hij zelf bij zijn ouders in Aix blijft wonen. Hij schildert obsessief het kalksteenmassief Montagne SainteVictoire en de rotspartijen die er deel van uitmaken. Hij leest veel: Racine, Baudelaire, Zola, Stendhal, maar ook de delen van de reeks Rougon-Macquart, waar Zola jaar na jaar aan werkt en die hij hem bij verschijning trouw toestuurt.

In het laatste deel van de correspondentie, van 1878 tot 1886, worden de brieven korter. Toch blijkt uit alles hun intieme band. In 1878 bijvoorbeeld vraagt de dan achtendertigjarige (!) Cézanne Zola om hulp nu zijn vader het bestaan van zijn vrouw en kind heeft ontdekt en hij vreest zijn toelage te verliezen. Zola stemt erin toe een tijdje geld te sturen aan Cézannes vrouw. En passant levert Cézanne commentaar op Une page d’amour, de achtste roman uit de Rougon-Macquart, die Zola hem heeft toegestuurd: ‘il me semble que c’est un tableau plus douce que le précédent, mais le tempérament ou force créatrice est toujours la même’. [6] In datzelfde jaar leest hij Histoire de la peinture en Italie van Stendhal. Naar aanleiding daarvan schrijft hij Zola dat hij binnenkort met hem wil bespreken of zijn mening, op het gebied van de schilderkunst, ‘als middel om gevoel uit te drukken niet eender is aan die van hemzelf’.

De laatst bekende brieven gaan veelal over vrienden of familieleden die zijn gestorven, lichamelijke ongemakken en voornemens en pogingen om elkaar te zien, vaak zonder succes. Op 11 maart 1885 bedankt Cézanne Zola voor het opsturen van Germinal, zijn meest recente roman. Hij sluit zijn bedankbriefje af met ‘je te souhaite bonne santé, pensant que le reste ne te manque point’. [7] Wat heeft Zola verder nog te wensen, suggereert Cézanne tussen de regels door. Twee jaar later, op 4 april 1886 schrijf Cézanne, naar aanleiding van Zola’s roman L’Œuvre, het beruchte briefje dat lang gold als ‘la lettre de rupture’:

‘Mon cher Émile, Je viens de revevoir L’Œuvre que tu as bien voulu m’adresser. Je remercie l’auteur des Rougon-Macquart de ce bon témoignage de souvenir, et je lui demande de me permettre de lui serrer la main en songeant aux anciennes années.

Tout à toi sous l’impression des temps écoulés,
Paul Cézanne’ [8]

Het werk en de breuk

Dit briefje en de breuk die hiermee ingezet zou zijn, houden kunsthistorici al lang bezig. Waarom zou juist L’Œuvre Cézanne kwetsen? Het is het veertiende deel van de reeks Rougon-Macquart, dat in 1886 verschijnt. Voor het eerst neemt Zola de kunstenaarswereld tot onderwerp, met als hoofdpersoon een ‘peintre maudit’, Claude Lantier. De roman opent met een nog altijd indrukwekkende scène waarin een jonge vrouw uit de provincie, net aangekomen in Parijs, door een stortbui wordt overvallen. Ze komt een jongeman tegen die medelijden met haar krijgt en haar voorstelt op zijn zolderkamer te overnachten. Het blijkt een jongeman met een passie voor schilderen. Als ze nog ligt te slapen, maakt hij snel een portret van de vrouw met wie hij – zo blijkt in het vervolg van de roman – zijn leven zal delen. In de ochtend verdwijnt het meisje naar de oude dame die haar in dienst heeft genomen als voorlezeres. Lantier, een personage uit een eerdere roman van Zola, is een jeugdvriend van schrijver Sandoz. Lantier strijdt voor een nieuwe vorm van schilderkunst en oogst, in tegenstelling tot zijn vrienden, geen enkel succes. Aan het eind van de roman maakt Lantier, vervreemd van zijn vrouw, door velen voor waanzinnig versleten, en werkend aan een immens schilderij, een eind aan zijn leven.

De roman doet sterk denken aan Le chef-d’oeuvre inconnu van Balzac, een favoriete roman van Cézanne. Het heeft in zekere zin dezelfde thematiek als L’Œuvre. Het zijn beiden, schrijft literatuurwetenschapper Sem Dresden in een essay over Zola en Cézanne, ‘Künstlerromans’, die zich kenmerken door het feit dat een mislukte kunstenaar er de hoofdpersoon van is. Sterker nog: het gaat om ‘mislukte kunstenaars die in én door hun mislukking groter worden dan allen die erin slagen een werk te voltooien’. Cézanne meende zich te herkennen in de mislukte en waanzinnig geworden schilder Lantier. Vandaar de koele toon, de afstandelijke aanspreektitel van Zola (‘l’auteur des Rougon-Macquart’) en het beroep op de voorbije jaren – als er iemand is die de jeugdherinneringen van Zola uit dit boek herkent, is het wel Cézanne, die er deelgenoot van was.

Velen hebben gespeculeerd over de betekenis van dit laatste briefje. Algemeen werd aangenomen dat het het einde betekende van hun contact. Ook de recente film Cézanne et moi van Danièle Thompson, die met prachtige beelden de jeugd en het Parijse leven van beide kunstenaars laat zien, werkt toe naar dit cruciale moment.

Het lijdt geen twijfel dat de reputatie van beide kunstenaars heeft geleden onder de roddels en getuigenissen van tijdgenoten. Zola-aanhangers en Cézanne-bewonderaars kruisen sindsdien de degens. Bezorger Henri Mitterand wijst er in zijn voorwoord op dat het hoog tijd was om de briefwisseling tussen de twee als aparte uitgave te publiceren, omdat Zola al meer dan een eeuw slachtoffer was van ‘gemene leugens en kwalijke roddels’. In zijn biografie van Cézanne, valt Cézanne-kenner Marcelin Pleynet daarentegen Zola aan, in felle bewoordingen. In L’Œuvre zou Zola nauwelijks verhuld laten zien wat hij van Cézanne dacht en ‘met een hatelijk, ja moorddadig geweld’ afstand nemen van alles wat de schilder vertegenwoordigt. L’Œuvre heeft alle getuigenissen over Cézanne beïnvloed, schrijft hij, alle herinneringen aan hem, alles wat er bekend is over zijn leven dateert van na de roman. En wat voor één: een vulgaire, haatdragende roman, die Cézanne voorgoed afschildert als een geniale, verwarde, onmachtige, waanzinnige schilder. [9]

Een van de eersten die de relatie tussen beiden intensief bestudeerde was de al genoemde Amerikaanse kunsthistoricus John Rewald. In zijn biografische studie Cézanne et Zola uit 1936 beschrijft hij nauwgezet het leven van en de verhouding tussen beide mannen. Ook hij leest het laatste briefje van Cézanne als een bericht waarin hij de vriendschap beëindigt. In een hoofdstuk voorafgaand aan de kwestie rond Zola’s roman L’Œuvre schetst hij hun karakter, en geeft hij informatie over de achtergrond en de context waarin de roman verscheen. Zola is, schrijft hij, in wezen altijd een ‘romantique’ gebleven, iemand die de ‘sentimentalité’ heeft behouden waarvan Cézanne zich van meet af aan heeft ontdaan. Zola werd altijd heen en weer geslingerd tussen de ‘sentimentele’ tendensen van zijn hart en de ‘naturalistische’ tendensen van zijn ‘esprit’. Die dubbelzinnigheid heeft Cézanne, als oudste vriend van Zola, altijd gevoeld, veronderstelt Rewald. Hij begreep de wetenschappelijke ambities van Zola, de reden waarom hij in zijn romans de sociale wetten en de erfelijkheid die de tijd bepaalden wilde laten gelden. Zola wilde die ‘wonden’ laten zien, zodat ze behandeld konden worden en hij zo kon bijdragen aan de reorganisatie van de maatschappij. [10] Zola won altijd het advies van zijn schildersvrienden in, alvorens zich publiekelijk uit te spreken over hun werk, volgens de criteria ‘van zijn eigen scheppingssysteem’. Cézanne daarentegen beoordeelde het werk van Zola nooit alleen ‘als schilder’. Er kon geen twijfel over bestaan, schrijft Rewald: elk van de vrienden hield meer van de man in de ander dan van de kunstenaar.

Kunstgeschiedenis als briefroman

In zijn voorbereidende aantekeningen geeft Zola al aan wat hij met L’Œuvre beoogt: hij wil zijn jeugdherinneringen gebruiken, ‘le souvenir est aujourd’hui l’unique joie où mon coeur se repose’, [11] schrijft hij nostalgisch. In een paar steekwoorden schrijft hij op wat de kern moet worden: ‘la passion, la bonhomie, la gaieté. Genèse de l’œuvre d’art (…) Lutte de la femme contre l’œuvre, l’enfantement de l’œuvre contre l’enfantement de la craie chair. Tout un groupe d’artistes’. [12] Voor die groep kunstenaars put hij uiteraard uit zijn vriendenkring. Iedereen denkt na verschijnen van de roman dan ook een stukje van zichzelf te herkennen. Over de hoofdpersoon, Claude Lantier, schrijft Zola dat hij via hem ‘de strijd van de kunstenaar tegen de natuur’ wil verbeelden, hij zal er zijn ‘vie intime de production’ vertellen, ‘die eeuwigdurende pijnlijke bevalling’, maar hij wil er drama aan toevoegen via zijn hoofdpersoon Claude, die nooit tevreden is, wanhopig omdat hij zijn genie niet tot uitdrukking kan brengen: geen ‘impuissant’ maar ‘een schepper met een te grote ambitie’. [13]

Het publiek leest in L’Œuvre Zola’s portret van zijn schildersvrienden, een hedendaagse geschiedenis van het impressionisme in romanvorm. Voor hen was Lantier een impressionistische schilder, een tijdgenoot, wiens scheppingskracht – geheel in de stijl van het naturalisme – werd ondermijnd door erfelijke factoren, waardoor hij waanzinnig werd. Lantier werd in eerste instantie geassocieerd met de enige toen bekende impressionistische schilder: Manet. Pas later, dankzij ‘indiscrétions littéraires’, vernamen lezers dat de auteur ‘morele trekken en artistieke ideeën’ van Cézanne aan zijn hoofdpersoon had gegeven. Zola’s vrienden waren van meet af aan niet blij met het beeld dat hij van hen gaf. Monet bijvoorbeeld vreest dat lezers uit het boek zullen afleiden dat Zola hen als mislukkelingen beschouwt, ‘j’ai les craintes qu’au moment d’arriver, les ennemis ne se servent de votre livre pour nous assommer’, schrijft hij in een brief aan Zola. [14]

Rewald is ervan overtuigd dat Cézanne meteen begreep dat hijzelf model had gestaan voor Zola’s Claude: hij was de mislukte schilder, het gefnuikte genie. Cézanne zou diep gekwetst zijn geweest in zijn trots en in zijn vriendschap, waarna hij het gewraakte briefje schreef. De twee mannen hebben elkaar daarna – hoogstwaarschijnlijk – niet meer gezien. In 1896 bracht Zola een bezoek aan Aix zonder Cézanne op te zoeken. Bekend is dat toen zijn tuinman Cézanne op een septemberochtend in 1902 vertelde dat Zola was gestorven, hij zich de hele dag in zijn atelier opsloot, ‘alleen met zijn verdriet’.

Met het heengaan van zijn vriend ging ook een deel van hemzelf heen. Dat is wat deze Lettres croisées laten zien. De openbaring voor de lezer van nu ligt wellicht niet zozeer in de ontdekking, in 2013, van dat briefje van 28 oktober 1887 waaruit blijkt dat de twee kunstenaars toch niet definitief met elkaar braken. Een veel grotere openbaring is de gedeelde ambitie, de vergelijkbare scheppingskracht die in zulke verschillende karakters zo anders tot uitdrukking komt, de zoektocht naar de juiste vorm en het verzet tegen de tijdgeest… maar vooral hoe deze kunstenaarsvrienden elkaar in dat alles decennialang trouw steunden en vooruithielpen.

Noten

[1] ‘Hier houdt iedereen altijd een masker voor. En als je ten slotte eens iets ontmaskert, is helemaal niet zeker of je het achterliggende zelf aanschouwt, of misschien een tweede masker’ … ‘ik twijfel aan alles, nog het meeste aan mezelf’

[2] ‘we kennen elkaar te goed om elkaar ooit los te laten’

[3] ‘Werken, werken, en nog eens werken; het is de enige manier om er te komen.’

[4] ‘dag en nacht kanongebulder, tegen het einde vlogen de kanonskogels zo over mijn hoofd mijn tuin in’

[5] ‘maar wel in een buurt waar wat minder gemoord wordt’

[6] ‘het komt me voor als een lieflijker tafereel dan het voorgaande, maar het temperament of de scheppingskracht is nog altijd dezelfde’

[7] ‘ik wens je een goede gezondheid, want aan de rest ontbreekt het je geenszins’

[8] ‘Mijn beste Émile, Ik heb zojuist L’Œuvre ontvangen dat je zo vriendelijk was me sturen. Ik dank de schrijver van de RougonMacquart voor deze mooie blijk van herinnering, en ik vraag hem of hij me toestaat hem de hand te schudden, denkend aan vroeger jaren, peinzend over vervlogen tijden, Paul Cézanne.’

[9] Marcelin Pleynet, Cézanne (2010), p. 50

[10] John Rewald, Cézanne et Zola (1936), p. 125

[11] ‘de herinnering is vandaag de dag het enige dat mijn hart met vreugde weet te vervullen’

[12] ‘hartstocht, goedmoedige vriendschap, vrolijkheid. De totstandkoming van het kunstwerk (…) De strijd van de vrouw tegen dat werk, het bevallen van het werk versus het bevallen van een kind. Een hele groep kunstenaars.’ (Uit: Plan de L’Œuvre, feuillet 1)

[13] Rewald, p. 130

[14] ‘ik vrees dat onze vijanden je boek, als het zo uitkomt, zullen gebruiken om ons af te maken’