Karl Polanyi, de grote transformatie


Karl Polanyi’s meesterwerk The Great Transformation spreekt drieënzeventig jaar na publicatie nog altijd tot de verbeelding. Naar verluid is het een van de favoriete boeken van de in ongenade gevallen oud-IMF-directeur Dominique Strauss-Kahn, maar het wordt net zo makkelijk aangehaald door anarchist, antropoloog en Occupy-activist David Graeber. Toch geniet het boek in Nederland maar matige bekendheid. Reden te meer om dit werk eens in perspectief te plaatsen aan de hand van een intellectuele biografie en een analyse van Polanyi’s andere werk. Door Tom Kayzel.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2017#5

  


Getuige de ondertitel wilde Polanyi met dit in 1944 gepubliceerde boek ‘de oorsprongen van onze tijd’ blootleggen, waarbij hij ‘onze tijd’ begreep als het tijdperk van de marktsamenleving. Hoewel Polanyi’s analyses vooral binnen de sociologie en antropologie erg invloedrijk zijn, prikkelt zijn voorspellende ondertoon het voorstellingsvermogen het meest. Het boek is namelijk niet alleen een sociaaleconomische geschiedenis van de marktsamenleving, maar biedt ook het vooruitzicht dat zij binnenkort zal verdwijnen. Dat deze voorspelling niet is uitgekomen maakt zijn analyse er niet eens minder actueel op.

Zo vaak als de naoorlogse ontwikkelingen door de lens van The Great Transformation gelezen zijn, zo onderbelicht bleef de rest van Polanyi’s oeuvre. De Britse politicoloog Gareth Dale heeft met zijn recente Karl Polanyi: A Life on the Left en Reconstructing Karl Polanyi willen laten zien hoe groot dat gemis eigenlijk is, want als we begrijpen hoe de lens is geslepen, begrijpen we ook beter wat we erdoor zien.

Jonge liberaal

Karl Polanyi wordt in 1886 geboren in Wenen, maar zijn intellectuele ontwikkeling begint in Budapest. Zijn vader, de rijke Joodse ondernemer Mihály Pollacsek, vestigt zich daar rond de eeuwwisseling. Pollacsek tracht zijn Joodse wortels achter zich te laten en volledig onderdeel te worden van de opkomende liberale burgerij van Hongarije. Om zich zo goed mogelijk aan te passen aan het prille, liberaal georiënteerde nationalisme voedt hij zijn kinderen in het Hongaars op, hoewel hij en zijn vrouw van huis uit Duits spreken. Karl en zijn broer groeien op in een intellectueel stimulerende omgeving, die ook belangrijke denkers als Karl Mannheim en György Lukács voortbracht.

In zijn studententijd, als hij zijn eerste stukken schrijft en begint te spreken voor progressieve studentenclubs, volgt Karl Polanyi de liberale lijn van zijn vader volledig. Hij predikt een vooruitgangsgeloof waarin een welwillende burgerij de achtergestelde, niet-geïndustrialiseerde delen van Hongarije snel uit onwetendheid verlost. Hierin past ook de op dat moment populaire opvatting dat de opheffing van handelsbarrières nationale economieën zo verweeft dat oorlogen tussen landen zo kostbaar worden dat staten er liever van af zullen zien. Conclusie: vrijhandel leidt tot wereldvrede.

Deze stelling leek bevestigd te worden door een lange afwezigheid van grote inter-Europese conflicten, maar de ongekende omvang en wreedheid van de Eerste Wereldoorlog maakten haar niet langer houdbaar. Polanyi had het als zijn nationale plicht gezien zich als vrijwilliger bij het leger te melden, maar het bleek precies deze oorlog die het ideaal van zijn vader aan het wankelen bracht. Hoe had de geopolitieke orde van vrijhandel zo snel kunnen omslaan in een oorlog op wereldschaal? Tegen het einde van de oorlog begint Polanyi het antwoord te zoeken in religieus geïnspireerde ideeën: de mens die tot zulke gruwelijkheid in staat is, moest wel in spiritueel verval zijn geraakt. En de oorsprong van dit verval moest te vinden zijn in de moderniteit zelf. Als Polanyi ernstig ziek wordt, en opgevangen in een protestants sanatorium, maakt hij een religieuze ontwaking door. Vanaf dat moment zal hij iedere zondag trouw de kerk bezoeken. Juist de niet-geïndustrialiseerde, ‘achterlijke’ samenleving werd nu zijn ideaal: kleine hechte gemeenschappen die nog niet moreel gecorrumpeerd waren door het grootstedelijke denken.

Dale laat in zijn biografie overtuigend zien dat deze vroege periode in Polanyi’s denken meer is dan de jeugdzonde van een socialistisch denker, ook al zal hij er later afstand van nemen. In zowel het liberalisme als het protestantisme vindt hij een individualistisch mensbeeld waar hij de rest van zijn schrijvend leven aan vast zal blijven houden. Hoewel de relatie tussen vrijhandel, wereldvrede en wereldoorlog nog vijfentwintig jaar een vraag blijft voor Polanyi, moeten we zijn religieuze periode volgens Dale juist zien als opstapje naar het antwoord dat The Great Transformation geeft. Het idee dat de moderne mens moreel vervreemd is en dat het liberalisme hiervoor verantwoordelijk is, zal daarin in seculiere termen vol tot uitdrukking komen.

Weense verwikkelingen 

Vanwege de politieke onrust in Hongarije vlucht Polanyi na de oorlog naar Wenen. Daar vindt hij werk als economisch journalist. De publieke economische debatten, waar grootheden als Ludwig von Mises, Joseph Schumpeter, Friedrich Hayek en Otto Neurath aan deelnemen, vormen Polanyi’s eigen schrijven. Daarbij is het succes van de sociaaldemocraten, die vanaf 1918 de Weense gemeenteraad in handen hebben, een grote bron van inspiratie, en zijn standpunten worden steeds linkser. Deze beweging wordt verder versterkt wanneer hij in 1923 trouwt met de communiste Ilona Duczyńska.

Hoewel Polanyi’s denken vaak wordt afgezet tegen dat van de Oostenrijkse school in de economie, waar onder anderen Hayek en Von Mises toe behoren, waren hun ideeën wel degelijk van grote invloed op Polanyi, zoals Reconstructing Karl Polanyi ook duidelijk laat zien. Neurath, Von Mises en Hayek benaderen de economie primair als markteconomie, dat wil zeggen: allen maken ruilverkeer en prijsvorming tot de kern van hun theoretische beschrijvingen van de economische werkelijkheid. Neurath, geïnspireerd door de planmatige economie van de oorlogsjaren, betoogt dat een grondige statistische analyse van de behoeftes van de consument de juiste prijs van een product kan bepalen. Von Mises en Hayek stellen daarentegen dat alleen in een vrije markt de correcte prijs kan ontstaan. Volgens Hayek is de economie te ingewikkeld en te groot om door statistici te laten beschrijven: het overzicht dat de consument zelf heeft over de prijzen van verschillende aanbieders, zou genoeg zijn om een marktevenwicht te laten ontstaan.

Polanyi volgt Hayeks redenering en is sceptisch over Neuraths ‘objectivistische’ benadering, maar is evengoed kritisch op Hayeks ‘subjectivistische’ aanpak: zou men enkel afgaan op de individuele kennis van prijzen, dan zouden producten gereduceerd worden tot hun monetaire waarde. Zelf stelt Polanyi een collectivistische of ‘intersubjectieve’ economische aanpak voor, waarin de waarde van goederen op meerdere manieren kan worden bepaald. Polanyi’s schoolvoorbeeld van zo’n collectivistische aanpak is de manier waarop de vakbeweging in staat is om de behoeftes van arbeiders te identificeren en hun belangen te formuleren. De juiste prijs en waarde van een product kan ook via een democratisch proces worden vastgesteld: producent en consument zouden in overleg en onderhandeling tot de juiste prijs kunnen komen. Hier ligt de kiem van een van Polanyi’s meest relevante inzichten: de economie is voor hem niet langer een van de politiek afgezonderde sfeer, zij is er juist een integraal onderdeel van.

Polanyi dicht de vakbeweging daarmee even spontane krachten toe als Hayek eerder de vrije markt. Vooral het Engelse guild socialism sprak tot zijn verbeelding. In dat model zijn alle industrieën staatsbezit, maar worden zij beheerd door onafhankelijke gildes die intern democratisch georganiseerd zijn. Gesterkt door het succes van de sociaaldemocraten in Oostenrijk, wiens leider Otto Bauer langs soortgelijke lijnen redeneert als Polanyi, ziet hij guild socialism als niet minder dan de logische uitkomst van de geschiedenis. Met het algemeen kiesrecht zou het een kwestie van tijd zijn totdat de sociaaldemocraten via het parlement de benodigde wetten konden doorvoeren.

Dale laat zowel in zijn biografie als in Reconstructing Karl Polanyi zien dat de tegenstelling die de jonge Polanyi zag tussen de moderne burgerij en de niet-geïndustrialiseerde bevolking enerzijds, en tussen liberale en religieuze gemeenschappen anderzijds, nu een economische dimensie krijgt via de tegenstelling tussen het vrijemarktdenken van de Oostenrijkse school en het guild socialism van de sociaaldemocraten. Wel denkt Polanyi nog altijd in termen van historisch ‘verval’ en koppelt hij het liberale vrijemarktdenken nog altijd aan de Eerste Wereldoorlog. Deze relatie weet Polanyi pas tijdens zijn volgende ballingschap helemaal uit te denken.

Vrije markt, utopie, fascisme 

Polanyi en Bauer onderschatten de weerstand die conservatieve en kapitalistische krachten boden tegen sociaaldemocratisch hervormingen. Ook waren ze te optimistisch over de neutraliteit van de staat jegens de opkomende arbeidersbewegingen. Zo goed als de staat was in het uitsluiten van de socialisten, zo slecht bleek zij in staat het opkomende fascisme weerstand te bieden. Aan het sociaaldemocratische bewind van Wenen komt in 1933 een einde als Engelbert Dollfuss met behulp van de semi-fascistische Heimwehr aan de macht komt en de socialisten uit Wenen verjaagt. In april van dat jaar vlucht Polanyi naar Londen.

Hoewel Polanyi in Londen moet zien rond te komen van kleine onderwijsbaantjes, vindt hij genoeg tijd om zijn argumenten over de verhouding tussen economie en democratie verder uit te werken – dat het moderne marktdenken de waarde van objecten tot hun prijs reduceert en zo blind is voor hun culturele, morele of religieuze waarde; en dat het moderne marktdenken de economie daarmee loskoppelt van (andere dan economische) gemeenschapswaarden. Geïnspireerd door Marx betoogt Polanyi dat de door de vrijemarktideologie bepleite reductie van waarde tot prijs de mens vervreemdt van hetgeen hij produceert, met gevaarlijke gevolgen. Polanyi’s belangrijkste voorbeeld is de hervorming van de Britse Poor laws in 1834, waarmee lokale en religieuze liefdadigheid voor de armen werd verboden ten gunste van een meer ‘marktstimulerende’ vorm van armenzorg, met snelle verpaupering en hongersnood tot gevolg.

Polanyi heeft met deze kritiek eindelijk de instrumenten in handen om te proberen de precieze relatie tussen wereldwijde vrijhandel en wereldoorlog te beschrijven. Hij erkent dat het vrijemarktideaal in eerste instantie voor vrede zorgt, maar ziet diezelfde markt ook als oorzaak van economische achteruitgang en sociale onrust. Polanyi illustreert deze ‘dubbele beweging’ aan de hand van de in 1871 ingevoerde goudstandaard. Deze internationale afspraak om een vaste goudprijs te hanteren zette wisselkoersen vast, wat de wereldhandel enorm bevorderde. Wereldwijde handelsbelangen maakten op hun beurt oorlog tussen westerse landen op eigen grondgebied (dus: de koloniën daargelaten) zeer onwaarschijnlijk. Tegelijkertijd werd de overheidsinvloed op marktprijzen echter drastisch verminderd. Als gevolg daarvan verloren overheden de middelen om te reageren als bijvoorbeeld boeren te weinig verdienden met hun oogstopbrengst, of als consumentenprijzen voor voedsel juist te hoog werden. Aan het eind van de negentiende eeuw voerden staten vanwege hun onvermogen burgers tegen hongersnood te beschermen dan ook protectionistische maatregelen in. Dat protectionisme dreef de spanningen tussen staten, aanvankelijk gedempt door de goedlopende wereldhandel, vervolgens weer op. Deze spanningen ziet Polanyi als voorwaarde voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De pacificerende werking van de markt bleek kortom een tijdelijke en politiek onhoudbare situatie, een utopie. Met het formuleren van die stelling heeft Polanyi zijn spirituele crisis omgesmeed tot een theorie over de crisis van het moderne economische denken.

De goudstandaard werd na de Eerste Wereldoorlog opnieuw ingevoerd, maar de economische crisis van de jaren dertig gooide roet in het eten. Duitsland, dat zich geconfronteerd zag met hyperin atie, moest onder internationale druk blijven volharden in zijn weinig succesvolle monetaire beleid. De economische malaise die volgde, bleek de ideale voedingsbodem voor het nationaalsocialisme. Een analyse van het opkomende fascisme in zijn eigen Oostenrijk bleek voor Polanyi het laatste puzzelstukje voor zijn The Great Transformation: elke keer dat een overheid de vrije markt te veel op zijn beloop laat, zal er een tegenbeweging op gang komen die de samenleving tracht te beschermen tegen de ergste uitwassen ervan. Deze tegenbeweging kan de vorm aannemen van protectionistische maatregelen of van socialisme, maar kan net zo goed van veel destructievere aard zijn, zoals de opkomst van het fascisme laat zien.

The Great Transformation verschijnt tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog. De wereld moet de gruwelijkheden van het naziregime nog in hun volle omvang gaan bevatten, en Polanyi is optimistisch gestemd. Het ogenschijnlijke succes van de Sovjet-Unie, de Amerikaanse New Deal en de populariteit van John Maynard Keynes doen hem geloven dat het vrijemarktdenken tot het verleden behoort en de planeconomie snel de overhand zal krijgen. Natuurlijk komt Polanyi er snel achter dat zijn voorspellingen niet uitkomen, integendeel: in de keynesiaanse praktijk blijken alle politieke doelen ondergeschikt te worden aan het hoofddoel, economische groei. Het resultaat is het omgekeerde van wat Polanyi voor ogen had: niet een integratie van de economie in de democratie, maar een integratie van de politiek in de economie.

Leven in een tijd van transformaties 

Wat leert Polanyi’s werk ons, zijn niet uitgekomen voorspelling ten spijt, over de huidige tijd? Geen vreemde vraag tegen de achtergrond van de eurocrisis en de hegemonie van het neoliberalisme (cf. Paul Teule en David Hollanders in dNBg 2017#4), de protectionistische bewegingen van Trump, de Brexit en de opkomst van extreemrechts. Toch is Dale in zijn boeken opvallend kritisch op de erfenis van Polanyi. Hij is sceptisch over pogingen het neoliberalisme vanuit Polanyi’s werk te bekritiseren, zoals Fred Block en Margaret Somers deden in The Power of Market Fundamentalism (Harvard UP 2014): omdat het neoliberalisme van de jaren dertig nogal verschilt van het huidige, en omdat – (zoals Foucault al betoogde) neoliberalisme niet betekent dat de overheid zich omwille van een utopie uit de markt terugtrekt maar het faciliteren van marktmechanismen juist als haar hoofdtaak gaat beschouwen.

Door de nadruk te leggen op Polanyi’s naïviteit ten aanzien van de neutraliteit van de staat, de Sovjet-Unie, of de keynesiaanse theorie, suggereert Dale dat Polanyi’s ideeën niet dezelfde kritische potentie hebben als die van, bijvoorbeeld, die andere ‘socialistische’ Karl. Maar daarmee spoelt hij het kind met het badwater weg, want een beter begrip van de verhouding van Polanyi’s denken tot de Oostenrijkse school biedt helder zicht op de veronderstellingen die schuilgaan achter onze hedendaagse economische praktijk, waaruit het vrijemarktdenken alle crises ten spijt nog lang niet is verdwenen.

Dale verlegt de aandacht naar de ontwikkeling van Polanyi’s denken over economie en democratie. Dat speelt geen hoofdrol in The Great Transformation, maar is toch verhelderend. Ware democratie is volgens Polanyi alleen mogelijk waar ingrijpende economische maatregelen de markt onderwerpen aan de politiek. Een democratie die economie als aparte sfeer behandelt, komt onvermijdelijk in de problemen, omdat uiteindelijk de economie over de politiek zal domineren. Terecht wijst Dale hier naar Polanyi’s invloed op Wolfgangs Streecks populaire Gekaufte Zeit – Die vertagte Krise des demokratischen Kapitalismus (Suhrkamp 2012). Ook daar vormt de ontwikkeling van het huidige financiële kapitalisme een obstakel voor democratie. Het Europese monetaire beleid, zo trekt Dale Polanyi’s analyse naar het heden door, ondermijnt de Europese democratie. Het schrikbeeld is daarbij natuurlijk de houdgreep waarin de Trojka de Griekse democratie heeft.

Het laatste woord over Polanyi is nog niet gezegd, zoveel is duidelijk. In een wereld waarin de markt het voornaamste model voor heel de menselijke ervaring is geworden, waarin financiële markten de wereldeconomie en politiek op losse schroeven zetten, en waarin morele, democratische stellingnames het afleggen tegen ‘economische feiten’, kan het geen kwaad om wat vaker door de bril van deze invloedrijke Europese denker te kijken.