Post-truth en terrorisme: schaduwzijden van de Verlichting?

Twee kwaden, typerend voor deze tijd: terrorisme en feitenvrijheid. Beide druisen in tegen minstens een deel van de verworvenheden van de Verlichting: het primaat van de rede en de op feiten gerichte waardering van het zelf-denken. De denkers Susan Neiman en Bettina Stangneth pleiten ter bestrijding van deze kwaden op verschillende manieren voor een herwaardering van deze Verlichtingswaarden. Jozef Waanders stelt vast dat van beide redeneringen er maar één de Verlichting weerbaar kan maken: degene die erkent dat zij óók die kwaden heeft voortgebracht. Door Jozef Waanders


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#5

  

De verworvenheden van de Verlichting, begrepen als prioriteit van de rede boven willekeur en redeloosheid en een op universalia gerichte waardering van het zelf-denken, staan van diverse zijden onder druk. Waar men in navolging van de Verlichting meende het kwaad uit te bannen door irrationaliteit te bestrijden met een samenspel van zelf-denken en feitenonderzoek, floreren nu, naar aanleiding van kwaden als terrorisme en feitenvrijheid, de autoritaire reflex en de algemene onwil zich tot de feiten te verhouden. De vooruitgangsgedachte die de Verlichting begeleidde, is in het geding.

Steeds vaker hebben we die inmiddels breed gedeelde analyse afgelopen jaren gehoord. Vorig jaar deden ook de filosofen Bettina Stangneth en Susan Neiman een duit in die zak. In Nederlandse vertaling verschenen van hun hand essays waarin ze de verhouding van de Verlichting tot hedendaagse kwaden als feitenvrijheid en terrorisme onderzoeken: Stangneths Het kwade denken en Neimans Verzet en rede in tijden van nepnieuws. Perspectief en analyse verschillen behoorlijk van elkaar. Neiman stelt simpelweg dat we van de Verlichting zijn afgedwaald en haar moeten rehabiliteren. Stangneth neemt daarmee geen genoegen: zij durft ook de vragen te stellen of terrorisme en feitenvrijheid (deels) begrepen kunnen worden als voortvloeiend uit de Verlichting en of de Verlichting om die reden niet een correctie behoeft die haar weerbaar maakt tegen kwaden die zij misschien zelf heeft voortgebracht. Welke perspectieven schetsen beide denkers? En welke analyse is het meest steekhoudend?

De antithese van het redelijkheidsideaal
Neiman pakt in haar manifest Verzet en rede in tijden van nepnieuws vooral de feitenvrijheid bij de kop. De voedingsbodem hiervoor zoekt zij in een specifieke lezing van het postmodernisme: in het spoor van Nietzsche en Foucault zou volgens haar een ‘metafysica van achterdocht’ ontstaan zijn, die achter ieder ideaal een vorm van eigenbelang vermoedt, en achter iedere aanspraak op waarheid een verborgen aanspraak op macht. Zo heeft het postmodernisme de Verlichting een van haar funderende principes (feitenonderzoek) ontnomen: ‘de waarheid’ zou immers uit het zicht verdwenen zijn. Het zelf-denken blijft als ander funderend Verlichtingprincipe weliswaar overeind, maar wordt volgens Neiman zonder waarheidsstreven richtingloos en kwetsbaar voor manipulatie, waardoor een wantrouwen kon worden gezaaid waarin nepnieuws en de stelselmatige verdachtmaking van reguliere media wortelschoten.

Neiman beschrijft vervolgens hoe de Amerikaanse alternatieve nieuwswebsite Breitbart dit postmoderne wantrouwen stelselmatig en bewust misbruikt heeft met de constructie van fake news. Oprichter Andrew Breitbart liet geen misverstand over zijn intenties bestaan: ‘ik voer’, zei hij, ‘oorlog om de controle over het Amerikaanse verhaal terug te winnen’. Zijn strijdmakker Mike Cernovich stelde in een interview in The New Yorker (31 oktober 2016): ‘Als alles een bedacht verhaal is, dan hebben we alternatieven nodig voor het dominante verhaal (…). Ik zie er niet uit als iemand die Lacan leest, toch?’ Als geen ander lijken zij te hebben begrepen wat Foucault schreef in De orde van het spreken (1988): ‘het spreken (le discours) vormt niet zomaar een vertaling van de strijd of van de stelsels van overheersing, maar het is hetgeen waarvoor en waarmee wij strijden, het is de macht waarvan wij ons meester trachten te maken.’ De Trump-verkiezing werd hun machtsgreep: Breitbart deed er alles aan om hem in het zadel te krijgen en zag met Steve Bannon een voormalig kopstuk benoemd worden (en weer vertrekken) als diens naaste adviseur. Inmiddels doet Bannon een verwoede poging de ‘trumpiaanse revolutie’ naar Europa te doen overslaan.

Dat lijkt geen mission impossible. In de hele westerse wereld hebben we immers al een opmars van denkers en politici gezien die de antithese lijken te belichamen van het verlichte redelijkheidsideaal. We hoeven daarvoor niet over de grens te kijken, ook in Nederland gonst het van complottheorieën: bijvoorbeeld over het ‘cultuurmarxisme’, dat heimelijk streeft naar de vernietiging van de westerse cultuur, of over de planmatige ‘homeopathische verdunning’ van het Nederlandse volk, die ervoor moet zorgen ‘dat er nooit meer een Nederlander zal bestaan’. En zelfs in het concreet-feitelijke geval dat er deeltjes van een BUK-raket gevonden worden in de lichamen van slachtoffers van de MH17-ramp, blijven hardnekkige pogingen bestaan om de onderzoeksconclusies over de toedracht van de ramp in een kwaad daglicht te stellen. Abstract of concreet, het betreffen geen van alle ‘banale’ versprekingen of vergissingen: bewust wordt met dergelijke samenzweringstheorieën geprobeerd het denken te manipuleren, vertrouwen te ondermijnen en twijfel te zaaien.

De ironie wil dat dergelijke kwaadwillenden vaak een beroep doen op de Verlichting: Thierry Baudet bijvoorbeeld noemde het benoemen van complottheorieën in de Volkskrant van 27 mei 2017 ‘een rem op de Verlichting’. Dat is, als we de Verlichting willen blijven begrijpen als het samenspel van zelf-denken met het streven naar feitenonderzoek, volstrekt bizar. Het welslagen van de Verlichting is dan immers afhankelijk van de evenwichtskunst tussen de subjectieve impuls van het zelf-denken enerzijds, en de gerichtheid op de ‘objectieve’ natuurlijke feitelijkheid anderzijds: een particuliere subjectiviteit die zich niet tot de ‘feiten’ wil verhouden leidt tot verzinsels en Schwärmerei, terwijl de louter voorgegeven dwingende objectiviteit (an sich) de vrijheid in gevaar brengt. Bovendien tast feitenvrijheid het onderlinge vertrouwen aan, dat juist in de Verlichting cruciaal geworden is. De zoektocht naar wat ‘waar’ zou kunnen zijn, vraagt (sinds de vanzelfsprekende objectiviteit daarvan in de kantiaanse filosofie verloren is gegaan) namelijk om een ‘gemeenschappelijk denken’: om een intersubjectieve dialoog in onderling vertrouwen. Alternatieve feiten zetten juist aan de wortel daarvan de bijl, doordat ze onze gemeenschappelijke referentiepunten en de legitimiteit van ons oordeelsvermogen ondermijnen. Daarmee staat de Verlichting juist heel nadrukkelijk op het spel: de onwil om de eigen overtuiging te toetsen aan de werkelijkheid raakt ‘in feite’ haar achilleshiel door geïsoleerde elementen uit de Verlichting, met een beroep op de Verlichting, tegen de Verlichting in te zetten.

Voor Neiman is duidelijk dat het postmodernisme, door de ondermijning van het ‘waarheidsstreven’, complotdenkers en des-informanten zelf hun wapens in handen gaf om zich (net als jihadisten) tegen de moderniteit te keren. Ook aan de wortel van hedendaagse identiteitspolitiek ligt volgens haar onze postmoderne huivering om universalia te onderschrijven, want ‘als de eisen van minderheden niet worden gezien als mensenrechten, maar als de rechten van specifieke groepen, wat verhindert een meerderheid dan om nadrukkelijk haar eigen rechten op te eisen?’ Daarom wil zij de universalia en het feitenonderzoek van de Verlichting rehabiliteren enziet ze identiteitspolitiek, terrorisme en feitenvrijheid als niet-Verlicht en antimodern. Het kwaad wordt daarmee nog steeds, net als door de klassieke Verlichtingsdenkers, gezien als dat wat buiten de rede bestaat, als een gebrek aan rede.

De kwade wil als medicijn tegen naïviteit
Stangneth ziet dat anders. In Het kwade denken plaatst zij bij de (morele) vooruitgangsgedachte, waarvan de Verlichting aanvankelijk vergezeld ging, nadrukkelijk vraagtekens. Uitgangspunt is namelijk dat die met de rede verbonden vooruitgangsgedachte ertoe geleid heeft dat we het kwaad sinds de Verlichting te veel buiten het denken zijn gaan zoeken, waardoor we blind zijn geworden voor het gewilde en beredeneerde kwaad dat in het denken zelf kan schuilen. Daarmee betoont Stangneth zich een erfgename van Immanuel Kant, die evenmin de illusie koesterde dat bevrijding uit onwetendheid automatisch tot bevrijding van het kwaad zou leiden – en daardoor volstrekt uit de toon viel in zijn door optimisme getekende Verlichtingstijd. Met zijn begrip ‘het radicale kwaad’ bedoelde Kant te zeggen dat de mens in de wortel (radix) altijd, en tegen beter weten in, voor het kwaad kan kiezen: dat de ‘kwaadaardige wil’ bestaat. Het kwaad was voor hem een wilsproblematiek en niet, zoals in zowel de premoderniteit als de Verlichting meestal werd gedacht, een kennisproblematiek. Stangneth neemt die kantiaanse gedachte over en confronteert de ‘verlichte’ lezer met de ongemakkelijke vraag: wat als het denken niet alleen een bevrijding van het kwaad in kan houden, maar evenzeer de keuze daarvoor?

Eerder stelde ze die vraag al op indringende wijze in haar reactie op Hannah Arendts beroemde Eichmann in Jerusalem: de banaliteit van het kwaad (1963). In Eichmann in Argentinië maakte ze aannemelijk dat Adolf Eichmann eigenlijk een heel slecht voorbeeld van de ‘banaliteit van het kwaad’ was. Het beeld van de onnadenkende, plichtsgetrouwe bureaucraat die de consequenties van zijn eigen daden niet had overzien, die intentie- en gedachteloos kwaad had begaan, was een pose die hij – in werkelijkheid een fanatieke nazi en antisemiet die tot aan zijn terechtstelling probeerde om een ‘contraverlichtingsprogramma voor de nieuwe tijd’ op papier te zetten – in Argentinië zorgvuldig geoefend had en gedurende zijn proces in Jeruzalem moeiteloos opvoerde. Arendt, die naar aanleiding van het Eichmann-proces schreef dat het ‘een treurige waarheid’ was ‘dat het meeste kwaad wordt gedaan door mensen die niet kiezen tussen goed of kwaad’, doorzag dat niet.

Volgens Stangneth construeerde Eichmann in Jeruzalem zijn eigen levensverhaal, anticiperend op het begrip en de welwillendheid waarvoor de Verlichtingstraditie zichzelf roemde. ‘Als we elke poging om het kwaad te begrijpen opgeven’, schreef Susan Neiman weliswaar in 2002 (kort na 9/11) in Het kwaad denken: een andere geschiedenis van de filosofie, ‘dan beroven we onszelf (…) van elke grond om het te bestrijden.’ Maar Stangneth laat in Het kwade denken juist de keerzijde van die attitude zien. Ons verlangen naar begrip maakt ons volgens haar ook kwetsbaar tegenover het kwaad: ‘iedereen’, zegt ze, ‘heeft wel een motief om het denken van daders te onderschatten’. Door het kwaad te zien als een ‘gebrek aan denken’, zijn we het zicht op het kwaad uit volle overtuiging kwijtgeraakt: ‘wie op het denken vertrouwt als zou dit altijd de juiste weg naar een goed leven wijzen, kan het kwaad alleen uit een andere richting verwachten’.

Stangneth verwacht het kwaad dus nadrukkelijk ook uit de richting van de rede, en wil de actualiteit vanuit die mogelijkheid doordenken. ‘Filosofie’, schrijft ze, ‘staat in deze eeuw gelijk aan verlichting zonder het geloof in de onschuld van het denken.’ De taak die de filosofie daarom in de eenentwintigste eeuw wacht, is volgens haar het kwaad in het denken te doorgronden. Dus wijdt ze het laatste deel van haar boek aan wat ze ‘academisch kwaad’ noemt. De precieze betekenis ervan blijft wat obscuur, maar het concept lijkt bedoeld als verzamelterm voor hedendaagse vormen vankwaadaardig denken waarin kennis en moraal bewust worden gemanipuleerd, en het denken van de moraal en de feiten wordt losgekoppeld. Dit denken creëert volgens Stangneth de randvoorwaarden voor, uiteindelijk, concreet kwaad.

Wie zich daaraan schuldig maakt, krijgt in dat slotdeel daarom een ongenadig pak slaag. Dat geldt vooral hun die het Verlichtingscredo ‘Sapere Aude!’ misbruiken om hun eigen opvattingen niet meer aan andere opvattingen te hoeven toetsen en het als wapen inzetten tegen een andere pijler van de Verlichting: de zoektocht naar feiten en wetenschappelijke kennis. De radicale particuliere subjectiviteit van degene voor wie alleen nog de eigen ervaring en het eigen oordeel geldt en die zich niet meer inspant om zich tot de werkelijkheid te verhouden, is volgens haar de kwaadaardigste perversie van de Verlichting: het leidt tot ontkenning van feiten en discreditering van de wetenschap. ‘Wie mondigheid opvat als de eis de eigen mening tegen elke invloed van buitenaf te beschermen’, schrijft Stangneth, ‘vindt simpelweg zijn weg niet meer naar de wereld.’

Die Verlichtingsperversie vinden we volgens Stangneth, weliswaar zonder het expliciete beroep op de Verlichting, ook terug in het terrorisme. De jihadist staat volgens Stangneth veel dichter bij het Verlichtingsideaal dan we geneigd zijn te denken, omdat hij bereid is zijn leven ondergeschikt te maken aan een missie waarvan hij ten diepste overtuigd is. Het maakbaarheidsdenken waaraan hij lijdt, is – zoals eerder ook John Gray in Zwarte mis stelde – westers en modern. In het jihadisme herkent Stangneth hetzelfde moderne verlangen naar zelfvervolmaking en een unieke helder afgebakende identiteit, dat ook schuilgaat achter veel complotdenken. In beide kampen is volgens haar een zorgelijke denktrant zichtbaar waarin rede en moraal doelbewust als kunstmatige tegenstanders van de eigen natuurlijke kracht terzijde worden geschoven. Is het in de complotcultus reden om voor ‘oikofoob’, lijder aan een ziekelijke zelfhaat, uitgemaakt te worden, in het hedendaagse jihadisme zou de keuze voor de rede juist een capitulatie voor het Westen betekenen. Maar, zo zegt Stangneth spottend, ‘wie ervoor kiest om zich op de rede te baseren “verwestert” net zomin als het Avondland “islamiseert” wanneer kinderen uit het Midden-Oosten een klaslokaal delen met kinderen van wie de overgrootouders oorlogen voor het vaderland uitvochten’.

Niet onze favoriete leeslijst
Anders dan Neiman heeft Stangneth dus nadrukkelijker oog voor wat in de Verlichtingstraditie zelf aan potentieel gebruiksmateriaal voor hedendaags kwaad verborgen ligt. En doordat de Verlichting het kwaad – in afwijking van Kant – uiteindelijk niet kon zien als mogelijk gewild, maakte ze zich daarvoor zelfs extra kwetsbaar. Bij Neiman gaat de Verlichting juist vrijuit en moeten vooral postmodernisme en materialisme het ontgelden – ondanks dat beide fenomenen deels ook begrepen kunnen worden als uitvloeisels van die Verlichting. Ze roept weliswaar op tot een terugkeer naar uitgerekend de enige Verlichtingsdenker die ook bij Stangneth vrijuit gaat, Kant, maar dat doet ze niet vanwege diens filosofie over de kwade wil. Ze hoopt met de terugkeer naar Kant het postmodernisme te overwinnen door universalia in ere te herstellen, en waarden weer centraal te stellen ten koste van het nooit verzadigde materialisme dat in het marxisme dominant is geworden. Méér Verlichting dus, als medicijn voor onze tijd.

Hoewel Stangneth ook voor meer Verlichting pleit, toont zij zich een trouwer volgelinge van Kant door een meer ‘volwassen’ Verlichting te eisen die de naïviteit is ontgroeid, weet heeft van de eigen schaduwzijden en de balans hervindt tussen zelf-denken en streven naar ‘objectiviteit’. Bovendien heeft Stangneth veel meer oog voor ‘moderne’ aspecten in terrorisme en feitenvrijheid; fenomenen die ze dus niet alleen interpreteert als een ‘gebrek aan Verlichting’ (zoals Neiman), maar als de geïsoleerde verabsolutering en radicalisering van bepaalde elementen uit het Verlichtingsdenken (zelfvervolmaking, zelf-denken en maakbaarheidsenken) ten koste van andere (streven naar wetenschappelijkheid, rede en moraal). Voor Neiman, kortom, lijkt de Verlichting alleen maar zegeningen te hebben gebracht. Voor Stangneth bracht ze vloek en zegen.

Stangneth reikt ons daarmee meer dan Neiman de middelen aan om zicht te krijgen op de gelaagdheid en ambiguïteit van ‘hedendaags kwaad’, en op de verwevenheid daarvan met (perverteringen of blinde vlekken van) de Verlichting. Het ‘verlichte idealisme’ waartoe Neiman op het einde van haar essay oproept, geeft daarvan geen rekenschap. Het zal immers niet veel helpen om complotdenkers erop te wijzen dat ze de feiten over het hoofd zien en evenmin valt te verwachten dat terroristen hun leven zullen beteren door ze erop te wijzen dat ze schatplichtig zijn aan de denktraditie die ze bestrijden. Als de Verlichting weerbaar wil zijn tegen wat haar teistert, moet ze weet hebben van haar eigen schaduwzijden en de naïviteit van een blind geloof in het ‘goede van de rede’. Stangneth stelde in een interview met Filosofie Magazine (30 juni 2017) daarom dat het niet langer pas geeft het kwaad te bagatelliseren door Trump of Poetin slechts als ‘halvegaren die niet goed genoeg kunnen nadenken’ weg te zetten, of door te geloven ‘dat terreurplegers gewoon wat langer in de schoolbanken hadden moeten zitten’. Als we het kwaad serieus willen nemen moeten we het ook in het denken doorgronden, en dus moeten we om te beginnen ook luisteren naar wat de ‘daders’ te zeggen hebben. Hoe verwerpelijk hun ideeën ook mogen zijn, ‘we moeten proberen te doorgronden wat deze mensen beweegt’. Daarom schrijft Stangneth ons het manifest van Breivik en de geschriften van jihadisten voor: ‘want pas als we begrijpen hoe ze denken, (…) kunnen we er adequaat op reageren. Hoe moet je het kwaad herkennen als je het negeert?’

Het is niet onze favoriete leeslijst. Maar wie wil begrijpen wat mensen drijft, moet zich verdiepen in hun ideeën – hoe pervers die ook zijn.