Geerten Waling aan Rob Hartmans, 28/1/2019

Rob Hartmans en Geerten Waling schrijven elkaar over twee biografieën: Remieg Aerts’ Thorbecke wil het: biografie van een staatsman en Jaap Verheuls De Atlantische pelgrim: John Lothrop Motley en de Amerikaanse ontdekking van Nederland. Waling: ‘Het mooiste aan een goede biografie is als die niet alleen een persoonsgeschiedenis begrijpt en doorvoelt, maar ook door het bekende ‘sleutelgat’ een blik biedt op de tijd waarin de geportretteerde leefde.’ Hartmans: ‘Toegegeven, met 886 bladzijden is Thorbecke natuurlijk een forse pil, maar jezus, mag het ook, bij de met afstand belangrijkste politicus van de negentiende eeuw?’


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Remieg Aerts, Thorbecke wil het: biografie van een staatsman (Bert Bakker 2018), 885 blz.
Jaap Verheul, De Atlantische pelgrim. John Lothrop Motley en de Amerikaanse ontdekking van Nederland (Boom 2017), 456 blz.

Essay uit dNBg 2019#1

Waarde Rob,

De biografie heb ik altijd een intrigerend genre gevonden. Als een voyeur laaft de lezer zich aan het intieme leven van een historische figuur, terwijl die daar zelf zelden om heeft gevraagd. Diens passies en angsten, successen en falen – de goede biograaf lepelt ze allemaal op in een invoelbaar portret. Het is een rijk genre bovendien, als je alleen al kijkt naar de geweldige Nederlandse biografieën die de afgelopen jaren verschijnen. In de topklasse bevinden zich, wat mij betreft, twee nieuwe en kloeke studies: Thorbecke wil het van Remieg Aerts en De Atlantische pelgrim van Jaap Verheul. De eerste is al zo gelauwerd dat introductie nauwelijks nodig is, de laatste is (onterecht) nog wat minder bekend: het hallucinante relaas over het leven en werk van John Lothrop Motley.

Het mooiste aan een goede biografie is als die niet alleen een persoonsgeschiedenis begrijpt en doorvoelt, maar ook door het bekende ‘sleutelgat’ een blik biedt op de tijd waarin de geportretteerde leefde. Verheul is er op bewonderenswaardige wijze in geslaagd om beide kanten te belichten. Motley (1814-1877) groeide op in de intellectuele elite van New England aan het begin van de negentiende eeuw, toen de Verenigde Staten nauwelijks de kinderschoenen waren ontgroeid. Zijn milieu is dat van de ‘brahmins’ van Boston, een term die Verheul speels overneemt van Motley’s vriend Oliver Wendell Holmes. Ondanks zijn droom om fictieschrijver te worden, wordt Motley achtereenvolgens diplomaat, essayist en (vooral) historicus, die niet alleen een grote rol speelde in de zelf(her)ontdekking van Amerika, maar die ook in Nederland grote invloed had op ons nationale zelfbeeld en de daarbij behorende geschiedschrijving.

Enerzijds stonden Motley en zijn mede-brahmins in de traditie van de Verlichting, met hun adoratie van de founding fathers (en van vooral hun stadgenoten, de intellectuele presidenten John en John Quincy Adams) en hun afkeer van de opkomende Democratische Partij van presidenten Andrew Jackson en James Polk, die als toenmalige Donald Trumps de staatsinstellingen van de jonge republiek voor het eerst echt op de proef stelden. Anderzijds stonden de brahmins sterk onder invloed van het romantische nationalisme, dat al met Goethe een trans-Atlantische lading had gekregen. Vergeet hierbij overigens ook niet, zou ik Verheul willen aanvullen, dat het heroïsche schilderij Washington Crossing the Delaware is gemaakt in Duitsland, nadat de Duits-Amerikaanse schilder Emanuel Leutze in 1848 begeesterd raakte door de revoluties aldaar. De nationale identiteit ging halverwege de negentiende eeuw nog, als revolutionair (links!) ideaal, hand in hand met vrijheid en gelijkheid.

Al was Motley in eigen land beslist een ‘republikein’, die de echte volksmacht vreesde, zijn patriottisme maakte hem in Europa geliefd onder aanhangers van de vooruitgang. In ieder geval bij de Engelse Whigs, de Nederlandse liberalen en de Franse historicus en minister Guizot. Die laatste zag, net als Motley, het protestantisme als katalysator van religieuze en politieke vrijheden – in het ontstaan van de Verenigde Staten, al eerder in het Verenigd Koninkrijk in de zeventiende eeuw, maar toch als eerste in de tachtig jaar durende Nederlandse Opstand. Dat was het cruciale kantelpunt waarin het ‘principe van tolerantie’ werd ‘veiliggesteld voor de andere Europese naties’, parafraseert Verheul (191). Dit is ook waar Motley zijn beroemdheid aan dankt: zijn portret van Willem van Oranje als vrijheidsstrijder, als generaal Washington van zijn tijd.

Die visie vervreemdde Motley onvermijdelijk van zijn aanvankelijke vriend Groen van Prinsterer, die in de Oranjeprins vooral de protestantse geloofsheld wilde zien. Interessanter is het dat hij met zijn werk wel Robert Fruin prikkelde tot een nieuwe visie op de Nederlandse ontstaansgeschiedenis, maar dat de twee liberalen verder uit elkaar lagen dan je zou verwachten. Waar Motley Karel V en Filips II afschilderde als tegenstanders van de vrijheid, waardeerde Fruin de vorsten juist als vormgevers van de centralistische, moderne staat en net zo goed als ‘grondleggers van de Nederlandse natie’ als Willem van Oranje. En ook katholieke historici gingen als reactie op Motley een eigen verhaal traceren in de Opstand. Zo heeft onze Amerikaanse outsider wel een belangrijke aanjagende rol gespeeld in de hernieuwde interesse voor het vroege nationale verleden, maar stond hij daarmee tevens aan de wieg van wat Jan Romein het ‘vergruisde beeld’ van de Opstand noemde (229-239).

De (her)ontdekking van Nederland door het Amerikaanse lezerspubliek, dat gretig elk epos van Motley’s hand verslond, zegt wellicht meer over het Amerikaanse zelfbeeld in die prille fase van natievorming dan over de Opstand als zodanig. Het was mooi geweest als Motley, en in ieder geval zijn biograaf, zich ook hadden verdiept in de daadwerkelijke invloed van de Nederlandse Opstand op de Amerikaanse Revolutie. Die hadden meer gemeen dan alleen uiterlijke verschijning, denk alleen al aan het Plakkaat van Verlatinghe en de Unie van Utrecht, die zowel in positieve als in negatieve zin de founding fathers tot voorbeeld strekten, maar dat alles blijft in De Atlantische pelgrim helaas onderbelicht.

Verrassend genoeg is niet duidelijk of Motley contact had met Thorbecke, of dat de twee elkaars geschriften lazen, want noch bij Verheul noch bij Aerts wordt van enige wederzijdse invloed gerept. Dit terwijl ze op het gebied van liberalisme, de modernisering van staatsinstellingen en ook de Duitse Romantiek zeker veel gemeen hadden – en in Den Haag veel kennissen en zelfs vrienden deelden. Wel rijst uit Aerts’ biografie het beeld op van Johan Rudolf Thorbecke (1798-1872) als een dwarse, nukkige man die liever zelf het wiel uitvond dan zich te verdiepen in het ontwerp van anderen. Overigens maken de vormelijke en ambtelijke droogheid van de hoofdpersoon, anders dan bij de Motley-biografie, van Thorbecke wil het wel een bij vlagen slaapverwekkende opsomming van feitelijkheden – de eloquentie en ironie van de biograaf ten spijt.

Thorbecke, de in Duitsland geschoolde filosoof van bescheiden komaf, die zich vervolgens ontwikkelde als historicus, jurist en pas vrij laat als staatsman, interesseerde zich aanvankelijk evengoed voor het fenomeen ‘revolutie’. Met geestverwant Guizot – in wie we andermaal een mogelijke schakel vinden met Motley – was hij geïnteresseerd in de achtergrond van de Franse Revolutie, die veel radicaler maar minder vernieuwend was uitgepakt dan de Engelse revoluties uit de zeventiende eeuw. Guizot zocht de verklaring in het protestantisme, terwijl Thorbecke de Engelse vernieuwingsdrang op één lijn plaatste met de Nederlandse Opstand.

Helaas meldt Aerts (165) dat Thorbecke deze gedachte niet uitwerkt, maar zich in plaats daarvan verliest in een tirade tegen het protestantisme als staatskerk – waaruit we mogen opmaken dat Thorbecke nog veel meer dan Motley en Guizot geïnteresseerd was in heden en toekomst. Het verleden is daarbij van ondergeschikt belang, ook, zo blijkt meermaals in de biografie, omdat Thorbecke zich bewust was van de grilligheid van de geschiedenis, waarin geen enkele garantie was te vinden voor de toekomst. In dat realisme kunnen jij en ik ons waarschijnlijk wel vinden, al denk ik dat de historische ontwikkeling van ideeën, instituties en gewoonten die de ‘politieke cultuur’ vormen niet moet worden onderschat.

Overigens blijkt Thorbecke ook een pragmaticus, want hoewel hij net als de conservatieve Groen van Prinsterer uiterst sceptisch staat tegenover revoluties, ziet hij ze wel als stok achter de deur om de nodige hervormingen door te voeren. ‘In Thorbeckes geschiedvoorstelling kwam het er steeds op aan het juiste moment te vatten,’ schrijft Aerts (p. 325). Als je leest hoe vernuftig Thorbecke de publieke opinie, het parlement en koning Willem II bespeelde om uiteindelijk in 1848 zijn slag te kunnen slaan met de grondwetsherziening, dan kun je niet anders concluderen dan dat hij veel heeft geleerd van de geschiedenis. Wat kunnen wij daar op onze beurt weer van leren, Rob? Ik reik mijn hals naar je antwoord.

Hartelijks,

Geerten


Lees de brief van Rob Hartmans hier.

Lees de hele correspondentie tussen Rob Hartmans en Geerten Waling hier.