Rob Hartmans aan Geerten Waling, 28/1/2019

Rob Hartmans en Geerten Waling schrijven elkaar over twee biografieën: Remieg Aerts’ Thorbecke wil het: biografie van een staatsman en Jaap Verheuls De Atlantische pelgrim: John Lothrop Motley en de Amerikaanse ontdekking van Nederland. Waling: ‘Het mooiste aan een goede biografie is als die niet alleen een persoonsgeschiedenis begrijpt en doorvoelt, maar ook door het bekende ‘sleutelgat’ een blik biedt op de tijd waarin de geportretteerde leefde.’ Hartmans: ‘Toegegeven, met 886 bladzijden is Thorbecke natuurlijk een forse pil, maar jezus, mag het ook, bij de met afstand belangrijkste politicus van de negentiende eeuw?’


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Remieg Aerts, Thorbecke wil het: biografie van een staatsman (Bert Bakker 2018), 885 blz.
Jaap Verheul, De Atlantische pelgrim. John Lothrop Motley en de Amerikaanse ontdekking van Nederland (Boom 2017), 456 blz.

Essay uit dNBg 2019#1

Beste Geerten,

Een jaar of twintig geleden las ik het berichtje dat nergens ter wereld zoveel biografieën verschenen als op IJsland. Het internet had onze wereld nog niet op z’n kop gezet en de lange, donkere winters zorgden voor een enorme honger naar boeken. En aangezien IJslanders net zo nieuwsgierig zijn als wij, was het biografische genre daar enorm in trek. Omdat de bevolking van dat barre, noordelijke oord niet erg talrijk is, verschenen er, om aan de vraag te kunnen voldoen, tal van levensbeschrijvingen van kleuterjuffen, meubelmakers, vissers en allerlei andere figuren die in dichter bevolkte landen nimmer een biografie zouden krijgen.

In Nederland begon de biografie pas tegen het einde van de jaren tachtig aan een opmars. Lange tijd werd dit immers gezien als een bij uitstek onwetenschappelijk, om niet te zeggen suspect genre. De biografie zou slechts tegemoetkomen aan het voyeurisme van de lezer en juist het zicht belemmeren op de ‘echte’ geschiedenis. Ik herinner me dat een drietal auteurs dat eerst een monografie had geschreven over de staatkundige denkbeelden van Troelstra vervolgens met een biografische schets van 200 bladzijden van de roemruchte SDAP-leider kwam. Ze haastten zich in de inleiding van dat laatste boek te verklaren dat dit geen echte biografie was, en dat die er wat hen betreft ook niet hoefde te komen: ‘De moeite, nodig om alle archieven, kamerstukken en kranten door te nemen voor de beschrijving van één politiek leven, is te groot.’ [1]

Sindsdien is het tij drastisch gekeerd en worden we zelfs geconfronteerd met een ware tsunami van levensbeschrijvingen, waardoor ik af en toe de indruk krijg dat we IJsland achternagaan. Ik ben weliswaar nog niet veel biografieën van kleuterjuffen of haringvissers tegengekomen – hoewel je tegenwoordig in de boekhandel wel je nek breekt over ‘familiegeschiedenissen’ van hele geslachten van baggeraars, tapijtwevers, fietsenmakers en andere steunpilaren van de samenleving – maar het aantal boeken over zesderangs schrijvers of politici van het derde garnituur neemt inmiddels wel angstwekkende vormen aan. We hebben – om me even te beperken tot de politieke stroming waar ik het meest vanaf weet – heel lang moeten wachten op de biografieën van Troelstra en Drees, maar zaten we nu werkelijk verlegen om boeken over Han Lammers, André van de Louw of Maarten van Traa?

Bovendien zijn veel biografieën gewoon veel te dik. Verzamelde gedichten van Vasalis telt 196 bladzijden, maar haar biografie niet minder dan 966. En de levensbeschrijving van Jo Otten – Jo wie? zul je ongetwijfeld roepen, wat niet zo vreemd is, want deze even chagrijnige als pretentieuze literator schreef één matige novelle, een handvol verhalen en recensies plus een proefschrift over Mussolini’s staatsbestel – telt ook nog 814 pagina’s. Het absolute klapstuk is natuurlijk de tweedelige, in totaal 2510 bladzijden tellende biografie van Lodewijk van Deyssel door Harry Prick. Voor één keer is dat natuurlijk wel grappig, een soort gimmick, maar het verdient mijns inziens geen navolging.

Wat dat betreft zijn de twee door jou aangedragen biografieën veel fatsoenlijker van omvang. Toegegeven, met 886 bladzijden is Thorbecke natuurlijk een forse pil, maar jezus, mag het ook, bij de met afstand belangrijkste politicus van de negentiende eeuw? En bovendien is het vergeleken met de vijfdelige, in totaal 2635 bladzijden tellende biografie van Willem Drees door Hans Daalder en Jelle Gaemers nog een zeer slank boek. Belangrijker is dat het een veel levendiger en beter geschreven boek is dan die eindeloze banden over de oude Drees. Ik vond het boek overigens geen moment slaapverwekkend en ik heb vooral erg genoten van de passages waarin Thorbecke wordt afgeschilderd als uiterst bekwaam manipulator. Geweldig vond ik bijvoorbeeld hoe hij rond 1840 allerlei anonieme stukken schreef over de hoognodige grondwetsherziening, waarbij hij niet schroomde om daar zelf weer anoniem commentaar op te leveren en regelmatig te verwijzen naar de uiterst belangrijke inzichten die waren geformuleerd door de Leidse hoogleraar… Johan Rudolf Thorbecke. Je ziet meteen voor je hoe hij, had hij nu geleefd, achter zijn computer zou zitten om zijn eigen Wikipediapagina aan te passen of ‘likes’ te plaatsen bij zijn eigen Facebookposts – Thorbecke als de negentiende-eeuwse Dotan!

Het boek over Motley, waarmee Verheul overigens wel mooi de Boerhave Biografie Prijs 2018 heeft gewonnen, telt niet meer dan 440 bladzijden. Eigenlijk vind ik dat wel zo’n beetje de ideale lengte voor een biografie. Natuurlijk zijn er altijd giganten die onmogelijk in dit bestek kunnen worden behandeld, maar over verreweg de meeste politici, schrijvers, intellectuelen, wetenschappers of ondernemers kun je binnen deze omvang wel het essentiële zeggen.

Ook dit boek heb ik met veel plezier gelezen, waarbij ik het vooral interessant vond hoe Motley als een soort verbindingsofficier tussen Europa en Amerika fungeerde. Een opmerkelijk vriend van hem die je niet noemt, was Otto von Bismarck, die hij leerde kennen toen hij in Göttingen studeerde en met wie hij later in Berlijn in hetzelfde huis woorde. Motley portretteerde hem in zijn, volgens Verheul danig mislukte, roman Morton’s Hope uit 1839 en zou tot aan zijn dood in 1877 bevriend blijven met Bismarck. Deze was inmiddels kanselier van het Duitse keizerrijk geworden en had volgens Motley bijgedragen aan ‘de vervanging van de gelatiniseerde Keltische door een degelijke, gezonde Teutoonse invloed’, zodat Midden-Europa nu werd beheerst door ‘een verenigde natie van diepe denkers en de oprechte, eerlijke strijders voor vrijheid en vaderland’ (329-330).

Vrijheid en vaderland, liberalisme en nationalisme – in de negentiende eeuw zagen velen daar geen onoverbrugbare kloof tussen. En er was natuurlijk ook wel sprake van een logisch verband. Het liberalisme verzette zich immers tegen de machtsaanspraken van monarchen en overige aristocraten, wier familiale netwerken zich over de verschillende nationale grenzen uitstrekten en bij wie het belang van de eigen dynastieën met grote afstand voor dat van de natie ging. Denk aan de latere koning Willem I, die toen het ernaar uitzag dat zijn aanspraken op Nederland kansloos waren ter compensatie aan Napoleon om Duitse gebieden vroeg. Of neem Leopold van Saksen-Coburg en Gotha, die voor hij koning der Belgen werd eerst zijn kaarten op Groot-Brittannië had gezet (door met de kroonprinses te trouwen) en vervolgens pogingen deed om koning van Griekenland te worden.

De opkomende burgerij identificeerde zich daarentegen veel sterker met de natiestaat. Bij de negentiende-eeuwse liberalen gingen burgerzin en nationalisme, en zij lieten zich er graag op voorstaan dat zij de belangen van de hele natie vertegenwoordigden. In hun ogen waren liberalisme en gemeenschapszin in feite identiek. (Het idee dat liberalisme vanouds hetzelfde was als ongebreideld individualisme is een a-historische misvatting). Verderop in die eeuw, als democratiseringstendensen ertoe leiden dat machthebbers een nieuwe legitimatie zoeken, zie je dat het nationalisme steeds vaker gekaapt wordt door conservatieve en monarchistische groeperingen. Dan krijgt het een quasireligieus, messianistisch karakter, waardoor het sterke overeenkomsten vertoont met het opkomende socialisme. [2]

Het nationalisme werd, om met Julien Benda te spreken, een van de ‘politieke driften’, die vrij gemakkelijk resulteerden in ‘politieke haat’. In zijn pas onlangs, na ruim zeventig jaar, in het Nederlands vertaalde La Trahison des Clercs beschreef hij hoe ‘volken hun eigenwaarde niet meer alleen ontlenen aan hun materiële staat, hun militaire kracht, hun territoriale bezit en hun economische rijkdom, maar ook aan hun morele wezen’. [3] De eigen taal, kunst, literatuur, filosofie, traditie, geschiedenis en noem maar op, werd gezien als superieur ten opzichte van die van andere volken. Dit maakte een energie en geestdrift los – het woord ‘begeestering’ werd door wijlen Martin van Amerongen altijd geschrapt omdat het in zijn ogen ‘een germanisme in de grote herenmaten’ was – die ertoe leidden dat oorlogen veel massaler, bloederiger en langduriger werden dan in de tijd dat ze voornamelijk gevoerd werden door vorsten die primair uit waren op territoriale uitbreiding.

Op het eind van je brief vraag je wat wij van de geschiedenis kunnen leren. Hoewel we deze correspondentie een jaar geleden begonnen met Guicciardini, die van mening was dat er uit de geschiedenis geen wetmatigheden en regels zijn af te leiden, omdat situaties altijd van elkaar verschillen, denk ik dat het gevaar van de verheerlijking van het eigen volk, de eigen cultuur, de eigen traditie, nooit onderschat mag worden. Maar wanneer je dat tegenwoordig zegt, verwijten sommigen je onmiddellijk een weg-met-ons-mentaliteit. Mij lijkt dat onzin, maar wellicht denk jij daar toch anders over.

Met hartelijke groet,

Rob


Noten

[1]Ernest Hueting, Frits de Jong Edz. en Rob Ney, Ik moet, het is mijn roeping. Een politieke biografie van Pieter Jelles Troelstra (Amsterdam 1981), p. 10.

 [2]Een briljant boek hierover is het hier helaas weinig bekende The Myth of the Nation and the Vision of Revolution. The Origins of Ideological Polarization in the 20th Century van Jacob L. Talmon (Londen 1980).

 [3]Julien Benda, Het verraad van de intellectuelen (Amsterdam 2018), p. 64.


Lees de brief van Rob Hartmans hier.

Lees de hele correspondentie tussen Rob Hartmans en Geerten Waling hier.