Vivaldi’s vernieuwing: Juditha Triumphans

Een Venetiaanse priester, een onwaarschijnlijke muzikale ontdekking en een bloederige onthoofding: Jan van den Bossche en Diederik Burgersdijk duiken in de geschiedenis en betekenis van Juditha Triumphans, Antonio Vivaldi’s enige overgeleverde oratorium, dat momenteel voor het eerst als opera in Nederland wordt uitgevoerd. Donderdag 7 februari 2019 is de laatste voorstelling te zien bij De Nationale Opera. 


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Een van de grote verrassingen dit seizoen bij De Nationale Opera is het oratorium van Vivaldi’s Juditha Triumphans, onder leiding van de Italiaanse klavecinist en dirigent Andrea Marcon en in een regie van Floris Visser, die hiermee zijn debuut maakt in de grote zaal van De Nationale Opera. De verrassing, behalve dat het een zeer geslaagde uitvoering betreft, is er in gelegen dat dit als oratorium geschreven werk voor de eerste keer op Nederlands toneel als opera wordt uitgevoerd. Antonio Vivaldi (1678-1741) schreef naar eigen zeggen 94 opera’s en vermoedelijk vier oratoria, maar hij is vooral bekend vanwege zijn talloze concerti en een handvol liturgische vocale werken, zoals het Gloria. De laatste twee vormen hebben zich in Nederland in een grote populariteit mogen verheugen, maar Vivaldi’s opera’s en oratoria vooralsnog niet.

Juditha is van Vivaldi’s vier oratoria het enige overgeleverde. De geschiedenis van die overlevering is bijzonder. Bijna honderd jaar geleden, in de herfst van 1926, ontdekten de paters Salesianen van een kostschool in het Noord-Italiaanse Piemonte een grote verzameling muzikale manuscripten in hun archieven. Ze namen contact op met de Nationale Bibliotheek in Turijn om de waarde van de stukken te laten beoordelen. Hun plan was om de collectie te koop aan te bieden, want ze konden het geld goed gebruiken. Het materiaal werd ter beoordeling toegestuurd aan ene doctor Alberto Gentili, professor in de muziekgeschiedenis aan de Universiteit van Turijn. Toen Gentili het eerste krat opende, had hij al snel in de gaten wat hij voor zich had. Het ene na het andere manuscript van Antonio Vivaldi kwam tevoorschijn.

Deze spectaculaire schat mocht niet op de antiekmarkt versnipperd raken. Met veel diplomatie en behendigheid kreeg Gentili de nodige fondsen bij elkaar om de volledige collectie van 97 delen van de Salesianen voor de universiteitsbibliotheek te laten aankopen. Bij nader inzien leek de collectie overigens niet volledig te zijn. Verder onderzoek leidde tot de conclusie dat de oorspronkelijke collectie afkomstig was van de achttiende-eeuwse graaf Giacomo Durazzo, de Oostenrijkse ambassadeur in Venetië en broodheer van Gluck. Het ontbrekende deel werd na veel detectivewerk teruggevonden bij een van graaf Durazzo’s nazaten. Opnieuw moest Gentili veel tact en geduld aan de dag leggen om het restant van de Vivaldi-schat voor de Turijnse bibliotheek te verwerven. Maar uiteindelijk slaagde hij erin de 319 delen van de volledige collectie weer bij elkaar te brengen.

De vondst luidde een ware Vivaldi-renaissance in, die in 1939 een eerste hoogtepunt beleefde met een Vivaldi-week in Siena. Tijdens die week werd overigens ook Juditha Triumphans uitgevoerd. Voortaan zouden we Vivaldi niet enkel meer kennen als de componist van vijfhonderd concerti – of zoals Stravinsky zou hebben gezegd, vijfhonderd keer hetzelfde concerto. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog betekende een onderbreking in de herontdekking van zijn geweldige repertoire die pas decennia later, met de opkomst van de historische uitvoeringspraktijk, weer op gang kwam. Nadat in de jaren zeventig en tachtig de instrumentale muziek van Vivaldi werd afgestoft en we meer leerden kennen dan De vier jaargetijden, waren vanaf de jaren negentig eindelijk ook zijn fenomenale opera’s en zijn vocale religieuze muziek aan de beurt.

Dubbele overwinning
Vivaldi was priester in Venetië, en werkte aan een religieuze instelling, dus hij schreef allicht ook muziek voor de kerk. Er is een vijftigtal religieuze werken van hem bekend, waaronder het populaire Gloria. Zijn enige bewaard gebleven oratorium Juditha Triumphans is een van de mooiste en meest uitgebreide werken uit de Turijnse collectie. Vivaldi schreef het in 1716, toen hij als muzikaal leider verbonden was aan het Ospedale della Pietà, een weeshuis voor meisjes dat tegelijkertijd dienstdeed als muziekschool en internationaal bekend stond om de hoge kwaliteit van zijn uitvoeringen. Het is dus waarschijnlijk geen toeval dat Vivaldi’s keuze viel op een verhaal met een sterke vrouw in de hoofdrol: Judith was een rolmodel voor de meisjes van het internaat.

Vivaldi’s librettist Giacomo Cassetti haalde de tekst voor het verhaal uit het Oude Testament, en wel uit de zogenaamd deuterocanonieke boeken. Dat zijn de boeken die de katholieke kerk in tegenstelling tot de meeste protestantse kerken als vast onderdeel van de Heilige Schrift beschouwt. Het verhaal speelt tijdens de belegering van de stad Bethulia door het leger van de Assyriërs. Judith is een jonge en vrome joodse weduwe die de stad wil redden. Daartoe trekt ze haar mooiste kleren aan en begeeft zich samen met haar dienstmaagd Abra in het kamp van de vijand om met aanvoerder Holofernes over de vrede te onderhandelen. Holofernes wordt verliefd, organiseert een feest voor haar en valt dronken in slaap, waarop Judith van de gelegenheid gebruikmaakt door Holofernes met zijn eigen zwaard te onthoofden. Wanneer Vagaus, de dienaar van Holofernes, het lichaam van zijn meester ontdekt en alarm slaat, zijn Judith en Abra het kamp al ontvlucht. De joden zien hun kans schoon om het ontredderde en Assyrische leger aan te vallen en te verdrijven.

Het epitheton triumphans komt maar een keer in de tekst van het oratorium voor, in een recitatief van de joodse hogepriester Ozias: Venit Juditha venit, Et Juditha triumphans. (‘Daar komt Judith, zegevierend’). Dit is vlak na de aria van Holofernes’ handlanger Vagao, waarin hij op klassieke wijze de wraakgodinnen aanroept: Armatae face et anguibus (‘Gewapend met fakkels en slangen…’). Deze aria is bekend geworden door de vertolkingen die Cecilia Bartoli ervan gaf. Judiths zegevieren betreft niet alleen de onthoofding van de vijandige legeraanvoerder, maar behelst veel meer aspecten van overwinning: de bewoners van de stad Bethulia hebben immers de droogte en hongersnood doorstaan die was veroorzaakt door de belegering, en zij hebben zich niet hoeven bezondigen aan niet-koosjer voedsel. Dat zou onherroepelijk Gods steun hebben beëindigd, met de ondergang van de stad als gevolg. De hogepriesters, zo weten wij uit het Bijbelboek, voorspelden immers de overgave als de hoogste God niet binnen vijf dagen hulp zou bieden – een houding die voor de ijzeren weduwe Judith van grote slapte getuigde.

Een tweede betekenis van ‘zegevierend’ komt voort uit het feit dat Judith weliswaar naar het vijandige kamp overloopt om zich aan Holofernes te geven, maar uiteindelijk niet aan hem hoeft toe te geven. Allereerst weigert zij het niet-koosjere eten dat Holofernes haar voorschotelt tot zich te nemen. Ook weigert zij in eerste instantie seks met hem te hebben. Later is Holofernes kennelijk zo bedwelmd door de ontstellende schoonheid die hij in zijn tent aantreft dat hij te veel drinkt en in slaap valt. Judith hoeft zich nu alleen maar standvastig te betonen, onthoofdt haar vijand en stopt met hulp van Abra de buit in de zak die zij voor haar eigen voedsel had meegenomen. Dit motief raakt aan klassieke voorbeelden zoals het hoofd van de Perzische koning Cyrus in de bloedende zak van zijn overwinnaar koningin Tomyris, of van koningin Zenobia die haar Perzische tegenstander Jadhima dood liet bloeden.

Nu was die bloederige geschiedenis Judiths zaak niet: zij had de vijandige legeraanvoerder gedood en zo Bethulia en uiteindelijk het hele joodse volk gered. Maar onze zaak is het wel: is de gruwelijke moord op een vijandige vorst (of eigenlijk diens generaal, want Holofernes’ baas was Nebukadnezar te Babylon) geen belemmering voor een stichtelijk verhaal, dat bovendien uitgevoerd werd door de meisjes van het Ospedale della Pietà? Die kwestie wordt op geen enkele manier gethematiseerd of geproblematiseerd in het libretto: vooraan staat dat de tyrannie is verdreven, en als een moord daarvoor volstaat is dat gerechtvaardigd. Dat komt misschien ook omdat het stichtelijke verhaal voor Vivaldi’s tijdgenoten ook een onmiskenbare allegorie was op de overwinning die de Venetianen dat jaar in Korfoe hadden behaald op het Turkse leger. Bij wijze van legenda voegt tekstschrijver Cassetti zelfs een verklarend gedicht toe: Judith is Venetië, Abra is het christendom en de vijandige generaal Holofernes verbeeldt de Ottomaanse sultan, of diens commandant Ali Pasja.

Vlakbij de opera
Een van de opvallendste aspecten van dit oratorium is de bijzonder kleurrijke instrumentatie. Wellicht liet Vivaldi zich hierbij leiden door het instrumentarium dat hij in het weeshuis tot zijn beschikking had, een rijke selectie van bijzondere blaasinstrumenten. De meisjes, die overigens onzichtbaar voor het publiek achter een scherm speelden, waren blijkbaar veelzijdige instrumentalisten. Ze beheersten behalve de klassieke blazers en strijkers ook de viola d’amore, de chalumeau (de barokke voorloper van de klarinet) en zelfs de echte klarinet, in die tijd een geheel nieuw instrument. In één specifieke aria combineert Vivaldi de viola d’amore met het gebruik van loden dempers op de violen, wat een heel bijzonder klankeffect oplevert. En blijkbaar was een van de meisjes in de kostschool erg bedreven op de mandoline.

Oratorium is geen opera, maar in muzikale zin zijn de twee genres moeilijk van elkaar te onderscheiden. De muzikale taal en de vormen die erin voorkomen zijn identiek: ouverture, recitatief, aria en af en toe een duet. Vivaldi’s librettist ziet in dit oratorium af van de figuur van een verteller (de zogenaamde historicus), waardoor de handeling direct door de personages wordt uitgebeeld en dit oratorium nog meer van een opera weg heeft. Maar anders dan in de opera is de tekst van het oratorium in Italië doorgaans in het Latijn. Die taal kreeg in Venetië vanaf de late zeventiende eeuw nieuwe impulsen: de ospedali konden zich met kerkelijke taal onderscheiden van de wereldlijke operahuizen. Het gebruikte Latijn geeft hier aardige dramatische mogelijkheden: hymnen aan god, furie-aanroepen en oorlogstaal worden vaardig door Cassetti ingezet, met elegant gebruik van rijm en andere klankeffecten.

Voor de uitvoering bij de Nationale Opera verplaatste regisseur Floris Visser deze oer-Italiaanse compositie naar een Italiaans dorp in de Tweede Wereldoorlog. Holofernes is een Wehrmacht-commandant, die zich bovendien het beroemde schilderij van Caravaggio heeft toegeëigend waarop Judith Holofernes onthoofdt. Judith is in deze productie een dorpsbewoner op wie de commandant zijn oog laat vallen, en die door het zien van dit schilderij op het idee komt hem te onthoofden. De oorspronkelijke cast bestond geheel uit meisjes. De regie van Floris Visser brengt daar wat het koor betreft op ingenieuze wijze een verandering in: aan het begin zingen de mannen nog mee, maar aan het eind blijven ten gevolge van de oorlog alleen nog maar de vrouwen over. Voor de solistische rollen is overigens wel gekozen voor een volledig vrouwelijke bezetting. Hoe deze ingrepen gevallen zijn, blijkt uit de positieve ontvangst in de pers: niet alle critici zijn overtuigd van de dramatische kracht en mogelijkheden van het oratorium, maar de resulterende voorstelling is zonder meer een vernieuwing en aanwinst in het Nederlandse operarepertoire.