Hoe goede intenties en slechte ideeën de universiteit verpesten

Geerten Waling bespreekt Jonathan Haidt en Greg Lukianoffs pleidooi voor academische diversiteit en tegen de ‘de-platforming’ van rechtse én linkse sprekers aan Amerikaanse universiteiten. Welke lessen kunnen Nederlandse universiteiten hieruit trekken?


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Jonathan Haidt & Greg Lukianoff, The Coddling of the American Mind: How Good Intentions and Bad Ideas Are Setting Up a Generation for Failure (Allen Lane 2018), 352 blz.

Academische vrijheid is een mooi ideaal, maar de praktijk is anders. Dat een wetenschapper vrijuit alles zou kunnen bevragen en onderzoeken wat hij interessant vindt, is een illusie. Geen universiteit in Nederland kan een volledig vrij en open debat garanderen. Terwijl we vanaf deze kant van de Atlantische Oceaan, wellicht met enig leedvermaak of voldoening, toekijken hoe Amerikaanse universiteiten langzaam wegzakken in het drijfzand van de linkse en rechtse identiteitspolitiek, moeten we toegeven dat het er in Nederland ook niet rooskleurig voorstaat. We zouden kunnen leren van de Verenigde Staten, waar afgelopen jaren een serieuze tegenbeweging is ontstaan die wil voorkomen dat intolerant activisme de overhand krijgt.

The Coddling of the American Mind, geschreven door sociaal psycholoog Jonathan Haidt en free speech lawyer Greg Lukianoff is beslist een boek om in dat kader te lezen. In zekere zin zijn zij evengoed activisten. Lukianoff is oprichter van de Foundation for Individual Rights in Education (FIRE), dat rechtszaken voert tegen universiteiten die hun medewerkers of studenten willen censureren. FIRE heeft een database aangelegd van honderden gevallen van (linkse én rechtse) censuur en ‘de-platforming’ van sprekers op universiteitscampussen gedurende de afgelopen decennia. Samen met Haidt is Lukianoff tevens oprichter van de Heterodox Academy, een actiegroep die zo’n tweeduizend academici in de VS en ver daarbuiten heeft verenigd. Zij proberen met artikelen, evenementen en petities wetenschappelijk onderzoek en onderwijs inhoudelijk en divers te houden. Ongeacht hun politieke voorkeur worden zij verenigd door hun zorgen over allerhande vormen van orthodoxie. Het succes van beide organisaties bevestigt de grote vraag naar een verzetsbeweging: er is echt wel iets aan de hand.
Wat het ‘activisme’ van Haidt en Lukianoff interessant maakt, is dat zij niet intolerant staan tegenover andere opvattingen, zoals bij activisten dikwijls het geval is, maar dat ze juist gedreven worden door hun behoefte aan viewpoint diversity. Tegenwoordig wordt die positie al gauw afgedaan als rechts, reactionair of zelfs fascistisch – wie roept om vrijheid van meningsuiting kan kritiek verwachten van de Anti-Fascistische Aktie (AFA) en andere links-activistische clubs –, maar voor deze auteurs gaat die vlieger echt niet op. Ze zijn trotse liberals en net als veel andere leden van hun Heterodox Academy aanhangers van de Democratische Partij.

Plus ça change?
In hun boek geven Haidt en Lukianoff tientallen voorbeelden van klein en groot leed. Van universiteiten die zwichten voor gewelddadige protesten en medewerkers met tegendraadse opvattingen ontslaan, bijeenkomsten die moeten worden afgeblazen, tot academische tijdschriften die een artikel intrekken – een ongekend harde maatregel, gewoonlijk alleen gebruikt bij plagiaat of andere fraude – omdat de theorie van de auteur tot ophef heeft geleid. Let wel: ook in Nederland is het al voorgekomen dat sprekers niet of nauwelijks hun verhaal konden houden, omdat hun door activistische studenten het zwijgen werd opgelegd. Zo weigerde de Rietveld Academie vorig jaar een filmvertoning van het kunstkritische YouTube-duo KIRAC, en werd grote druk uitgeoefend door studenten en docenten van de UvA om het Room for Discussion-interview met de Canadese psycholoog Jordan Peterson niet door te laten gaan. Het blijkt verleidelijk om te proberen iemand het zwijgen op te leggen in plaats van het debat aan te gaan.

In zekere zin zou je kunnen tegenwerpen dat het nooit anders is geweest in de wetenschap, ook in Nederland. Natuurwetenschappelijk onderzoek naar, bijvoorbeeld, de evolutietheorie of de ware leeftijd van de aarde, kon vroeger rekenen op agressieve reacties van religieuze dogmatici. En vanaf de jaren zestig werd dwars-, vrij- of omdenkers alsmaar sneller en feller de mond gesnoerd door boze studenten. Zo werd de Leidse wetenschapper Wouter Buikhuisen in 1978, na een haatcampagne in diverse media, getrakteerd op telefonische doodsbedreigingen aan zijn gezin, poep door de brievenbus en rookbommen tijdens zijn oratie. Zijn carrière werd in de knop gebroken omdat hij tegendraadse theorieën koesterde in het wetenschapsveld van de biosociale criminologie. Theorieën die tegenwoordig overigens grotendeels gemeengoed zijn geworden. Buikhuisens collega’s en universiteitsbestuurders trokken zich lafjes terug, bang om in de val meegezogen te worden. (Het was de huidige rector magnificus Carel Stolker die Buikhuisen in 2009 in Spanje opzocht en hem namens de Universiteit Leiden excuses en rehabilitatie aanbood.)

‘Ophef’ is immers de nachtmerrie van elke bestuurder. Dat is in deze tijd nog sterker het geval, analyseren Haidt en Lukianoff. Niet alleen zien zij een sterke corporatization van universiteiten, die er door economische prikkels veel aan gelegen is om studenten (lees: cliënten) tevreden te stellen, ook nemen zij een coddling – vertroeteling – van de academische geest waar, met een knipoog naar het alarmistische boek The Closing of the American Mind (1987) van Allan Bloom. Deze overdreven bescherming van de geest is een cultureel fenomeen waarvan zij de oorzaak zoeken in de opvoeding en opleiding van de nieuwste generatie studenten, vooral diegenen uit de middenklasse en hogere sociale klassen. Vanaf hun geboorte zijn zij door ouders en docenten zozeer beschermd tegen elk gevaar, en tegen elke bron van fysieke of mentale pijn, dat zij minder veerkrachtig zijn wanneer geconfronteerd met weerstand en tegenslag. En daarin wortelt meteen het zorgwekkende, wezenlijk andere karakter van de huidige censuurdrift, vergeleken met die van activisten in bijvoorbeeld de jaren zestig. Dat is volgens Haidt en Lukianoff de premisse dat studenten ‘fragiel’ zijn en koste wat kost beschermd moeten worden.

Wetenschappelijke diversiteit
Lukianoff en Haidt beweren dat veel hedendaagse Amerikaanse studenten ideeën die botsen met hun eigen wereldbeeld als ‘pijnlijk’ ervaren, of zelfs als directe aanvallen op hun bestaansrecht (of op dat van anderen, bijvoorbeeld van minderheden). Woorden zijn voor hen gewelddadige handelingen geworden. En tegen verbaal (ervaren) geweld mag fysiek geweld worden gebruikt, want dat geldt als zelfbescherming, zo vindt inmiddels 20 tot 30 procent van de Amerikaanse studenten. Let wel, het gaat hier dus niet om hate speech of intentionele onderdrukking van groepen of individuen, maar – zo laten ook de verbijsterende voorbeelden van Haidt en Lukianoff zien – om wetenschappelijke theorieën van bedaagde academici die geen enkel kwaad in de zin hebben (en die zichzelf dikwijls evenzeer als progressief of ‘links’ beschouwen). De identiteitspolitiek brengt nog wat extra gif in deze toxische gedachtenmix, want iemand die onderzoek doet naar een minderheid zonder daar zelf deel van uit te maken is eigenlijk automatisch vogelvrij verklaard.

Daar komt nog de zelfbevestiging bovenop die plaatsvindt in de echokamers van de sociale media, waarin de polarisatie van de hele Amerikaanse samenleving tot recordhoogten wordt opgestuwd. In deze politiek onzekere tijden zorgen de ouderwetse in- en uitsluitingsmechanismen van de groepspsychologie er bovendien voor dat studenten (en ook docenten en bestuurders trouwens) liever kiezen voor solidariteit dan voor diversiteit, wat de ouderwetse zoektocht naar waarheid ondermijnt. Waarheidsvinding kan zelfs de solidariteit ondermijnen, dus een serieuze weging van argumenten – zonder aanziens des persoons – vindt steeds minder plaats.

Het kookpunt lijkt bereikt, althans in de VS. Lukianoff en Haidt doen nog een moedige poging adviezen te geven om studenten weerbaarder te maken, academische vrijheden te beschermen en een ‘wijzere samenleving’ te creëren, maar hun genuanceerde, op pedagogische en cognitieve psychologie gestoelde adviezen en toon zullen het afleggen tegen de schrille roep om censuur, die nog altijd aanzwelt. Op Nederlandse universiteiten, die zich laten voorstaan op hun internationale oriëntatie, wordt de Amerikaanse campuscultuur al decennialang geestdriftig en kritiekloos gekopieerd. Diversiteit van identiteiten wint het steevast van de diversiteit van opvattingen. Maar het is tegelijk hoopgevend dat de kwetsbaarheid van studenten (en van jongeren in het algemeen) hier te lande minder wordt gecultiveerd. Fietsen zonder helm, vuurwerk afsteken en slootjespringen – schuilt daarin dan misschien toch de redding voor onze universiteiten?