Onze democratie is beter: van populisme naar electoraal autoritarisme
🖋 Dick Pels

  • 21
    Shares

Juichwoorden als democratie kunnen op erg uiteenlopende wijzen gebruikt worden. Aan de hand van vier boeken die de vermeende crisis van de democratie aankaarten houdt Dick Pels een pleidooi voor een democratie van zelfbinding en matiging.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Marcel ten Hooven, De ontmanteling van de democratie. Hoe de kunst van het samenleven verstoord raakt – en wat eraan te doen (De Arbeiderspers 2018), 256 blz.
Steven Levitsky & Daniel Ziblatt,  How Democracies Die: What History Tells Us About Our Future (Penguin 2018), 256 blz.

De kiezer heeft altijd gelijk, zegt de democraat. Maar wat als hij en zij Donald Trump kiezen? Of Poetin, Erdoğan, Orbán, Duterte, Le Pen, Strache, Salvini, Wilders, Baudet? Wat als arme gekleurde Brazilianen in de favela’s stemmen op een racistische kapitalistenvriend als Bolsonaro? Dan moet de democraat bij zichzelf te rade gaan en zich afvragen of hij deze democratie nog wel moet willen.

Het volk kan zich op een tragische manier vergissen. De uitslag van het Brexit-referendum was zo’n ‘colossal misjudgement’, aldus ex-premier John Major. Het Brexit-debat laat nog eens zien dat democratie een allemansvriend is – een soort ‘God met Ons’ voor alle gezindten. Terwijl Theresa May meent dat haar Brexit-plan de wil van het volk uitvoert, klaagt haar tegenstander Boris Johnson dat dit het tegendeel van democratie is. Jacob Rees-Mogg, die andere Brexit-clown, meent: ‘Wij geloven in democratie. De EU niet.’ Een nieuwe volksstemming? ‘We hebben er al een gehad.’ May noemt een tweede referendum zelfs ‘verraad’ van de democratie. Commentator Timothy Garton Ash merkte hierover terecht op dat democratie niet hetzelfde is als ‘one people, one vote, once’.

De Brexit-soap laat zien dat de volkswil is wat je goed uitkomt: ‘Ik ben het volk dus ik doe wat ik wil.’ Daarom hoeven hedendaagse populisten, anders dan hun fascistische voorgangers, het electoraal-democratische stelsel niet af te schaffen. Ze floreren immers bij vrije verkiezingen waarmee zij meerderheden bereiken en vervolgens kunnen ‘doen wat het volk wil’. Ze beroepen zich graag op de oerdemocratische gedachte van ‘alle macht aan het volk’: de ‘Atheense’ of letterlijke opvatting van demo-kratein waarin regering en volk idealiter samenvallen.

Er wordt dezer dagen veel geklaagd over een crisis van de democratie. Maar deze variant van democratie, de populistische of autoritaire, doet het al decennia geweldig goed. Met een andere variant, de liberale of pluralistische, gaat het tegenwoordig wat minder. Het is dan ook te simpel om te stellen dat ‘de’ democratie moe is, in een midlifecrisis verkeert, of om het einde of de naderende dood van de democratie te voorspellen. Endism is een provocatief genre waarmee narcistische onheilsprofeten hun boeken beter denken te kunnen verkopen.

Manu Claeys, Red de democratie! Waarom het systeem hapert en wat we eraan kunnen doen (Polis 2018), 256 blz.
Yascha Mounk, The People Vs. Democracy: Why Our Freedom is in Danger and How to Save it (Harvard University Press 2018), 328 blz.

Er is eerder sprake van een crisis in de democratie dan van de democratie, stelt Harvard-politicoloog Yascha Mounk terecht in The People vs. Democracy. ‘De’ democratie is permanent omstreden en kent meerdere verschijningsvormen. Democratie heeft geen ‘enige echte’ essentie, en kan dus niet zonder adjectief: liberaal, populistisch, burgerlijk, pluralistisch. Het is voorbarig om populisten wezenlijk ‘ondemocratisch’ te noemen en ze aan gene zijde van de afgrond tussen democratie en totalitarisme te plaatsen. Democraten moeten populisten serieus nemen als andere (mindere) democraten. Net als marxisten en anarchisten moeten we zeggen: hun democratie is niet de onze. En de onze is beter.

Die afwijzing van een democratische essentie is meteen een politieke keuze. Populisten geloven er namelijk wel in – de ‘ware’ democratie valt immers samen met hun opvatting erover – terwijl pluralistische democraten ruimte laten voor discussie over wat democratie zou kunnen zijn. Een cruciaal verschil is dus dat de populistische opvatting meent de waarheid (van het volk) in pacht hebben, terwijl de liberale democraat gelooft dat ‘het volk niet bestaat’. In een liberale democratie blijft de wil van het volk inzet van een voortdurend publiek debat zonder definitief antwoord.

Beschaving als hoger ideaal

Eén van de zegeningen van het moderne populisme is dat het progressieven dwingt om hun basiswaarden opnieuw uit te vinden. ‘Links’ is in ‘crisis’ omdat progressieven ofwel te goed, ofwel niet meer zo goed weten wat klassieke hoerawoorden als vrijheid, gelijkheid, democratie en solidariteit betekenen, en met hun mond vol tanden staan zodra die door populisten worden gekaapt. Door die ideologische kaping ziet links beter hoe het niet moet, wat het niet moeten willen zijn, en wordt het gemakkelijker om te bedenken wat het wel wil zijn, hoe een betere wereld er volgens hen dan wel uit zou moeten zien.

Vrijheid is niet de vrijheid om te doen wat je wilt, omdat je zelf het beste weet wat goed voor je is: het dikke ik. Vrijheid is ook niet het soevereine ‘dikke wij’: dat we als volk en natie kunnen doen wat we willen (‘take back control’), omdat we als Nederlanders, Engelsen, Amerikanen etc. het beste weten wat goed voor ons is. Dat is de gotspe van de Hongaarse premier: ‘Elk land mag zelf beslissen met wie we willen samenleven en de Hongaren hebben besloten: wij zijn geen immigratieland.’

Vrijheid van meningsuiting is niet dat je alles mag zeggen wat in je opborrelt, zonder je iets aan te trekken van fatsoen, feiten, argumenten of wetten. Gelijkheid is niet het voorrecht van witte inboorlingen. Solidariteit is niet hetzelfde als welvaartschauvinisme. ‘Echte’ tolerantie is niet hetzelfde als nultolerantie voor intolerante medemensen. En democratie, zo zien we steeds duidelijker, is niet hetzelfde als ‘alle macht aan het volk’. Het is bovendien iets groters en diepers dan verkiezingen, parlementaire meerderheidsmacht of volkssoevereiniteit, want die kunnen allemaal gevaarlijk worden en uitmonden in tirannie of autoritarisme.

Wat al die ontkenningen verbindt is het inzicht dat grondwaarden als vrijheid, gelijkheid, democratie, solidariteit en zelfs duurzaamheid een autoritaire kant kunnen ontwikkelen zodra ze worden verabsoluteerd. Ze moeten alle worden gematigd door de rem der beschaving. De stelligheid van het eigen gelijk kan neigen naar geweld en is de ware vijand van de pluralistische democraat. Tegenover primitieve gelijkhebberij die politiek verandert in oorlog en tegenstanders in vijanden, omarmt een beschaafde democratie de deugd der vrijzinnigheid: de openheid voor productieve twijfel en zelfkritiek, het vermogen naar anderen te luisteren, de wil om compromissen te sluiten. Beschaving, ofwel de deugd van de matiging, is daarom uiteindelijk een hoger ideaal dan vrijheid, gelijkheid en solidariteit; het staat zelfs hoger dan de democratie zelf.

De kunst van het samenleven
Met die stelling raken we de kern van Marcel ten Hoovens pleidooi voor democratie als de beschaafde ‘kunst van het samenleven’. Zij helpt ons de ambiguïteit van het dagelijks leven te verdragen, onzekerheden uit te houden, en andersdenkenden als gelijken te accepteren. Democratie is niet het dictaat van de meerderheid, maar de bescherming van minderheden en de erkenning van pluralisme en diversiteit. Twee grote krachten zijn volgens Ten Hooven bezig dit waardensysteem uit zijn voegen te trekken: het neoliberalisme en het populisme. Terwijl de een sociale verbanden radicaal lostrekt, wil de ander deze even radicaal weer verbinden, met behulp van het fantasiebeeld van een veilige, gesloten natiestaat. Het populisme stapt daarmee in het gat dat het neoliberalisme in de democratie heeft geslagen.

Niettemin lijken beide ideologieën op elkaar, want beide denken het monopolie te bezitten op de sociale en politieke waarheid. Neoliberalen prediken een blind geloof in de waarheid van de markt (‘de markt heeft altijd gelijk’). Het verschilt daarin van het klassieke liberalisme, dat anti-dogmatisch is en politiek en samenleving nooit als af beschouwt. Als populisten daarentegen beweren dat ‘het volk altijd gelijk heeft’, wordt de dominantie van de markt tegengegaan, maar blijft de pretentie van een absoluut gelijk overeind. Dit monopolie op waarheid leidt volgens Ten Hooven tot hardvochtigheid en meedogenloosheid: ‘Geweld hangt altijd een beetje in de lucht bij populisten, wachtend op een vonk.’

Democratie is echter het tegendeel van de verabsolutering van de eigen wil, aldus Ten Hooven. Zij vergt de bereidheid om in te schikken, in het besef dat de eigen wil er één uit vele is. Niemand heeft in dit systeem het laatste woord: niet God, noch geloof, klasse of belangengroep, en zelfs niet het volk. Geen enkele politicus heeft het recht namens allen te spreken. Beslissingen zijn altijd voorlopig en de discussie is permanent, ook over de inrichting van de democratie zelf. Matiging vormt dus haar centrale waarde: in deze zin is democratie een vorm van beschaving. Montesquieu noemde gematigdheid al de ‘hoogste waarde van elke wetgever’, en pionierde de gedachte van checks and balances die deze deugd moesten institutionaliseren.

Behalve een rechtsstatelijk principe is gematigdheid volgens Ten Hooven ook een kwestie van stijl, goede smaak en fatsoenlijke omgangsvormen. Het wringt dan ook dat hij meent dat dergelijke principes slechts ‘regulerend’ zijn, en inhoudelijk niets zeggen over de inhoud van het goede leven. Maar de vrijzinnig-democratische politiek belichaamt wel degelijk een inhoudelijk ideaal, een morele beschavingsmissie, en kiest daarmee onvermijdelijk partij in maatschappelijke conflicten – zeker in een maatschappij die is vergeven van populisme. Gelukkig twijfelt Ten Hooven zelf niet aan de superioriteit van een liberale democratie die zodanig vertrouwt op haar eigen kracht dat zij ook kwetsbaar durft te zijn: ‘onze democratie is de beste.’

Illiberale democratie
Een minpuntje bij Ten Hooven is dat hij het populisme blijft zien als een ‘pathologische afwijking’ van de democratie. Populistische leiders zijn ‘eerder autocraten dan democraten’, omdat zij zich in naam van het volk keren tegen de rechtsstaat. Het boek van Mounk vormt in dit opzicht een betere handleiding. De claim van populisten dat zij de democratie verdiepen door haar letterlijk te nemen moet volgens hem serieus worden genomen en vormt een bron van democratische energie. Tegelijkertijd zijn deze democraten ‘deeply illiberal’, omdat zij geen respect hebben voor individuele rechten en onafhankelijke instituties, en de meerderheid inzetten om de rechten van minderheden af te breken. Blijkbaar zijn liberalisme en democratie niet zo intrinsiek gekoppeld als lang werd gedacht. De liberale democratie is bezig uit te scheuren bij de naad, en valt steeds meer in zijn twee componenten uiteen: een illiberale democratie en een ondemocratische vorm van liberalisme.

Volgens Mounk schuilt het existentiële gevaar voor de liberale democratie vooral in splijtende politieke polarisatie. Die kan zo hoog oplopen dat politici het niet langer eens kunnen worden over de regels van het spel, waardoor zij fundamentele normen gaan overtreden en alles op alles zetten om te winnen – inclusief het manipuleren van verkiezingen en het belasteren van tegenstanders. Dan degenereert de politiek in een strijd op leven en dood tussen ‘het volk’ en zijn ‘verraders’: een kruistocht tegen alle institutionele checks and balances die de tirannie van de meerderheid in toom houden. Zo kan bijvoorbeeld de pers worden afgeschilderd als ‘volksvijand nummer een’. Ondanks zijn democratische inslag ondermijnt het populisme op de langere duur het respect voor de volkswil, omdat zijn illiberalisme gemakkelijk afglijdt naar autocratie en dictatuur. Het gevaar schuilt opnieuw in de stelligheid waarmee populisten menen het volk ongefilterd te kunnen representeren – tegen de intuïtie van (bijvoorbeeld) de Amerikaanse Founding Fathers in, die juist institutionele buffers wilden inbouwen tegen de autoritaire tendensen in de volkswil.

Hoe die ondermijning in zijn werk gaat wordt met grote analytische precisie en veel gevoel voor historisch detail uitgelegd in het boek van Mounks Harvard-collega’s Steven Levitsky en Daniel Ziblatt How Democracies Die. Zij richten zich voornamelijk op de oorzaken van het spectaculaire falen van de Amerikaanse parlementaire democratie, en halen tal van vergelijkende voorbeelden aan uit de recente politieke geschiedenis van Zuid-Amerika, Europa en Azië. Democratieën kunnen gedood worden door een staatsgreep, maar kunnen ook langzaam sterven, via haast onmerkbare stapjes, door de verkiezing van een autoritaire leider die de regeringsmacht misbruikt om alle oppositie te smoren. Dat gebeurt dus niet door het afschaffen van verkiezingen en parlementen, maar juist met behulp ervan, waardoor er een vernislaag van democratische legitimiteit blijft bestaan. Chávez in Venezuela, Orbán in Hongarije, Trump in de VS: overal zie je dezelfde strategieën. De tragiek van deze electorale weg naar het autoritarisme is dus dat de moordenaars de democratische instituties zelf gebruiken om haar – geleidelijk, subtiel en zelfs legaal – om zeep te helpen.

Constitutionele checks and balances worden geschraagd door ongeschreven democratische normen. Levitsky en Ziblatt noemen twee van die ‘zachte vangrails’ van de Amerikaanse democratie: wederzijdse tolerantie en institutionele terughoudendheid (forbearance). De eerste zorgt ervoor dat de politieke partijdigheid niet ontaardt in een strijd op leven en dood, dat politieke rivalen worden gezien als legitieme concurrenten om de macht en niet als existentiële vijanden. De tweede maakt dat machthebbers terughoudend zijn in het hanteren van hun institutionele prerogatieven, dus geen vuil spel spelen of hardball tactics proberen om hun machtspositie te vereeuwigen en hun tegenstanders definitief uit te schakelen. In het huidige Amerika worden deze vangrails steeds zwakker, met een verscherpte politieke en culturele polarisatie als gevolg.

Net als Ten Hooven en Mounk zien ook Levitsky en Ziblatt het verval van beschavingsnormen als tolerantie en matiging als grootste bedreiging voor de liberale democratie. In de lange geschiedenis van autoritair-populistische tendensen in de VS, die voert van de antisemitische priester Charles Coughlin via Huey Long, Henry Ford, en Joseph McCarthy naar George Wallace, werd politiek extremisme altijd beteugeld door de filterende werking van de twee grote partijmachines en hun elites. Die poortwachtersfunctie werd na 1968 ondermijnd door het systeem van bindende presidentiële primaries, de enorme toename van externe verkiezingsdonaties en de explosie van alternatieve, vooral rechtse media. Uiteindelijk hebben we daar Trump aan te danken.

Republikeinse radicalisering
Terwijl de democratische vangrails al op de proef werden gesteld door het mccarthyisme en de regering-Nixon, zijn zij pas goed gaan slijten door de radicalisering van de Republikeinse Partij. De opvatting van politiek als oorlog die Newt Gingrich (vanaf 1995 Speaker of the House) huldigt, kreeg steeds meer invloed, net als zijn verkettering van Democraten als ‘onpatriottisch’ en zijn populistische kritiek op het ‘zieke’ en ‘corrupte’ Washington. Deze nietsontziende strategie van compromisloosheid leidde onder andere tot herhaalde shutdowns van de federale overheid en de impeachment vote voor president Clinton. Tijdens de daaropvolgende presidentschappen van Bush en Obama werd de politieke intolerantie alleen maar intensiever, opgezweept door de Tea Party, Fox News, Breitbart en andere rechts-radicale media. Democraten en Republikeinen zijn inmiddels veel meer dan concurrerende politieke partijen: hun kiezers worden diep verdeeld door ras, religie, geografie en levensstijl – identiteiten die veel scherper polariseren dan traditionele sociaaleconomische kwesties.

Enter Donald Trump. De socioloog Juan Linz noemde ooit vier waarschuwingssignalen voor de opkomst van een autoritaire leider: hij verwerpt de democratische spelregels, in woord of daad; hij ontkent het bestaansrecht van tegenstanders; hij tolereert geweld en/of moedigt het aan; en hij kan niet tegen kritiek. In de voorbije eeuw, constateren de auteurs, haalde geen enkele Democratische of Republikeinse presidentskandidaat zelfs maar één van de vier criteria, met uitzondering van Richard Nixon, die politieke tegenstanders en de pers bleef zien als existentiële vijanden. Maar Donald Trump scoorde zelfs voor zijn inauguratie positief volgens alle vier de criteria. De auteurs beschrijven zijn eerste presidentsjaar als de afwikkeling van een bekend scenario waarin hij alle strategieën beproeft om zijn macht te consolideren. Als een roekeloze chauffeur knalt Trump telkens tegen de vangrails, vooralsnog zonder er doorheen te breken. Maar het is early days, waarschuwen Levitsky en Ziblatt: het afglijden van de democratie gaat geleidelijk en de gevolgen daarvan worden pas veel later zichtbaar.

Wat zien de Amerikanen Mounk, Levitsky en Ziblatt als remedies? Mounk wil economische ongelijkheid bestrijden en pleit voor een sociale verzorgingsstaat naar Europees model, een ‘inclusief patriottisme’ en een multi-etnische democratie op basis van individuele in plaats van groepsrechten. Wij moeten waakzamer en moediger onze meest dierbare waarden verdedigen. Ook Levitsky en Ziblatt pleiten voor politieke moed, waarbij we niet moeten vervallen in de tactiek van de ‘verschroeide aarde’ van onze tegenstanders. Zelfbeheersing en hoffelijkheid blijven nodig, hoewel we daarmee in eerste instantie op achterstand worden gezet. Daarnaast moeten we ongedachte coalities uitproberen, bijvoorbeeld met economische en religieuze leiders, en moeilijke concessies overwegen, om een gedeelde morele grondslag te kunnen vinden. De polarisatie – en vooral het witte nationalisme van de Republikeinse Partij – kan worden overwonnen door de groeiende economische ongelijkheid aan te pakken, waardoor ook de raciale, morele en religieuze tegenstellingen enigszins worden verzacht.

Deliberatieve democratie
Het mag inmiddels duidelijk zijn dat er iets goed mis is met de bestaande electorale democratie, en dat het systeem ‘stilaan vierkant draait’, zoals de Belgische publicist en stadsactivist Manu Claeys zegt. Zijn boek Red de democratie! is een diepgaande theoretische verantwoording van zijn betrokkenheid bij de burgerbeweging tegen de oorspronkelijke plannen voor het Oosterweel-traject: de sluiting van de Antwerpse Ring. Zijn analyse pakt een stuk radicaler uit dan die van de voorgaande auteurs, omdat hij het electoraal-parlementaire stelsel als zodanig verantwoordelijk stelt voor het autoritaire verval. De representatieve democratie is bijna een religie geworden, met de verkiezingen als hoogmis. De verkiezing van Donald Trump laat zien waar dat geloof toe kan leiden.

Verdelend groepsdenken, ‘tribale’ polarisering en celebrity-building zijn volgens Claeys inherent aan het bestaande electorale systeem, net als de ‘primitieve wil om te winnen’. Politieke clowns en boeven (vaak dezelfde personages) doen het daarin goed. Trump is dan ook geen accident de parcours, maar de logische resultante van een systeem dat bepaalde persoonlijkheidskenmerken begunstigt. Hij is de hyperbool, de extreme versie van branie, ‘de ongemanierde heiland die komt bovendrijven in de representatieve democratie’. Kiezen is sowieso verliezen: burgers kiezen om de zoveel jaar een ‘betweterbestuur’, waarna ze op een zijspoor belanden. Politici hoeven zich niets aan te trekken van het kiezersmandaat, noch van wat ze zelf eerder beloofden. Zo schuren democratie en dictatuur dicht tegen elkaar aan (Trump is de cross-over tussen beide), en kunnen verkiezingen leiden tot democratische ‘zelfmoord’.

Het verlangen om ‘de macht te grijpen’ staat volgens Claeys haaks op wat democratie hoort te bieden, namelijk het delen van de macht en het stimuleren van dialoog en redelijk overleg, waarin het eigen gelijk en ‘de grootste worden’ niet langer vooropstaat. ‘Horizontaal bestuur’ is daarbij het sleutelwoord. Overheden moeten op basis van partnerschap leren omgaan met actieve burgers als medeproducenten van collectieve beslissingen, en bereid zijn om hun greep op de besluitvorming af en toe los te laten. Anders dan in het representatieve stelsel, dat op macht en conflict is gericht, ontstaat in deliberatieve vormen van democratie ruimte voor nuance, leerprocessen en het bereiken van gedeelde inzichten. De enige manier om het zelfbestuur van ‘vrije burgers’ te herstellen is dus via een volwaardige integratie van burgerparticipatie in de politieke besluitvorming.

Het verbaast niet dat deze klassieke anarchistische kritiek op het ‘parlementarisme’, waarin verkiezingen een circus en representatie een illusie worden genoemd, teruggrijpt op het Atheense ideaal van de letterlijke democratie (power to the people) dat ook door rechtse populisten wordt omarmd. Horizontaal bestuur zorgt ervoor dat overheid en burgers weer politiek samenvallen: ‘In een democratie is de burger de overheid en omgekeerd. De burger is de staat. Het is fout gegaan toen we gingen geloven dat wij naast de overheid of de staat staan.’ Maar die oerdemocratische claim van identiteit tussen regeerders en geregeerden kan op zijn beurt een illusie worden genoemd – en een gevaarlijke bovendien, al was het maar omdat de suggestie wordt gewekt dat burgers onderling een harmonieuze consensus kunnen bereiken als ze maar rustig kunnen overleggen zonder last te hebben van een machtsbeluste en polariserende politieke elite.

Wisselwerkingsdemocratie
Gelukkig blijkt Claeys het ideaal van de letterlijke democratie in de praktijk niet letterlijk te nemen. Als puntje bij paaltje komt, pleit hij niet zozeer voor het samenvallen van overheid en burgers maar voor een intensivering van de wisselwerking tussen beide. ‘Horizontale’ democratie moet nadrukkelijk worden gezien als een aanvulling op de ‘verticale’ democratie. Verkiezingen, parlementen en regeringen moeten niet worden afgeschaft maar verbeterd, zodat de democratische intelligentie wordt opgebouwd in een wisselwerking tussen top-down en bottom-up, die idealiter een samenwerking is. Claeys gebruikt daarvoor graag het beeld van de octopus: de inktvis met acht armen, drie harten en een brein dat samenvalt met het lichaam. Kenmerkend daarvoor is de spreiding van macht en kennis en de wisselwerking tussen onder en boven: democratisch leiderschap moet worden gecombineerd met de wijsheid van velen, want het een kan niet zonder het ander.

De anarchistische soep wordt dus niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend. In plaats van een illusie blijkt volksvertegenwoordiging een eervol maar risicovol beroep te zijn, dat zich van andere onderscheidt doordat het de politieke macht hanteert, die zoals we weten corrumperend kan werken. In plaats van een revolutionaire panacee die eindelijk de ‘echte’ democratie vestigt en redelijkheid brengt in het vuile spel van de electorale concurrentie, zijn burgerdeliberatie en -participatie zelf niet meer dan feilbare mechanismen die op hun beurt onderworpen zijn aan de logica van representatie, woordvoerderschap en machtsvorming. Ook activisten als Claeys articuleren bepaalde (alternatieve) belangen, proberen burgers te mobiliseren, zoeken draagvlak, creëren een publiek – hoewel zij dat niet doen op de manier van de gevestigde politieke partijen. Hun afkeer van de officiële beroepspolitiek maakt ze gemakkelijk blind voor het feit dat zijzelf halve beroepspolitici zijn geworden. Het zijn geen ‘gewone’ maar beroepsburgers: een elite die verschilt van ‘gewone’ mensen door investering van tijd en energie, bewonderenswaardig volgehouden engagement, deskundigheid, mondigheid en netwerkvaardigheid, daarbij veelal geholpen door een hoge opleiding. Waarbij deze ‘ongewone’ burgers net als de door hen verguisde politici de neiging hebben om hun eigen habitus en ambities te generaliseren – alsof alle burgers potentiële activisten zouden zijn.

Wat overblijft van de misnomer ‘horizontaal bestuur’ is niettemin waardevol: dat overheden als contractanten omgaan met georganiseerde burgers en hen als stakeholders en co-producenten van politieke beslissingen zien. Activistische burgers mobiliseren minder actieve burgers, scheppen een geëngageerd publiek (net als politici!) en bemiddelen tussen burgers en besturen (net als politieke partijen!). Participatieve democratie betekent zodoende spreiding van het leiderschap, verdieping van de checks and balances, een andere opbouw van de bestuurlijke intelligentie en een grotere creativiteit en beweeglijkheid bij de beleidsvoorbereiding, zo vat Claeys samen. Democratische legitimiteit houdt immers niet op bij verkiezingen (die de democratie ook om zeep kunnen helpen, weten we nu), maar eist dat burgers permanent, ook tijdens de legislatuur, kunnen meepraten over en meedoen aan collectieve beslissingen.

Na het lezen van deze vier crisisboeken blijft in elk geval één conclusie hangen. We zijn getuige van de opkomst van een nieuw electoraal autoritarisme op ‘oerdemocratische’ grondslag. Dat is gevaarlijk, want ook de Atheense democratie is door demagogen ten onder gegaan. Die ‘illiberale’ variant wordt gevoed door een absolutistische denktrant waarin polemiek hetzelfde is als polemos: oorlog. Niet het ‘verdelend groepsdenken’ op zich is het probleem, maar de extreme, hysterische, hufterige polarisatie – die vaak genoeg ook een politiek en (media)commercieel verdienmodel is. In plaats van de productieve kanten van de strijd tussen tegengestelde belangen en botsende identiteiten te ontkennen, kunnen we beter proberen om deze zoveel mogelijk te reinigen van geweld, inclusief woordgeweld. De kern van de bedreiging is de stelligheid waarmee eigenbelang wordt vertaald in eigen gelijk en macht wordt vertaald in waarheid. Daartegenover staat een politiek van beschaving: van democratie als zelfbinding en matiging. Maar ook van moed en strijdbaarheid. Want ‘onze’ democratie mag dan het ‘minst slechte’ systeem zijn dat niet meer dan twee hoeraatjes verdient – wat de populisten ervoor in de plaats willen zetten is vele malen erger.



  • 21
    Shares