Samenleven met data: verkenningen van nieuwe maatschappelijke relaties
🖋 Anne Beaulieu & Paul Wouters


Hoe kunnen we samenleven met data? Aan de hand van vier recent verschenen boektitels maken Anne Beaulieu en Paul Wouters duidelijk dat samenleven met data verstrekkende sociale en politieke gevolgen heeft.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


José van Dijck, Thomas Poell & Martijn de Waal, De platformsamenleving. Strijd om publieke waarden in een online wereld (Amsterdam University Press 2016), 180 blz.
Bridgette Wessels, Rachel Finn, Thordis Sveinsdottir & Kush Wadhwa, Open Data and the Knowledge Society: Open Data Movement, Ecosystems and Data  (Amsterdam University Press 2017), 203 blz.

Essay uit dNBg 2019#3

Hoe kunnen we samenleven met data? In het publieke debat wordt de complexiteit van socio-technologische ontwikkelingen vaak uit het oog verloren. Zo is de vraag of een iPad in de klas wenselijk is te beperkt om te kunnen duiden hoe we het hedendaagse onderwijs en de leeromgeving moeten inrichten. Veel aandacht gaat uit naar de aantasting van privacy en naar het ontstaan van nieuwe vormen van werk en individuele ontplooiing. Apparaten en netwerken die grote hoeveelheden data produceren zijn inmiddels alomtegenwoordig en scherpe analyses daarvan zeer welkom. Sociale wetenschappers analyseren technologische ontwikkelingen wel kritisch, maar oefenen te weinig invloed uit op het publieke debat. Ondertussen neemt de invloed van technologie razendsnel toe en valt veel geld te verdienen aan ongenuanceerde boeken over big data. Drie recente titels bieden broodnodige empirische bezinning op de rol van data in de samenleving.

De informatiesamenleving
Open Data and the Knowledge Society van het team van sociologe Bridgette Wessels is het resultaat van een groot Europees onderzoeksproject. Volgens de auteurs leven we in een ‘informatiemaatschappij’, waarbinnen data als private economische grondstof circuleren. Zij onderzoeken sociale bewegingen die voor vrij beschikbare data pleiten. Hun aandacht gaat in het bijzonder uit naar ‘open data’: data die vrij verspreid, gebruikt, en hergebruikt kunnen worden. Zouden open data de maatschappij radicaal kunnen veranderen?

Viktor Mayer-Schönberger & Thomas Ramge,  Reinventing Capitalism in the Era of Big Data (Basic Books 2018), 288 blz.
Shoshana Zuboff, The Age of Surveillance Capitalism: The Fight for a Human Future at the New Frontier of Power (Profile Books 2019), 704 blz.

Wessels en haar team maken een onderscheid tussen de hedendaagse informatiesamenleving en het ideaal van de kennissamenleving. In de informatiesamenleving zijn data leidende factoren van economische productie. Gegevens zijn slechts voor een beperkt aantal partijen toegankelijk; het huidige publicatiesysteem van wetenschappelijk onderzoek is bijvoorbeeld goeddeels geprivatiseerd. Wessels et al. beschrijven kort hoe kennis tot stand komt en analyseren de dynamiek van open data in wetenschappelijke kringen. Als data niet open zijn, komen innovaties vooral voort uit private investeringen en commerciële ondernemingen. Volgens Wessels et al. kan een kennissamenleving pas ontstaan als data gemeenschappelijk eigendom of ‘commons’ worden.

Het onderscheid tussen de informatie- en de kennissamenleving is echter ook een belangrijke zwakte van het boek. Is er wel zoiets als ‘de’ informatiesamenleving? Hoewel China en de VS beide informatiesamenlevingen zijn, verschilt nogal hoe zijn kennis produceren, reproduceren en inzetten. En ook de notie van een kennissamenleving kan op verschillende manieren worden uitgewerkt. Het schema van het team van Wessels is te eenvoudig en ongenuanceerd.

Hoe we met data omgaan zegt iets over de relatie tussen wetenschap en maatschappij: is kennis intellectueel eigendom van een individu of instituut, of gemeenschappelijk bezit? Wessels et al. beschrijven de rol van technologie in de omgang met data. Goede interfaces en toegankelijke data portals zijn belangrijke gereedschappen om interactie met data voor een zo groot mogelijk publiek te bevorderen. Open Data and the Knowledge Society bevat ook een interessante beschrijving van de complexe netwerken die nodig zijn om data te creëren, delen, te laten circuleren en te hergebruiken. Enkele casestudies laten zien hoe goed bestuur, flexibele technologie, adequate beveiliging, voldoende financiering en gemeenschapsvorming nieuwe omgangsvormen met data mogelijk maken. Het aantal cases is echter zo beperkt dat niet duidelijk wordt of het om gemeengoed gaat of om innovatieve niches.

Hoe realistisch is het ideaal van een open kennissamenleving? Ontstaan er tegenwoordig nieuwe platforms die deze publieke belangen zouden kunnen dienen? Open data waren tot voor kort vooral het ideaal van een kleine groep activisten die meer interactie tussen wetenschap en maatschappij voorstaan. Citizen science is het voorbeeld bij uitstek: door toegang tot data en middelen om ze zelf te genereren en analyseren, kunnen burgers kennis produceren en bijdragen aan besluitvorming.

Vooralsnog komen open-accesspublicaties en gemeenschappelijk gedeelde data weinig voor. Dat komt vooral door een gebrek aan politieke besluitvaardigheid en gemeenschappelijke financiering. Neem nu Plan S: daarin spreken elf nationale onderzoeksfinanciers en de Europese Commissie de intentie uit vanaf 2020 open-accesspublicaties verplicht te stellen voor publiek gefinancierd onderzoek. Maar er is momenteel nog altijd geen infrastructuur om eenvoudig open-access te publiceren. Het gevolg is dat Plan S terugvalt op het zogeheten Gold Open Access-businessmodel, waarbij auteurs Article Processing Costs (APCs) moeten betalen voordat ze hun artikelen kunnen publiceren. In het alternatieve model van zogenaamde Diamond Open Access hoeven er geen APCs betaald te worden en zijn publicaties meteen beschikbaar. In de huidige vorm dreigt Plan S dus ongewenste gevolgen te hebben: APC’s kunnen de ongelijkheid tussen publiek gefinancierde en minderbedeelde onderzoekers juist vergroten. Zoals Plan S illustreert, staat het delen van onderzoeksdata in veel disciplines nog in de kinderschoenen.

De platformsamenleving
Communicatiewetenschappers Van Dijck, Poell en De Waal richten zich op de zogenaamde ‘platformsamenleving’. Zij maken korte metten met het idee dat een online platform als Uber of Facebook waardevrij is en laten zien hoe verweven publieke waarden en technologie zijn. Op data gebaseerde communicatieplatforms zijn niet neutraal: zij geven het sociaaleconomisch verkeer vorm, waardoor een platformsamenleving ontstaat. Welke consequenties heeft dat voor de democratische zeggenschap van burgers?

Van Dijck et al. besteden veel aandacht aan de drie centrale mechanismen van digitale platforms: dataficatie, commodificatie en selectie. Dataficatie komt tot stand door de constante circulatie van data. De technologische architectuur van platforms, die onder andere bestaat uit algoritmes, interfaces, plug-ins en protocollen, structureert de productie en verwerking van gebruikersdata. Commodificatie is het proces waarbij objecten, handelingen en ideeën verhandelbare goederen of producten worden. Selectie is ten slotte een cruciaal mechanisme waarin platforms relevante onderwerpen, objecten en actoren sorteren en presenteren, en door prioriteit aan bepaalde elementen te geven menselijke communicatie ook inhoudelijk sturen.

Beleidsmakers moeten zich volgens Van Dijck et al. minder richten op specifieke platforms en meer oog hebben voor de mechanismen waardoor ze worden vormgegeven. De technologieën, verdienmodellen en gebruikerspraktijken van verschillende platforms geven gezamenlijk vorm aan het maatschappelijke en economische verkeer. Geen van de drie factoren is bepalend; juist de wisselwerking is van belang. Of publieke waarden zoals privacy, veiligheid en comfort gegarandeerd kunnen worden, hangt af van hoe deze interactie tussen dataficatie, commodificatie en selectie in een platform gestalte krijgt. Aan de hand van mobiliteitsplatforms zoals Uber leggen de auteurs uit dat de algoritmes van een platform gebaseerd zijn op waarden als winstmaximalisatie, bereikbaarheid en milieu-impact. De keuze voor bepaalde doelstellingen in het algoritme van een platform benadrukt dus bepaalde waarden die het publieke leven vormgeven. De auteurs willen niet aangeven of de invloed van platforms goed of slecht is, maar zo helder mogelijk laten zien welke vragen van belang zijn om te begrijpen hoe bepaalde waarden in platforms worden ingebouwd.

De auteurs van De platformsamenleving zijn tegelijkertijd geen technologisch deterministen: de samenleving wordt volgens hen gevormd door complexe wisselwerkingen tussen gebruikers, technologieën, en praktijken. Van Dijck, Poell en de Waal laten zien hoe de mechanismen van deze platforms de politieke en maatschappelijke sferen beïnvloeden, en kijken hierbij naar de mogelijkheden die een platformsamenleving kan bieden:

[blokcitaat] De belofte dat digitale platformen zouden zorgen voor een transparante en open samenleving waar data vrij kunnen stromen en iedere burger toegang heeft tot online communicatie, is vaak gepresenteerd als een panacee voor een inefficiënte overheid en voor logge, grote bedrijven. In zo’n ideale platformsamenleving zou vanzelfsprekend minder behoefte zijn aan overhead en overheid, omdat burgers en ondernemers voortaan zelf via platformen actief kunnen bijdragen aan de organisatie van het sociale, economische, en maatschappelijke verkeer. Overheden en traditionele bedrijven kunnen als het ware worden omzeild met behulp van platformen. [/blokcitaat]

Het maatschappelijk project dat de auteurs voorstellen, heeft raakvlakken met de aanbevelingen uit Open Data and the Knowledge Society: de overheid en regulerende partijen moeten ervoor zorgen dat platforms ontstaan waarin publieke belangen beter worden behartigd. Beide boeken helpen ons om kritisch te kijken naar het gebruik van bestaande online platforms. Beleidsmakers laten de organisatie van ons dagelijks leven en democratische processen te makkelijk over aan commerciële online platforms.

Zijn alternatieven mogelijk? Beide boeken pleiten ervoor daarop in te zetten. Het ondenkbare – dat publieke systemen zouden kunnen bestaan die het hoofd bieden aan globaliserende, commerciële platforms – moet daarvoor denkbaar gemaakt worden. Dat vraagt om een insteek op een grotere schaal dan lokale universitaire centra voor informatie- en communicatietechnologie kunnen opbrengen. In de loop van de jaren nul zijn zij bijna allemaal gestopt zelf online platforms te bouwen. Menig universiteit in Nederland is op basis van een aantal rekensommen te snel naar platforms van Google, Blackboard of Coursera overgestapt zonder daar een intern debat over te voeren. Hoeveel zeggenschap en transparantie daarbij onverhoeds verloren is gegaan begint inmiddels wel door te dringen –  een aantal instellingen (waaronder de universiteiten van Leiden en Groningen) zoekt actief naar oplossingen die beter bij de centrale waarden en taken van universiteiten aansluiten. Er is, ook aan de academie, groeiende behoefte aan een nieuwe beweging, sterk genoeg om de almacht van multinationale platforms terug te dringen.

Datakapitalisme
Viktor Mayer-Schönberger en Thomas Ramges Reinventing Capitalism in the Era of Big Data biedt een originele analyse van de opkomst van big data vanuit een politiek-economische invalshoek. Zij tonen hoe het kapitalistische systeem verandert wanneer dat niet meer draait om de circulatie van geld maar van data, leveren en passant kritiek op het huidige financiële kapitalisme en verdedigen een nieuwe vorm: datakapitalisme. Mayer-Schönberger en Ramge zien juist de versterkte invloed van de markt, mogelijk gemaakt door de massale uitwisseling van data, als middel om de menselijke vrijheid te behouden in een toekomst waarin machines en robots de maatschappelijke infrastructuur beheersen en vormgeven. Hun centrale stelling is dat de markt nu voornamelijk via de prijs van producten en diensten invloed uitoefent op de maatschappij. Daardoor is slechts beperkte informatie beschikbaar voor consumenten en producenten: veel aspecten van de samenleving kunnen immers niet in geld worden uitgedrukt en worden dus genegeerd. De markt heeft onze wereld met andere woorden vereenvoudigd tot alleen datgene wat in geld kan worden uitgedrukt. Het gebruik van geld als de maat om alle activiteiten en goederen met elkaar te vergelijken heeft dus een prijs gehad.

Volgens Mayer-Schönberger en Ramge is het best mogelijk het sociale leven in al zijn facetten en variaties te coderen, vergelijkbaar te maken en mee te laten wegen. Door datatechnologieën, communicatiemedia en kunstmatige intelligentie zal een veel complexer marktmechanisme ontstaan dat niet alleen is gebaseerd op geld. In dit toekomstbeeld nemen data dus de informatiefunctie van geld over. Dit is volgens Mayer-Schönberger en Ramge gevaarlijk, omdat het gedrag van mensen makkelijker kan worden beïnvloed. Tegelijkertijd verwachten zij veel van de zogenaamde dataficatie van de samenleving, omdat data de veelzijdigheid van het menselijk bestaan in economische interacties centraal zouden kunnen stellen.

Een van de gevolgen daarvan zou de teloorgang van de klassieke bedrijfsvorm zijn. De auteurs voorzien de opkomst van nieuwe typen bedrijven die niet alleen spelers zijn op de markt, maar in zekere zin ook zelf markten zijn (zoals Uber) of die door AI-systemen worden geleid. Mayer-Schönberger en Ramge voorspellen zelfs dat kapitaal in de huidige vorm zal verdwijnen en dat data de basis voor nieuwe economische interacties zal worden. Hoewel zij interactie via de markt als uitgangspunt nemen, pleiten ze tegelijkertijd voor overheidsregulering – volgens hen noodzakelijk om te voorkomen dat dergelijke markten tot onbeheersbare totalitaire structuren verworden, en om ervoor te zorgen dat wij onze controle over onze eigen data niet volledig kwijtraken en die zelf kunnen beheren.

Mayer-Schönberger en Ramge hebben dus een ander wereldbeeld dan Van Dijck et al. en Wessel et al. De markt zal volgens hen namelijk nog belangrijker worden als regulatiemechanisme van sociale interacties. Tegelijkertijd onderstrepen zij de noodzaak van nieuwe wet- en regelgeving ter begrenzing van deze op data gebaseerde markten.  Als we dit nalaten zal de menselijke vrijheid door datamonopolies teniet worden gedaan. De voorstellen die Mayer-Schönberger en Ramge op dit terrein doen zijn net zo radicaal als hun beeld van het nieuwe kapitalisme. Zo pleiten zij voor een data sharing mandate dat bedrijven verplicht hun data te delen met concurrenten en stellen zij bovendien voor om belastingheffing te baseren op de productie en beschikbaarstelling van data. Het doel daarvan is om bestaande datamonopolies en -oligopolies open te breken en nieuwe monopolies te voorkomen. De vrije keuze van het individu staat voor hen centraal: waarover wil het zelf beslissen en welke keuzes wil het delegeren aan AI-systemen, machines en datastructuren? Om onze keuzevrijheid te faciliteren is het noodzakelijk dat niet alle AI-systemen volgens dezelfde logica functioneren. Deze noodzakelijke diversiteit vereist op haar beurt regulering van de economische processen die deze platforms produceren.

Kortom: in de toekomst moet de grondstof van markten niet meer geld zijn maar data, en deze markten moeten door nieuwe wetgeving en nieuwe vormen van belastingheffing gereguleerd worden. Het is een andere toekomst dan een door de overheid gereguleerde samenleving, maar het is ook weer geen libertaire of atomaire samenleving waarin de nadruk ligt op het geïsoleerde individu. Reinventing Capitalism levert daarmee een originele en uitdagende propositie. De auteurs miskennen echter de rol van de publieke sector, die niet voldoende aan bod komt. De huidige discussie over de toepassing van de nieuwe privacy- en anti-trust-regelgeving in Europa laat nu juist zien dat de voorstellen die Mayer-Schönberger en Ramge doen over een datamandaat en databelastingheffing richtlijnen kunnen vormen voor publiek beleid. De noodzaak een nieuwe interpretatie te ontwikkelen van de publieke sector staat juist centraal in de boeken van de teams van Van Dijck en Wessels. Van Dijck et al. willen de verborgen maatschappelijke waarden in platformmechanismen blootleggen. De cruciale vraag is wie er bij de volgende stap, die van de herstructurering van de datasamenleving, achter de knoppen zal zitten.
Ook Shoshana Zuboff stelt deze vraag in The Age of Surveillance Capitalism, waarin zij een dystopische visie schetst van een wereld waarin bedrijven als Google ons gedrag kunnen voorspellen en controleren. Zij stelt dat hiermee een nieuwe vorm van kapitalisme (‘surveillance capitalism’) ontstaat die fundamentele menselijke vrijheden bedreigt. Ook de hier besproken boeken analyseren de sociale structuren die worden gevormd door de opkomst van nieuwe communicatiemedia en digitale datastructuren. Van Dijck et al. bekritiseren het idee dat platforms vanzelf tot een open en transparante samenleving zullen leiden. Een mix van commerciële en publieke platforms is in hun ogen het hoogst haalbare. Het team van Wessels onderstreept juist de beloften van open data en de mogelijkheid dat een beweging die tot stand kan brengen. Mayer-Schönberger en Ramge pleiten zelfs voor een nieuwe vorm van kapitalisme door data als vergelijkingsmedium te gaan gebruiken. Dit laatste perspectief is beduidend positiever dan dat van Shoshana Zuboff. Duidelijk is dat traditionele dichotomieën – markt/publieke sector, private/publieke sferen, enzovoort – zeer onstabiel en misschien zelfs irrelevant zijn geworden.

Het is duidelijk dat samenleven met data naast technologische ook sociale vraagstukken opwerpt. De dataficatie van de samenleving is daarmee ook een uitdaging voor de sociale wetenschappen. Dit blijkt al uit het feit dat voor een aantal verschijnselen zelfs het analytisch apparaat en de taal nog ontwikkeld moeten worden. Van Dijck et al. gebruiken een metaforische taal om ‘ecosystemen van platforms’ aan te duiden. Begrippen zoals ‘open’ en ‘informatiesamenleving’ zijn eveneens weinig precies. Ook is de term ‘datakapitalisme’ onnauwkeurig: als de accumulatie en productie van data een andere dynamiek kent dan financieel kapitalisme, is het dan nog juist om over ‘kapitaal’ te spreken? Nieuwe online dynamieken bieden ruimte voor nieuwe concepten. Tegelijkertijd is duidelijk dat klassieke begrippen als macht en vrijheid hun relevantie bepaald niet verloren hebben.