Uren van discretie: Saint-Simon lezen in de 21ste eeuw
🖋 Leen Huet


Was een boek vroeger een manier om uit een besloten binnenwereld te treden en met andere geesten contact te leggen, nu zijn boeken soms eerder een manier om ons van de wereld af te zonderen, even echt privé te zijn. Dat dat geen navelstaarderij oplevert, maar juist een helderder blik, toont Leen Huet, lezend in de memoires van een Franse hertog uit het ancien régime.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Saint-Simon, Mémoires suivi de Additions au Journal de Dangeau, vol. I-VIII (Bibliothèque de la Pléiade, Gallimard 1983-1988 (nouvelle édition), 1904-… blz.

Essay uit dNBg 2019#3

Als kind leerde ik over het briefgeheim in de les wereldoriëntatie. Ik vond het erg sportief van onze natiestaten om dat briefgeheim te beschermen. Net zo sportief als de bescherming van het recht dat gevangenen hadden om ongestraft een ontsnappingspoging te wagen.

Het briefgeheim bestaat nog steeds. Wie dat wenst, kan ervan genieten. Helaas zenden we intussen berichten naar elkaar via het wereldwijde web. Van e-mailgeheim is geen sprake,  van persoonlijkeberichtengeheim op Facebook evenmin. Voorts zijn we op dat web, een hemels shoppingcenter dat eeuwig open is, prooien geworden voor algoritmes. Deze haast mythische wezens, vergelijkbaar met de Griekse Furiën, analyseren ons voortdurende online gedrag met het voorlopige doel ons almaar efficiënter spullen te verkopen. Er circuleren onrustwekkende verhalen, over Cambridge Analytica, over Kaspersky, over Huawei. Zijn dat de nieuwe namen van de wraakgodinnen Alekto, Megaera en Tisiphone? Als online lezer van een krant hier en een tijdschrift daar krijg je al snel het gevoel dat autoritaire regimes in het buitenland razendsnel alles over je politieke voorkeuren te weten kunnen komen, mocht het hen boeien. Dan voelt dat wereldwijde web in plaats van vrij en open ineens kleverig aan. Als een spinnenweb.

Wat te doen?
Bood een boek me vroeger simpelweg de mogelijkheid om me te verdiepen in een andere geest, nu is het een instrument geworden om me terug te trekken uit de wereld. Als een monnik zit ik met een boekje in een hoekje. Geen satelliet lokaliseert me terwijl ik lees. Ik breng niemand op de hoogte van opwellende gedachten. Er bestaan geen foto’s van mijn hand die de bladzijden omslaat. Ik lees woorden, maar kan noch wil doorklikken naar iets anders. Wat er gebeurt is volkomen privé. De gewaarwording van vrijheid is des te sterker wanneer het boek uit de mode is, obscuur, veeleisend en het lezen ervan economisch nutteloos.

Een mooi voorbeeld van zo’n boek zijn de Mémoires van de hertog van Saint-Simon. Acht delen dundruk in de Pléiade-editie. De memoires beslaan de periode van 1691 tot 1723 en gunnen ons een blik in het leven van een Franse hertog tijdens het ancien régime. Wat is een hertog? In België treft men deze schepselen af en toe nog aan in hun natuurlijke habitat, in Nederland zijn ze uitgestorven sinds 1831. Wie was Louis de Rouvroy, hertog van Saint-Simon (1675-1755)? De late, enige zoon van een oude edelman, die de titel hertog gekregen had omdat hij de koning hielp om snel van paarden te wisselen tijdens de jacht. Deze anekdote leert je al iets over de maatschappij van het ancien régime. Maar ongetwijfeld brengt ze je ook iets bij over onze eigen tijd. Want er zijn nog steeds machthebbers en ze verlenen nog steeds gunsten. Nu dan op meer objectieve gronden? Meritocratisch?

Een hertog was een militair, een man die status en voorrechten had genoten van in de wieg, een man met macht en allure. Waarom zou zo iemand elke dag uren besteden aan het opschrijven van zijn lotgevallen? Waarom moeizaam denken wanneer je vlot kunt handelen? Onze hertog van Saint-Simon stelde zich dezelfde vragen. In de inleiding op zijn gedenkschriften, geschreven in 1743, steekt hij van wal met een verrassende gedachte: past het wel voor een christen om zich zo te verdiepen in de zonden, de karakterfouten, de dwaasheden van zijn tijdgenoten? Is het niet in strijd met het gebod van naastenliefde om dit alles in detail vast te leggen en zelfs voor het nageslacht te bewaren? Antwoord: ‘Zullen scrupuleuze lieden ons ervan overtuigen dat God van ons vraagt wat tegengesteld is aan hemzelf, vermits hij licht en waarheid is? Zodat wij onze ogen sluiten en de leugen koesteren, uit angst om de waarheid te zien?’ Je leert de schrijver kennen in deze inleiding: een kwieke, vinnige man, met geheel andere uitgangspunten dan jijzelf, maar leerzaam, erg leerzaam.

‘Uit mezelf las ik graag geschiedkundige werken en vooral persoonlijke gedenkschriften uit onze recente geschiedenis sinds Frans I. Zo ontkiemde mijn zin om ook mijn tijd zoals ik die zelf waarnam te beschrijven, in de hoop en het verlangen iets te betekenen, en zo goed als ik kon de zaken van mijn tijd te doorgronden.’ Zo gezegd, zo gedaan. De negentienjarige musketier in dienst van Lodewijk XIV besteedt zijn avonden in het legerkamp niet louter aan babbelen en drinken met vrienden. Hij trekt zich terug in zijn tent om te schrijven. ‘In de vrije tijd van die lange veldtocht in het legerkamp van Gau-Böckelheim begon ik aan deze Gedenkschriften, aangespoord door het genoegen dat ik vond in het lezen van de memoires van maarschalk de Bassompierre, die me uitnodigde om op mijn beurt op te schrijven wat ik in mijn tijd zag gebeuren.’ Het is een onvergetelijk beeld: de jonge hertog bij kaarslicht, peinzend en pennend aan een wankel tafeltje. Een mooi onderwerp voor een barokschilder gespecialiseerd in nachtelijke taferelen. De liefde voor geschiedenis en verslaggeving moet wel groot zijn wanneer je er zo jong en midden in je legerdienst aan begint.

Saint-Simon was overigens zelf een uitstekend schilder: van portretten met woorden. Je zou haast door hem beschreven willen worden, dan wel in de hoop dat hij enige sympathie voor je koesterde. Dit talent was precies wat Marcel Proust zo aantrok in zijn werk: Proust wilde de Saint-Simon van zijn eigen eeuw worden en net zulke indringende portretten nalaten van zijn tijdgenoten, bij voorkeur afstammelingen van de personages van Saint-Simon.

Een beroemde passage uit het eerste Pléiadedeel gaat om het geschilderde portret van Saint-Simons geestelijke leidsman, Armand de Rancé, de stichter van de orde der trappisten. Rancé wilde zich uit bescheidenheid niet laten portretteren. Saint-Simon wenste toch een aandenken aan hem te hebben. In 1696 betaalde hij de schilder Hyacinthe Rigaud om met hem naar de abdij van La Trappe te gaan. Saint-Simon stelde de schilder voor als een collega-officier die er erg naar verlangde de vermaarde Rancé eens met eigen ogen te aanschouwen. Omdat hij erg stotterde, zou Rigaud de monnik niet lastigvallen met conversatie. Rigaud gaf zijn ogen een uur de kost en spoedde zich dan naar een aanpalende kamer, waar zijn materiaal klaar lag. Uiteindelijk bleken er toch nog drie ontmoetingen nodig te zijn om het portret te voltooien en Saint-Simon moest behoorlijk zijn best doen om Rancé te blijven misleiden over het doel van deze bezoekjes. De schrijver, die jarenlang zo discreet werkte aan zijn eigen memoires, wilde de discretie jegens zijn beste vrienden graag doorbreken wanneer dat zo uitkwam.

De helm van een ruimtevaarder

Ik ben Saint-Simon dankbaar. Zijn boeken verschaffen me uren van lering en vermaak. Ik zou in het kasteel van Versailles zelfs kunnen gaan zoeken naar de kamers waar hij als uitgerangeerd politicus zat te schrijven. Waarom uitgerangeerd? Hij kon het niet verdragen dat Lodewijk XIV zijn bastaardkinderen haast dezelfde rechten gaf als zijn enige wettige zoon. Het lijkt een detail, maar het deed alle goede orde in de samenleving wankelen. De koning tastte zelf de waarde van onberispelijke afstamming aan en ondergroef op die manier zijn eigen status. Met die fundamentele overtuiging kun je natuurlijk geen carrière maken aan het hof van een verlichte despoot.

Saint-Simon herinnert me eraan dat het ancien régime niet helemaal voorbij is. Maatschappelijke klasse bepaalt nog steeds vele levens. Met de middenklasse zien we ook de utopie van de egalitaire samenleving afbrokkelen. Is ons decennialang een sprookje verteld? In The Patrick Melrose Novels van Edward St Aubyn bezoekt het personage Johnny Hall een feest in een Engels landhuis, waar ook prinses Margaret, zuster van de koningin, te gast is. Hij heeft het met de prinses even over ‘het toeval van de geboorte’, die geen distinctie waarborgt. ‘“That’s where people go wrong,” said the Princess, compressing her lips. “There is no accident in birth.”’ Een bliksemflits van een zinnetje.

Had de hertog niet in alle stilte vrolijk over zijn onbehagen geschreven, dan had ik me niet met zijn boeken kunnen terugtrekken en dat ‘andere land’, het verleden, kunnen verkennen. Herkennen. Dan had ik me geen beeld van onze samenleving kunnen vormen dat afstand neemt van wat algoritmes mij, gretige grasduiner online, dagelijks aanleveren: datgene wat krantensites beweren, opiniemakers verkondigen, spindoctors verzoeten.

Saint-Simon verschaft bovenal concentratie, de kostbare mentale inspanning die je afleert op het wereldwijde web dat ons ‘allen met elkaar verbindt’. Saint-Simons werk wijst me erop dat het nodig is om een doel te hebben en doorzettingsvermogen. Wie een leven wil leiden, moet zich op dat leven concentreren. Boeken helpen daarbij. Zoals Nabokov schreef in Pnin: ‘De mens bestaat slechts in zoverre als hij gescheiden is van zijn omgeving. Elke schedel is de helm van een ruimtevaarder.’ Dat is geen vloek, wel een voorrecht.