De hypothesemachine: over feiten, intuïtie en cognitie
🖋 Geerdt Magiels


Er is hoop. Je kan jezelf trainen om onbewuste cognitieve reflexen te herkennen, er over na te denken, ze af te wegen tegen redelijke argumenten en bewust je mening bij te sturen. Het gaat niet vanzelf, maar het kan. Bioloog en filosoof Geerdt Magiels legt vier recente boeken over feiten en interpretatie achter elkaar en stapt over.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Julian Baggini, Een kleine geschiedenis van de waarheid. Troost in tijden van nepnieuws (vert. Bram Galenkamp) (Klement 2018), 104 blz.
Hans Rosling, Ola Rosling & Anna Rosling Rönnlund, Feitenkennis. Tien redenen waarom we een verkeerd beeld van de wereld hebben en waarom het beter gaat dan je denkt (vert. Annemie de Vries) (Het Spectrum 2018), 344 blz.

Zonder kennis geen vooruitgang. Als we het morgen ook maar een beetje beter willen doen dan vandaag, moeten we weten wat we nu hoe doen, en begrijpen welk effect dat heeft. Zonder inzicht in de feiten zijn we nergens: nooit eerder hadden we zoveel feiten ter beschikking, en manieren om die feiten te verzamelen. Nu komt het erop aan uit die overvloed de beste feiten en de meest werkbare beslissingen te destilleren. Dat valt niet mee: er blijken valse feiten te circuleren en hele volksstammen kijken alleen naar die feiten die in hun kraam passen. Het vertrouwen in de feiten die politici, media en zelfs wetenschappers aandragen neemt af. De waarheid is in het gedrang, hoor je links en rechts. Hoe verder?

Waarheid
Zijn we inderdaad ‘voorbij de waarheid’, zoals critici beweren? Komen de waarden van de Verlichting in de verdrukking als ‘alternatieve feiten’ gaan bepalen wat er gebeurt? Volgens de Britse filosoof Julian Baggini is er geen reden tot wanhoop. In Een kleine geschiedenis van de waarheid weerspreekt hij het idee dat waarheid er niet meer toe doet. De bewering dat we in een ‘postwaarheidwereld’ leven klopt volgens hem niet. Volgens Baggini is waarheid onverminderd belangrijk, maar wordt er op de verkeerde manier over gedacht.

Mario Livio, Why? What Makes Us Curious (Simon & Schuster 2017), 272 blz.
Iris Sommer, De zeven zintuigen. Over waarnemen en onwaarnemen (Prometheus 2018), 256 blz.

In minder dan 120 bladzijden verkent hij het slagveld waarop om de feiten wordt gevochten. Hij heeft niet de ambitie de eeuwenoude discussie over waarheid in een zo kort bestek te beslechten, maar slaagt er wel in de filosofische leek voldoende handvatten aan te reiken om de complexiteit van het begrip te doorzien. Hij stippelt als het ware een route uit door een kennisveld waarvan vakfilosofen doorgaans een heus mijnenveld van logica en taal maken.

Om te beginnen onderscheidt Baggini verschillende soorten waarheden. Hij begint bij de ‘eeuwige waarheden’, zoals geopenbaard in heilige geschriften, die meer doorleefd dan doordacht zijn. Het zijn waarheden met hoofdletter W en van een heel andere orde dan objectief vaststelbare feiten als het atoomgewicht van goud of de datum van de eerste maanlanding.

Dan identificeert hij nog acht andere vormen van waarheid. Om te beginnen de ‘autoritaire waarheden’, die berusten op het oordeel van een autoriteit. Ze dagen je uit zelf te denken en je eigen mening te vormen. Daarop volgen de ‘esoterische waarheden’, de waaier van complottheorieën. Die lijken soms vergezocht, maar moeten worden afgewogen tegen het onmiskenbare feit dat sommige mensen of groepen hun activiteiten geheim willen houden. Baggini plaatst daar een van zijn vele slimme kanttekeningen bij: wees sceptisch maar word niet cynisch. De ‘beredeneerde waarheden’ vervolgens, zijn het product van de ratio, de enige manier om kennis te nemen van onze eigen vooroordelen en misvattingen in een wereld vol ambiguïteit en complexiteit. De ‘empirische waarheden’ kunnen nooit honderd procent zekerheid claimen en zijn precies omwille van die nederigheid waardevol. De verrassende ‘creatieve waarheden’ noemt Baggini leugens, aangezien voor deze ‘feiten’ enige creativiteit nodig is om erin te geloven. Ze verschillen weer van de ‘relatieve waarheden’, die illustreren dat waarheid geen monopolie is van een geprivilegieerde groep, maar dat er verschillende perspectieven op de werkelijkheid mogelijk zijn. De ‘morele waarheden’ tenslotte, stellen de vraag of een uitspraak als ‘moorden is slecht’ waar of onwaar kan zijn, en of alleen gediplomeerde ethici daarover een uitspraak mogen doen?

Baggini rondt zijn inventaris af met ‘samenhangende waarheden’, door hem ‘holistic truths’ genoemd. Waarheid komt altijd in een netwerk, kennis ontstaat uit het verweven van verschillende soorten informatie. Een feit staat nooit alleen, een theorie wordt opgebouwd uit heel verschillende kennismaterialen. Iemands opvatting van wat waar is bevragen, brengt vaak een heel wereldbeeld aan het wankelen. Niemand kan zonder impliciet of expliciet wereldbeeld: iedereen zit in zekere zin opgescheept met zijn of haar overtuigingen.

Het lichtpunt is echter dat onze gedachten wendbaar zijn. Net als de hersenen flexibel zijn, is ook ons verstand dat. Nieuwe inzichten zijn mogelijk, ook fundamentele. De wetenschap is het mooiste voorbeeld van steeds opnieuw gegenereerde kennis, in een collectieve oefening om zichzelf ter discussie te stellen. De betere waarheden vind je niet in je eentje, ze zijn het resultaat van groepswerk: ‘Als ons coherent netwerk van aannames groter wordt en wordt gebouwd op feiten, wordt elke waarheid in dat netwerk sterker terwijl elke onwaarheid het steeds moeilijker zal hebben overeind te blijven,’ besluit Baggini. Hij verwijst daarbij naar de onvolprezen waarheidsfilosoof Bernard Williams, die ons wijst op de twee – voor het onderhouden van de waarheid – cruciale epistemologische deugden: eerlijkheid en accuratesse. Precies dat zijn de attitudes van de redelijkheid die ook in onze dagelijkse omgang met elkaar grote diensten kunnen bewijzen.

Feiten
Baggini’s publieksvriendelijke filosofie lijkt haast de voedingsbodem voor het levenswerk van Hans Rosling, de Zweedse arts, statisticus en professor internationale gezondheid aan het Karolinska Instituut. Rosling is bekend van TED-talks en andere optredens waarin hij statistische gegevens over de toestand en de evolutie van de wereld enthousiast tot leven brengt. Met het door hem zelf ontwikkelde programma Gapminder (vrij beschikbaar) liet hij steeds weer zien hoe het lot van de mensheid erop vooruit ging. Voor de alvleesklierkanker hem inhaalde, kon hij – daarbij ondersteund door palliatieve zorg en met hulp van zijn zoon en schoondochter – nog net zijn intellectueel testament afwerken. In Feitenkennis verweeft hij zijn wereldwijde ervaringen als tropenarts met beklijvende ethische vraagstukken, geënt op de meetbare feiten over gezondheid en welzijn van de wereldbevolking.

Die feiten zijn te weinig gekend. Het overgrote deel van de mensen denkt dat de wereld er veel slechter aan toe is dan in werkelijkheid. Op een eenvoudige vraag als ‘hoeveel mensen op de wereld hebben enige toegang tot elektriciteit: 20, 50 of 80 procent?’ antwoordt stelselmatig de meerderheid 20 procent. Terwijl het 80 is. De meeste mensen hebben het niet alleen fout, ze hebben het fout in de meest pessimistische richting. Rosling wil duidelijk maken hoe de wereld er werkelijk aan toe is en hij hangt zijn ode aan de feiten op aan een systematische maar speelse analyse van de manieren waarop wij onszelf misleiden.

Rosling was in de jaren tachtig arts in Mozambique. In het noorden van zijn district brak een epidemie uit. Mensen raakten verlamd aan de benen en werden binnen de paar dagen blind. Hij vertrouwde het niet en vroeg zijn vrouw en kinderen het gebied te verlaten. Waarop de burgemeester van de districtshoofdstad hem bij zich riep en hem vroeg of het inderdaad zo ernstig was en of hij de wegen vanuit het noorden naar de hoofdstad zou laten afzetten. Rosling twijfelde maar zag in dat hij moeilijk de ernst van de situatie kon afzwakken als hij de toestand te gevaarlijk vond voor zijn eigen familie.

De wegen werden afgesloten. Toen Rosling terugkwam uit de stad zag hij hoe de lichamen van vrouwen en kinderen en enkele mannen uit de zee gehaald werden. Elke hulp kwam te laat. Hij vroeg wat er gebeurd was. De vrouwen waren met hun kinderen onderweg gegaan naar de markt in de stad, maar er reden geen bussen. Ze vroegen de lokale vissers om hen te brengen. De gammele bootjes sloegen om. Niemand kon zwemmen, ook de vissers niet. Met zijn goedbedoeld advies aan de gouverneur had de arts tientallen mensen de dood in gejaagd.

Rosling vertelt dit verhaal 35 jaar later voor het eerst. Zijn nederige les is: laat je niet leiden door een gevoel van urgentie. Als je de feiten niet kent, neem je makkelijk verkeerde beslissingen. De ziekte was angstaanjagend bij gebrek aan kennis van de feiten. De epidemie bleek geen besmettelijke ziekte maar het gevolg van het eten van onbewerkte maniok… Maniok moet geraspt, en dagenlang gespoeld en geroosterd worden om hem eetbaar te maken. Door een mislukte oogst had de overheid hoge prijzen geboden voor bewerkte maniok. De arme boeren verkochten heel hun maniokvoorraad en aten uitgehongerd onbewerkte maniok vers van het veld. Die bevat echter toxische hoeveelheden cyanide. Een vergiftiging was de ware oorzaak van de mysterieuze aandoening.

Rosling geeft het als voorbeeld van het ‘urgentie-instinct’, een van de tien reflexmatige reacties die onze perceptie van de realiteit en onze reactie daarop mee bepalen. Zo zijn er ook nog het instinct om een zondebok te zoeken, om te denken in termen van ‘ik’ en ‘zij’ en de kloof tussen die twee, om te generaliseren zodat ‘ik’ denk dat ‘zij’ allemaal hetzelfde zijn, om ons te beperken tot één perspectief, om ervan uit te gaan dat rechtlijnige ontwikkelingen altijd rechtdoor blijven gaan, om te vergeten dat het meeste nieuws bestaat uit sensationele of dramatische berichten over uitzonderlijke gebeurtenissen, om overmatig aandacht te besteden aan angstaanjagende dingen, of om niet naar verhoudingen te kijken en geïmponeerd te worden door indrukwekkende cijfers, groot of klein.

Hij beseft hoe gemakkelijk we fouten maken en hoeveel rampen (mede daardoor) nog dreigen, zoals een pandemie, een financiële crash, een wereld(kern)oorlog, klimaatverandering of extreme armoede. Hij wil niemand in slaap wiegen met een optimistisch verhaal en noemt zichzelf een ‘possibilist’, iemand die niet zonder reden hoop heeft en niet zonder reden bang is. Alleen als we willen zien wat de mensheid al wel voor elkaar heeft gekregen en hoe groot de gevaren zijn die op ons afkomen hebben we de mogelijkheid om de situatie van mens en planeet te verbeteren. Dan moeten we wel uitgaan van de feiten en ons niet laten leiden door misleidende intuïties. Om de wereld te verbeteren moet je hem begrijpen. Feitenkennis is daarbij stressverlagend en mobiliserend. Zo koppel je kennis aan compassie. Het belang van Roslings boek is moeilijk te overschatten.

Overtuigingen
Ondanks de verhelderende en optimistisch stemmende verhalen van Baggini en Rosling blijven we elke dag geconfronteerd worden met mensen die ondanks de feiten niet van mening willen veranderen. Zij blijven ver van elke twijfel en dicht bij hun eigen gelijk. Onzekerheid blijkt iets te zijn waar we psychologisch slecht mee om kunnen. Niet toevallig dat mensen met stellige overtuigingen de talkshows, politieke debatten en krantencolumns domineren. Zij weten het zeker, zeggen ze allemaal. Wie het zo zeker weet is niet meer nieuwsgierig. Wie ondanks alles vasthoudt aan haar of zijn overtuigingen, staat niet open voor nieuwe informatie. Uit onderzoek blijkt dat hogeropgeleide mensen ongeacht hun conservatieve of progressieve oriëntatie geneigd zijn bij hun opvattingen te blijven. Informatie die hun opvattingen ondermijnt drijft hen nog meer in hun ingenomen standpunten. Mensen met een wetenschappelijke nieuwsgierigheid daarentegen staan open voor nieuwe informatie en zoeken die zelfs actief op.

Nieuwsgierigheid als onderdeel van ons karakter is een heel recent onderzoeksonderwerp. Nieuwsgierigheid komt, net als waarheden, in meerdere varianten. Er is de perceptuele nieuwsgierigheid als je iets onverwachts of ambigu tegenkomt en je er meer over wil weten – de relatief vluchtige variant. Er is ook de nieuwsgierigheid van de whodunit – de oppervlakkige. En er is de epistemische nieuwsgierigheid – de nieuwsgierigheid die de motor vormt achter wetenschappelijk onderzoek, de liefde voor de kennis.

Nieuwsgierigheid
De Amerikaanse astrofysicus Mario Livio waagde zich buiten zijn vakgebied en zoekt in de psychologie en neurologie naar een verklaring voor wat hem al die jaren dreef. In Why? blijft zijn hongerige nieuwsgierigheid naar nieuwsgierigheid uiteindelijk ongestild. Er zijn meer vragen dan antwoorden als het op nieuwsgierigheid aankomt.

Zoals veel onderscheidende eigenschappen van de mens is nieuwsgierigheid een genetisch en cognitief bepaalde eigenschap. Als je op zoek bent naar voedsel, drinkbaar water of een partner heeft exploratief gedrag evolutionaire voordelen, maar teveel onderzoekend gedrag kan eindigen in de afgrond of de muil van een roofdier. Zeker bij groepsdieren is de soort gebaat bij een zo breed mogelijke waaier van individuen, met genoeg ondernemende dieren om grenzen te verleggen en genoeg behoudende dieren om een stabiele uitvalsbasis te verzekeren. Angst voor het onbekende en potentieel gevaarlijke is daarbij een terechte drijfveer, waar de een al soepeler mee omspringt dan de ander.

Livio vindt geen bewijzen voor de bewering dat kinderen nieuwsgieriger zouden zijn dan volwassenen. Ze zijn hoogstens naïever in hun exploratief gedrag. En ze haken meestal af als een probleem te eenvoudig of te ingewikkeld wordt. Het onbekende is best spannend en adolescenten zoeken daarom de grenzen op. Ouder en wijzer zoek je die adrenalineverhogende activiteiten misschien minder op, maar de epistemische nieuwsgierigheid neemt niet af.

De creativiteit van wetenschappers en kunstenaars is gedeeltelijk geworteld in hun nieuwsgierigheid. Livio citeert Henry James: ‘Kunst leeft van de discussie, het experiment, de nieuwsgierigheid, de variatie in benaderingen, de uitwisseling van perspectieven en de vergelijking van standpunten.’ Livio’s speurtocht doorkruist de wetenschappen en de kunsten en gebruikt levensverhalen van mensen zoals Nobelprijslaureaat Ilya Prigogine of beeldend kunstenaar Vik Muniz als bakens. Zo wordt het meer een fenomenologische studie van nieuwsgierigheid, die moet vaststellen hoe weinig harde feiten er over het fenomeen bekend zijn. Wat we wel weten: nieuwsgierigheid lijkt samen te gaan met een goed geheugen, met een goed functionerend uitvoerend vermogen en met de capaciteit om verbanden te leggen en hypothesen te vormen over het hoe en het waarom van de dingen.

Intuïtie
Voorlopig ontbreekt de kennis om te weten hoe we nieuwsgierigheid zouden kunnen stimuleren of hoe we mensen meer interesse zouden kunnen doen krijgen in wat ze niet weten of in correcties op hun wereldbeeld. Van mening veranderen is en blijft moeilijk.

Moraalfilosoof Stijn Bruers veranderde een aantal keren van mening. Hij geeft grif toe dat hij zich op een tiental vlakken heeft vergist (iets wat niet velen hem nadoen). Bruers was jarenlang actief in de milieubeweging. Hij ging ervan uit dat GGO’s, ofwel genetisch gemodificeerde organismen, een negatief effect hebben. Hij veranderde van mening: ‘De milieubeweging beroept zich op studies om te zeggen dat GGO’s onveilig en milieuonvriendelijk zijn. Ik nam zelf deel aan acties tegen GGO’s. Tot ik zelf de tijd nam om eens goed naar de studies te kijken. En dan ben ik van mening veranderd.’ Dat had ingrijpende gevolgen: ‘Mijn omgeving reageerde niet altijd even positief. Sommige mensen schrokken, waren boos of verontwaardigd. Sommige vriendschappen verwaterden zelfs. Anderen vonden het juist dapper, of mooi. Ik kreeg er dus ook nieuwe vrienden door.’ (Morele illusies: waarom onze intuïties niet te vertrouwen zijn, Houtekiet 2017)

Kennis en de daarmee samenhangende overtuigingen hebben een sociale component. Mensen geloven vaak de waarheden die ze delen met de groep waarmee ze zich identificeren. Opinies veranderen vergt dus niet alleen intellectuele maar ook sociale flexibiliteit.

Cognitie
De feiten worden niet op een dienblad geserveerd. Je moet ze opmerken en waarnemen. Dat waarnemen is letterlijk ‘voor waar aannemen’. Met die waarneming loopt het echter vaak mis, zoals hersenonderzoeker Iris Sommer op bevattelijke wijze duidelijk maakt in haar Zeven zintuigen. Een waarneming is een interpretatie van de informatie die binnenkomt via de zintuigen door de modellen in onze hersenen gebaseerd op ervaring en voorkennis (en dus ook sterk sociaal en cultureel bepaald). Niemand kan onbevangen in het leven staan, iedereen maakt associaties en selecties die de beleving en de kennis van de wereld inkleuren. (Voor wie er van overtuigd is volkomen onbevooroordeeld in de wereld te staan: doe de associatietest op www.implicit.harvard.edu.)

Wie het brein leert zien als een hypothesemachine die voorspellingen maakt op basis van voorkennis – die per definitie beperkt en dus bevooroordeeld is –, kan de vele waarheden van Baggini of de zelfmisleidende processen van Rosling beter begrijpen. Sommers zesde zintuig is het evenwichtsorgaan, waarmee je, geholpen door de proprioceptie, in een fractie van een seconde je houding op de fiets corrigeert als een windstoot je uit evenwicht brengt. Even onbewust en bliksemsnel is het zevende zintuig van de intuïtie, het niet uit te schakelen hersensysteem dat de aandacht richt, binnenkomende informatie filtert en razendsnel een reactie aanstuurt. Het verklaart bijvoorbeeld de afkeer van onbekend voedsel zoals een zeekomkommer, of etnisch profileren, of het ‘niet-pluis-gevoel’ als je ’s nachts stappen achter je hoort.

Toch is er hoop. Je kan jezelf trainen om die onbewuste cognitieve reflexen te herkennen, er over na te denken, ze af te wegen tegen redelijke argumenten en bewust je mening bij te sturen. Het gaat niet vanzelf, maar het kan. ‘De eerste keer van mening veranderen is het moeilijkst,’ zegt Stijn Bruers. Maar oefening baart kunst en zicht krijgen op je eigen vooroordelen is wel degelijk mogelijk. We hebben allemaal intuïties, het komt er op aan te weten in hoeverre je je erop verlaat.

Onderzoek wijst uit dat angst en onzekerheid het geheugen en de ratio ondergraven. Mensen onder stress zien hun geheugen en executieve functies verminderen. Vooroordelen krijgen dan meer speelruimte. Onwetendheid en onderdrukking leiden tot selectieve waarneming en starre denkbeelden. Er is nog een wereld te winnen als we leren hoe feilbaar we zijn en hoe we onze fouten kunnen herkennen. Dan worden de feiten weer wat ze zouden moeten zijn: de bouwstenen van waarheid.