Waanzin, gekte of geestesziekte? Een gesprek met Mike Jay
🖋 Matei Iagher


Enkele weken geleden verscheen Mike Jay’s Mescaline: A Global History of the First Psychedelic bij Yale UP. Historicus van de menswetenschappen Matei Iagher sprak hem enige tijd terug over zijn werk, naar aanleiding van zijn geschiedenis van het gesticht.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Mike Jay, This Way Madness Lies: The Asylum and Beyond (Thames & Hudson 2016), 255 blz.

Vertaald door Arthur Eaton. Follow this link for the English version.

Ik ontmoette Mike Jay in de entreehal van de Wellcome Collection in Londen. Het Wellcome-gebouw is een museum en bibliotheek aan Euston Road, gespecialiseerd in medische geschiedenis. De entreehal is gigantisch: vol toeristen en beveiligers. Aan de ene kant is een stampvol café met een boekwinkel, aan de andere kant bevindt zich een duizelingwekkende wenteltrap naar de tentoonstellingen. Aan het plafond hangt een sculptuur van een androgyne figuur op z’n kop. In het museum organiseerde Jay in 2016 een grote tentoonstelling: ‘Bedlam: The Asylum and Beyond.’ Daarbij hoorde een boek, This Way Madness Lies, dat een overzicht biedt van de laatste vierhonderd jaar van de psychiatrie.

In de afgelopen twintig jaar heeft Mike Jay zeven boeken geschreven, vier bundels geredigeerd en talloze artikelen en recensies gepubliceerd. Zijn werk gaat onder meer over de culturele geschiedenis van drugs, de geschiedenis van de waanzin en achttiende-eeuwse politiek en filosofie. Hij wordt alom gelauwerd door historici en schrijvers, en toch is Jay een vreemde eend in de bijt. Hoewel hij schrijft over psychedelica, en toegeeft ze te hebben gebruikt voor zijn onderzoek, is hij geen wollige evangelist. En hoewel hij geen doctoraat heeft, en geen positie aan een universiteit, schrijft hij voornamelijk over academische onderwerpen. Zijn werk wordt door geleerden zeer gewaardeerd.

Jay is een forse vent. Zo’n twee meter lang, met de bouw van een gepensioneerde rugbyspeler, een kaal hoofd en kleurrijke overhemden. Hij was niet te missen tussen de dagjesmensen in het museum. Toen ik hem zag, begroette hij net vriendelijk een boekverkoper die hem vroeg een paar boeken te signeren. ‘Blijkbaar helpt het bij de verkoop,’ vertelde hij. Ik wachtte tot hij zijn jas aan had, waarna we vertrokken naar een stillere locatie. We staken Euston Road over en streken neer in een cafeetje met witte muren.

[Matei Iagher] Kun je wat vertellen over je intellectuele biografie – met name hoe je geïnteresseerd raakte in de geschiedenis van de psychiatrie?

[Mike Jay] Ik heb filosofie gestudeerd aan Cambridge. Toen ik klaar was, had ik mijn buik vol van het intellectuele bestaan. Ik zwoer nooit meer een boek te lezen. Toen begon ik films te maken. In mijn twintiger jaren werkte ik in verschillende functies: ik monteerde, deed research, regisseerde. Maar ik bleef stiekem toch lezen en schrijven. Ik begon toen te schrijven over drugs. Niemand anders deed dat. Mijn collega’s waren bang om gearresteerd te worden. Die zeiden: ‘De politie heeft vast je naam op een lijstje staan ergens. Dit kun je niet maken!’ Dus ik vond er een leeg speelveld, want de meeste druggies hebben het geduld niet om degelijk historisch onderzoek te doen en academici willen hun handen niet vies maken. Ik vond geweldige verhalen die nog nooit door iemand waren opgepikt. Mijn eerste boeken gingen daarover en ik vond – hoewel ik mezelf zag als een generalist zonder academische specialisatie – in drugs een soort specialisme.

Het onderwerp gaf me een vrijbrief om de brug tussen kunst en wetenschap over te steken. Ik maakte gebruik van kennis uit allerlei vakgebieden: psychologie, kunst, etnografie, geschiedenis. En toen ik de geschiedenis van drugs wel zo’n beetje gezien had, begon ik te schrijven over de achttiende eeuw en revolutionaire politiek. Ik had best de rest van mijn leven biografieën over filosofen uit de achttiende eeuw willen blijven schrijven, maar mensen kwamen steeds weer terug op mijn boeken over drugs. Zo werd ik tot de historicus van drugs gebombardeerd. Toch denk ik dat mijn aanpak vele malen breder is dan die van de meeste specialisten.

[MI] In This Way Madness Lies geef je een overzicht van de psychiatrie van grofweg de zeventiende eeuw tot nu. In het boek staat Bethlem Royal Hospital, beter bekend als Bedlam, centraal: het beroemde psychiatrische ziekenhuis in Londen. Hoe kwam dat zo? En waarom Bedlam?

Voor een eerder boek had ik gewerkt in de Bethlem-archieven. Toen begreep ik dat het een prachtige ingang bood voor de geschiedenis van de psychiatrie in zo’n lange periode. Mijn interesse was gewekt door vrienden met psychische problemen. Ik ontdekte dat het een onderwerp is dat niemand goed begrijpt. Er is natuurlijk een grote hoeveelheid professionele expertise in de psychiatrie en psychologie, maar er zijn ook heel veel vragen die onbeantwoord zijn gebleven.

Als je historisch kijkt naar de waanzin, zie je dat het voor een groot deel een sociale constructie is – of tenminste een antwoord op verschuivende normen. Het is een gigantisch onderwerp en de focus op Bedlam begrensde het verhaal. Ik werd ook getroffen door het feit dat Bedlam bestaat uit drie gebouwen die grofweg corresponderen met drie verschillende tijdperken: het gekkenhuis, de inrichting en het psychiatrisch ziekenhuis – de achttiende, negentiende en twintigste eeuw. Ik zag dat het onderwerp goed zou werken als tentoonstelling, dus ik stelde het voor aan de Wellcome Collection. Ook wilde ik de nadruk leggen op het perspectief van de patiënten, en ik vroeg me af of je daarmee een geschiedenis zou kunnen schrijven. Dus ik bracht de perspectieven van patiënten in dialoog met het perspectief van het instituut zelf.

[MI] Aan het begin van je boek noem je naast Bedlam ook Geel, in België. Daar heerste een heel andere visie op geestesziekte. Gekken werden daar opgenomen in de samenleving: ze werkten op het land, in boerenfamilies, waar ze naast de familieleden leefden en werkten. Zo waren ze alsnog een onderdeel van de maatschappij – in elk geval niet opgesloten. De visie van Bedlam verliest op een gegeven moment zijn aantrekkingskracht, terwijl het model van Geel in de loop van de geschiedenis steeds belangrijker lijkt te worden. Kun je iets meer vertellen over deze twee perspectieven op geestesziekte?

Ze zijn goed te vergelijken omdat ze rond dezelfde tijd werden opgericht. En ze vertegenwoordigen twee uiteenlopende perspectieven op de behandeling van gekken. In Bedlam werden zij in een kolonie opgesloten, in Geel werden zij in de samenleving geïntegreerd. Als je nu naar Geel gaat, zie je dat het integratieve zorgsysteem nog steeds deels in werking is, maar er staat ook een spiksplinternieuw psychiatrisch ziekenhuis. Tegenwoordig is er een soort synthese van de twee perspectieven aan de gang. Er wordt geprobeerd om zieke mensen zoveel mogelijk op te nemen in de samenleving, maar we houden opsluiting achter de hand. Dat maakt Geel zo interessant. Voor de mensen daar was geestesziekte niet in eerste instantie een medisch probleem, eerder een sociaal probleem.

[MI] De eerste zin van je boek luidt: ‘Het mag dan misschien lijken alsof geestesziekte (mental illness) van alle tijden is, maar het is in werkelijkheid zo’n tweehonderd jaar geleden ontstaan, en het is een product van de westerse wereld. Gekte (Madness) is daarentegen al sinds de oorsprong van de mens onderdeel van iedere cultuur.’ Je bespreekt in je boek de medicalisering van gekte. Kun je vertellen over het verschil tussen gekte en geestesziekte?

[MJ] Ik geloof dat het fenomeen geestesziekte vele dimensies heeft. In sommige gevallen heeft het een medische dimensie – maar het heeft ook een spirituele dimensie, een sociale dimensie, een psychologische. Je kunt er vanuit allerlei perspectieven naar kijken. Geestesziekte klinkt als het tegenovergestelde van geestelijke gezondheid, maar gezondheid is veel meer dan alleen een gebrek aan ziekte. De term ‘geestesziekte’ veronachtzaamt volgens mij alle andere dimensies en reduceert het geheel tot het medische domein. Er zijn natuurlijk veel geestesziekten die een biomedische dimensie hebben (dementie bijvoorbeeld). Maar bij vele andere ziektes is de biomedische oorzaak helemaal niet duidelijk. Uiteindelijk geloof ik dat er geen goed zelfstandig naamwoord is voor waar we het over hebben, omdat we het in feite hebben over miljoenen verschillende aandoeningen en zijnsvormen. Het enige wat ze met elkaar gemeen hebben is dat ze buiten de lijnen van de normaliteit vallen. Maar ook dat is problematisch, aangezien wat normaal gevonden wordt ook steeds verschuift. Ik vind beide termen problematisch, omdat het per definitie gaat om simplificaties. Maar als ik moest kiezen, denk ik dat gekte beter openstaat voor de niet-biomedische perspectieven.

[MI] Gekte wordt nu weer geclaimd door de voorstanders van het academische vakgebied ‘mad studies’.

[MJ] Dat klopt. Als je honderd jaar teruggaat, zie je dat de term geestesziekte heel progressief was, omdat het als alternatief werd gebruikt voor woorden als lunacy. De onderliggende boodschap was: dit is niet jouw lot. Het is een ziekte zoals alle andere. Het kan iedereen overkomen, en iedereen kan er weer bovenop komen. Maar ik snap wel dat we onszelf nu, honderd jaar later, misschien liever als ‘gek’ beschouwen. Het geeft meer perspectieven om uit te kiezen. Ben je een King Lear? Een Don Quichote? Of liever een Hamlet? Het is reductief om al die karakters en zijnsvormen als vormen van geestesziekte te bestempelen.

[MI] Op een gegeven moment schrijf je: ‘Depressie is een aandoening waarvoor antidepressiva verlichting kunnen bieden. Maar daardoor creëren ze ook meer depressie, aangezien ze de malaise van het moderne leven in een medische vorm gieten.’ Als ik het goed begrijp, zeg je dat het aanbod de vraag schept.

[MJ] Als ze niet werkten, zou niemand ze gebruiken. Het is echt niet alleen marketing. Aan de andere kant: als de medicijnen werken, waarom is er tegenwoordig dan sprake van een epidemie aan depressie?

Bijna niemand weet dit, maar toen de eerste antidepressiva werden ontdekt, wilden de producenten ze bijna niet lanceren omdat ze dachten dat er geen markt voor zou zijn. Dus ik denk dat het idee ‘depressie’ op dat moment werd geactiveerd. Als je medicijnen zoals antidepressiva hebt voor mensen die zich rot voelen, dan zijn artsen ineens alert op symptomen die wel eens bij een depressie zouden kunnen horen. Op dat moment is er een antwoord op een vraag die eerder niet zo bestond. Als mensen zich gaan realiseren dat er zoiets bestaat als een depressie, en er zijn antidepressiva om het fenomeen mee te genezen, dan zijn ze ook meer geneigd om hun alledaagse verdriet en sores te begrijpen als de voorgeschreven ziektes.

[MI] Omdat je dan een vorm van genezing hebt, een frame voor je problemen?

[MJ] Precies. Medicalisering heeft ook zijn voordelen. De belangrijkste is denk ik dat het de schuld wegneemt. Als je kunt zeggen: ‘ik ben ziek,’ dan is het niet jouw schuld als je de hele dag op je bank zit te piekeren, of ’s ochtends je bed niet uit kunt komen, of dat je leven vreselijk is. Ik heb een vriend, een gepensioneerde psychiater, die werk deed in Schotland en Noord-Ierland. Als hij dacht dat zijn patiënten sterk genoeg waren, zei hij tegen ze: ‘Kijk, je begrijpt wel dat er niks mis is met je brein. Je hebt deze pillen helemaal niet nodig. Het probleem is dat je leven vreselijk is en je geen voldoening geeft. Het antwoord op jouw probleem is om op de een of andere manier je leven te veranderen.’ De meeste mensen stapten direct naar zijn baas. Ze wilden een arts die ze pillen zou voorschrijven. Mensen willen dat hun malaise medisch is, en ze willen maar al te graag dat er een geneesmiddel voor is.

[MI] Een ander punt dat je maakt in het boek gaat over de hernieuwde interesse in drugs zoals MDMA en psilocybine voor de behandeling van allerlei psychische problemen (depressies, angsten, PTSS). Hoe zie jij de toekomst van zulk onderzoek?

[MJ] Ik denk dat het zo populair is omdat we langzaam ons geloof in traditionele farmaceutische middelen aan het verliezen zijn. Dat schrijf ik ook in mijn boek. De ontwikkeling van nieuwe antipsychotica en antidepressiva neemt razendsnel af. Ik denk dat mensen zich nu beginnen te realiseren dat we zo’n beetje op de grenzen zijn gestuit van wat we kunnen bereiken, gezien onze zeer gelimiteerde kennis van hoe het brein werkt. Mensen zijn op zoek naar alternatieven.

Ik zie veel mensen die transformatieve ervaringen hebben gehad met ayahuasca, bijvoorbeeld. Daarbij zijn denk ik de narratieven heel belangrijk. Ik zal voor mezelf spreken. In een tijd dat ik mentaal niet lekker was, ging ik naar de Amazone met een sjamaan. Tijdens onze trip werd ik psychisch uiteengereten, ik zag het oneindige en werd weer in elkaar gezet. Dat is een geweldig narratief over herstel! Veel beter dan: ‘Ik was depressief, de dokter gaf me wat pillen, toen kreeg ik een hogere dosis en nu voel ik me OK.’ In het laatste geval zit je gevangen in een narratief over de chemische gebreken van je brein. Psychedelische therapie kan heel goed werken voor mensen die daarvoor open staan.

Daar moet ik wel bij zeggen: sterke psychedelische drugs geven aan mentaal zwakke mensen is wel problematisch. Ik weet dat het werkt, want ik heb het zien werken, maar er is natuurlijk ook de mogelijkheid dat het niet werkt. Dat geldt trouwens ook voor gewone medicatie. Maar als dat gebeurt met drugs is er het gevaar dat de volgende therapeut zal zeggen: ‘Je vorige therapeut gaf je MDMA? In jouw conditie? Je moet een rechtszaak aanspannen!’ Die beweging heeft zeker potentie, met name voor mensen die openstaan voor openbaringen door psychedelische ervaringen. Maar of het ook gaat werken binnen de gevestigde klinische psychiatrie is nog maar de vraag.

[MI] Je hebt er weinig controle over als je een psychiater bent, lijkt me. Je weet niet wat er gaat gebeuren. Het is niet iets wat je helemaal kunt begrijpen.

Als drugs werken, werken ze omdat de therapeut goed is en omdat hij er echt in gelooft. De enige persoon die ik ken die ooit lsd kreeg tijdens zijn therapie was mijn oom. Hij had in de jaren zestig ernstige mentale problemen. Hij kreeg in een dokterspraktijk lsd en werd toen in een plastic stoeltje gezet met de opdracht: denk maar eens terug aan je kindertijd. Dat waren waarschijnlijk de meest angstaanjagende acht uren van zijn leven. Het belangrijkste aspect is volgens mij de therapie zelf. Het is een beetje zoals bij homeopathie. Als de arts gelooft wat hij of zij doet, en daarnaast aardig is en ondersteunend, ga je je beter voelen. Ik denk dat hetzelfde geldt voor psychedelica. Vaak denken mensen dat het de drugs zijn die de verandering veroorzaken, terwijl het eigenlijk de therapeuten zijn die het werk doen.

[MI] En ze hebben een goed verhaal.

[MJ] Een heel sjiek verhaal.

[MI] Waar vond de lsd-ervaring van je oom plaats?

[MJ] Ik denk dat het ergens in Harley Street moet zijn geweest.

[MI] In Londen?

[MJ] Ja, bij een ouderwetse freudiaanse analyticus. Het was een reis terug naar zijn kindertijd. Maar in het geval van mijn oom was dat een plek waar hij absoluut niet naar terug wilde, en dat was het probleem.