Een tempo dat de mens past: literair wandelen op achttiende-eeuws Texel
🖋 Cosette Molijn


Pieter Kikkert – naast boekhouder onder meer etser en schrijver – liet een romantische beschrijving na van een wandeling die hij in de zomer van 1791 op Texel maakte. Zijn tijdgenoten raadde hij aan hetzelfde te doen: wandelen, in plaats van je gejaagd voort te laten trekken in een rammelende koets. Cosette Molijn bespreekt Eiland in de nevel. Romantische omzwervingen van Pieter Kikkert, de eerste wandelaar op Texel in 1791, de geschiedenis die Lodewijk Dros over Kikkerts wereld schreef.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Lodewijk Dros, Eiland in de nevel. Romantische omzwervingen van Pieter Kikkert, de eerste wandelaar op Texel in 1791 (Boom 2019), 221 blz.

Op een zomerse dag in 1791 loopt een jonge Leidenaar op het noordoostelijke puntje van Texel. Zo’n twee uur lopen daarvandaan ligt Eierland, het meest noordelijke deel van het Waddeneiland, dat alleen met laag water te bereiken is via een lange, smalle zanddijk. De vijftienjarige Pieter Kikkert ziet rechts van hem golfjes van de Zuiderzee voortkabbelen, links bruist het Noordzeeschuim. Hij is onderweg naar familie in het Eijerlandse Huis, het enige huis op het schiereiland. Drenkelingen kunnen er hun kleren drogen en hun reisgenoten begraven die de schipbreuk niet hebben overleefd. Na het middageten verlaat Pieter het schiereiland via diezelfde zanddijk om zijn wandeling naar het noordelijke Eijerland en de zuidelijke Kattenpolder (tegenwoordig de Prins Hendrikpolder) voort te zetten.

De jonge Pieter ging uiteindelijk in Vlaardingen wonen met zijn vrouw Cato en hun twaalf kinderen. Hij was er belastinginner en een gerespecteerd man. Ook werd hij boekhouder van een rederij, en legde hij het fundament voor wat later Rederij Kikkert van zijn oudste zoon Hendrik zou worden. Daarnaast was hij creatief: hij schreef, dichtte, schilderde en speelde viool. Volgens Lodewijk Dros, die Eiland in de nevel baseerde op manuscripten van Pieter Kikkert, ging vooral het etsen hem goed af, zijn schrijfkunst was beduidend minder (‘De illustratie bij zijn volkslied was geslaagder dan de hoogdravende tekst ervan’).

Toen Dros (chef van Letter&Geest bij Trouw) via een vriend van zijn buurvrouw de reisverslagen van ene ‘Pierre’ Kikkert kreeg toegestuurd, herinnerde hij zich de goudets met een Vlaardings haringtafereel op glas van ‘meester-etser’ Pieter Kikkert – volgens de Tussen Kunst & Kitsch-experts destijds nog 30.000 gulden waard. De reisverslagen naar de noordkop van Texel, nog jaren voor de inpoldering, verbaasden Dros, zo zeldzaam als ze waren. De eilanden werden door reizigers die dagboeken en reisbrieven schreven rond 1800 namelijk nog nauwelijks bezocht: ‘Ze meden de eilanden, die barre oorden, bedreigd door de zee en bewoond door onbeschaafd volk.’ Pieters verslag daarentegen ‘was zo beeldend geschreven dat ik meteen meewandelde. (…) Zijn wandeling over Texel in 1791 is hoogstwaarschijnlijk de oudste beschreven wandeling van het eiland (…).’ Aan de hand van de nalatenschap van Pieter Kikkert ging Dros op zoek naar de jonge wandelaar, de Kattenpolder en het Eijerlandse Huis.

Romantische rust
Pieter gaf voordrachten bij de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen in Vlaardingen. De Maatschappij was eigenlijk bedoeld voor de ‘morele en economische verheffing van de lagere klasse’, maar Pieters lezingen waren vooral populair onder jongeren en twintigers uit de gegoede burgerij. De voordrachten bij ’t Nut waren hip, een tikje tegendraads, en pasten bij de vroegnegentiende-eeuwse jongerencultuur en haar verlichtingsidealen. In één van zijn lezingen in 1834, ‘Reize van Vlaardingen naar Schiedam’, spreekt Pieter zijn zorgen uit over het gehaaste moderne leven. Ja, de diligence (koets) was een handig vervoersmiddel gebleken – met wel vijftien kilometer per uur bereikte je vlug je bestemming, maar het maakte lawaai en hotste voortdurend. ‘Je kon beter wandelen, een stille reiswijze in een tempo dat de mens past. Zo (…) ontwikkelt men “menig een denkbeeld of gewaarwording in ons die men in ‘t gewoel der Waereld of in ‘t gejaag en geruis van Stoomboot of diligence moeilijk zoo danig aantreffen, grijpen, of althans niet vasthouden kan”.’ Hij beschrijft de pracht van een (solitaire) wandeling, met zeeën van tijd voor persoonlijke bespiegelingen en overwegingen, terwijl je met al je zintuigen de natuurlijke omgeving in je opneemt. Aan de hand van zijn wandeling op Texel, ruim dertig jaar eerder, illustreert Pieter zijn filosofie aan zijn luisteraars. ‘Pieter leed zelf zeer onder de druk van conventies, werk en “gejaag”,’ aldus Dros. ‘Het reisverhaal is als het ware zelfmedicatie die hij anderen aanbeveelt. (…) Met een anachronisme: mindful.’

Geïnspireerd door de preromantische dichter Rhijnvis Feith, voor wie volgens Dros de natuur ‘de weerslag van de woelingen in het eigen hart’ was, liep Pieter Kikkert dan ook op zijn tijdgenoten vooruit. Niet alleen was hij zich ervan bewust dat het tempo in de maatschappij toenam, ook was hij een van de eersten die zijn tocht op het Waddeneiland zo romantisch beschreef.

Pieter was ook een uitgesproken liefhebber van Ossian, destijds volgens velen de auteur van een verzameling Keltische gedichten die met zijn epos ‘een eigen Homerus en een Keltische ziel’ aan Schotland had geschonken. In 1761 beweerde dichter James Macpherson de gedichten (in het Gaelic) te hebben gevonden, waarop hij ze vertaalde en publiceerde in de bundel The Works of Ossian. De werken waren razend populair, totdat bleek dat Macpherson Ossian was, en Ossian verzonnen.

Tijdens zijn Texelse wandeling wist Pieter dat waarschijnlijk nog niet. Altijd had hij Ossian mee op pad. Samen met de Gaelische dichter keek hij uit over de Eijerlandse zandduinen in de ochtendmist:

Deze dikke damp (…) hing of daalde ten minste zeer laag, zoo dat ik, op mijn hogen zandduin daarboven verheven zijnde, boven mij een heldere hemel had en beneden mij, wáár het oog ook heen weidde, enkel een dikke ondoordringbaren nevel zien kon juist zoo als zij, die over de Alpische gebergten reizende, de wolken beneden zich zien (…).

Inderdaad, schrijft Dros, de stedeling in Caspar David Friedrichs Der Wanderer über dem Nebelmeer was Pieter! Niet dat ze elkaar kenden, maar net als Pieter, betoogt Dros, was Friedrich – bevriend met Ossian-liefhebber Goethe – waarschijnlijk sterk beïnvloed door Ossians werk. ‘De schilderende Ossian Friedrich heeft de wandelende Ossian Pieter afgebeeld, op de rug gezien.’

Eiland in de nevel richt zich op Pieter Kikkerts eendagswandeling op Texel. Maar het vertelt ook een groter verhaal over onder meer de familie Kikkert, van wie de eerste zich in 1682 op Texel vestigde en trouwde met een meisje uit de familie Semein, waarna een paar generaties Kikkerts recht genoten op een goede overheidsbaan. Dros vertelt over de drooglegging van de Kattenpolder en Eierland, waardoor Texel significant in oppervlakte toenam, en de staat van Vlaardingen en Texel in de nadagen van de Verenigde Oostindische Compagnie. De mogelijke verwarring door de vele sprongen in de tijd probeert Dros teniet te doen door op zichzelf staande onderwerpen in veel, relatief korte hoofdstukken te behandelen. Daardoor is het verhaal goed te volgen, maar hier en daar ook wat repetitief.

Desalniettemin heeft Dros een bijzondere geschiedenis weten te vangen, die een toevoeging is aan een reeks recente boeken over wandelen. Neem bijvoorbeeld Wanderlust: A History of Walking van Rebecca Solnit (red.: door Bart van Heerikhuizen besproken in de Nederlandse Boekengids 2018#4). Twee recent verschenen boeken, Over paden van Robert Moor en De geschiedenis van het pad van Torbjørn Ekelund, bespreken de wegen waarover die wandelingen door de eeuwen heen zijn gemaakt. Met honderdduizenden toeristen per jaar is Texel natuurlijk niet meer het verlaten eiland dat het ooit was. Des te meer spoort Eiland in de nevel aan op pad te gaan, op Texel en daarbuiten.