In de geest van Julien Benda: de intellectueel als straatvechter
🖋 Jouke Huijzer


De vertaling van cultuurpessimistische klassiekers kan niet los worden gezien van de opkomst van nieuwrechts. Jouke Huijzer betoogt dat Julien Benda’s Het verraad van de intellectuelen binnen dat genre een unieke plaats inneemt, omdat het ‘intellectuelen’ vooral aanspoort zich te verzetten tegen de gevaren van nationalisme en verrechtsing.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Op 10 oktober 2017, in een uitverkocht Paradiso, komt een groot aantal van ’s lands bekendste intellectuelen en academici bijeen. Niet omdat er groeiende zorgen zijn over de hernieuwde opkomst van het fascisme, de graduele ontmanteling van de democratie, groeiende ongelijkheid of omdat we afstevenen op een ecologische crisis van apocalyptische proporties – zoals uit enkele titels van recent verschenen boeken valt op te maken. Nee, omdat voor het eerst – honderd jaar na de oorspronkelijke publicatie – een Nederlandse vertaling van Oswald Spenglers 1200 pagina’s tellende Der Untergang des Abendlandes verschijnt. Uitgeverij Boom pakt groot uit: behalve de uitgebreide boekpresentatie kom je op straat banners tegen die het boek promoten met leuzen als ‘Waarom zou je alleen auteurs lezen waar je het mee eens bent?’ Ook is er een speciale website die dient als ‘platform dat verder gaat waar het boek ophoudt’, en alsof dat nog niet genoeg is kun je zelfs een Lees Spengler-app downloaden.

Julien Benda, Het verraad van de intellectuelen (vert. Eva Wissenburg) (Amsterdam University Press 2018), 336 blz.

De promotie wierp zijn vruchten af: prominente denkers gingen gretig aan de haal met het boek. Niet alleen conservatieven als Ad Verbrugge of Afshin Ellian stonden klaar om hun mening te geven, ook figuren uit het politieke midden als Joris Luyendijk grepen het aan om een antwoord te vinden op vragen over onze tijd. Historicus Chris van der Heijden leek zijn bedenkingen bij geschiedenisprogramma OVT op Radio 1 maar even in te slikken om zo geen smet op het (gehoopte) succes van de boeklancering te werpen.

Al deze aandacht kwam natuurlijk niet uit het niets. Nog geen half jaar voor het verschijnen van de vertaling werd een partij in de Tweede Kamer gekozen die, bij monde van haar partijleider, meent dat ‘het Westen lijdt aan een auto-immuunziekte’ en dat ‘wij’ worden ‘verzwakt, ondermijnd, overgeleverd’. De verschijning van De ondergang van het Avondland diende voor veel intellectuelen als een mooi opstapje om dit gedachtegoed verder te onderzoeken. In de Nederlandse Boekengids viel die taak te beurt aan Arnold Heumakers (zie dNBg 2017#6). Bouwend op zijn schat aan kennis over de oeuvres van de cultuurpessimisten uit het interbellum brengt Spengler het er niet slecht vanaf in Heumakers’ ‘alternatieve lezing’. Hij voert Spengler ineens op als een zelfkritische cultuurrelativist die een socialisme ‘“bevrijd” van Marx, klassenstrijd en sociale rechtvaardigheid’ voor zou staan en verder vrij was van eurocentrisme of racisme; niet heel veel mis mee dus. Het is bijna verwonderlijk dat Heumakers Spengler, die Hitler nooit steunde (overigens vooral vanwege het volkse karakter van diens NSDAP), nog ‘extreemrechts’ noemt.

Je kunt je afvragen of er in de huidige tijd behoefte is aan een onbevangen uiteenzetting of alternatieve interpretatie van Spenglers extreemrechtse, wel degelijk racistische en allerminst cultuurrelativistische denkbeelden, of dat het verschijnen van deze vertaling niet beter gepaard had kunnen gaan met een krachtige verwerping van zijn gedachtegoed. Voor alle duidelijkheid: Spengler zag zelfs in de door hem bedachte tegenstelling tussen Duitse Kultur en de Franse en Engelse Zivilisationen al voldoende reden om de Eerste Wereldoorlog te intensiveren opdat Duitsland, eenmaal als overwinnaar uit de strijd gekomen, de andere mogendheden kon leiden in de strijd tegen de opkomst van de ‘gekleurde rassen’. Kwalijker is het natuurlijk wanneer schrijvers en intellectuelen als bijvoorbeeld Tommy Wieringa (Vrij Nederland, 18 mei 2017) Spenglers werk aangrijpen om verbinding met extreemrechts te zoeken en op die manier dat gedachtegoed salonfähig maken. Of nog een stap verder, à la Ad Verbrugge, Sid Lukkassen of vertaler Mark Wildschut, deze in alles naar fascisme riekende klassieker gebruiken om het opkomende rechtsextremisme wat extra wind in de zeilen te blazen.

Een krachtige repliek
Een krachtig antwoord op het verschijnen van De ondergang van het Avondland kwam eind 2018 van Amsterdam University Press, dat de eerste Nederlandse vertaling van Julien Benda’s La Trahison des Clercs (1927) op de markt bracht. In tegenstelling tot Spengler trekt Benda in Het verraad van de intellectuelen hard van leer tegen xenofobie, rassenleer, antisemitisme, ‘bourgeoisisme’ en bovenal het nationalisme dat in zijn tijd uitgroeide tot een ‘religieuze cultus’. Het nationalisme maakt volgens Benda concepten als waarheid en rechtvaardigheid ondergeschikt aan constructen als de natie, klassenhaat of rassenleer, die op hun beurt een zogenaamd wetenschappelijke en zelfs metafysische status krijgen. Het meest kwalijke vond Benda dat zijn mede-intellectuelen niet alles in het werk stelden om tegenwicht te bieden aan deze politieke driften, maar ze juist verder aanwakkerden door met politici die deze ideeën vertegenwoordigden, in te stemmen.

Benda polemiseerde met een hele rits aan voornamelijk Franse en Duitse ‘intellectuelen’ die verraad hadden gepleegd door zich in dienst te stellen van de belangen van de heersende macht, en vanuit die positie het grootste geweld en de meest mensonwaardige praktijken rechtvaardigden. De moderne klerk (Benda’s term voor ‘intellectueel’) veronachtzaamt zijn historische roeping die uit de belangeloze en idealistische toewijding aan de kunst of de wetenschap zou bestaan. Toen Socrates liever de gifbeker dronk dan de waarheid te miskennen, toen Spinoza (zo schrijft Benda) na de moorden op de gebroeders De Witt Ultimum barbarum op de deuren van de moordenaars kalkte, toen Jezus aan het kruis stierf en toen Émile Zola zijn J’accuse publiceerde in de wetenschap veroordeeld te worden en als balling te moeten leven, ‘waren ze volledig in de zuiverste vorm van hun klerkenrol’. Benda spreekt zich uitdrukkelijk uit vóór het Manifeste des Intellectuels dat een dag na Zola’s aanklacht werd gepubliceerd door de dreyfusards (waar Benda zelf ook toe behoorde) en keert zich even later tegen het Manifest der 93 – waarin Duitse wetenschappers en kunstenaars (onder wie Max Planck) in 1914 ontkenden dat Duitsland schuld droeg aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Uit zijn afkeer van oorlog en geweld komt een verder niet heel duidelijk gedefinieerd humanisme naar voren. Hoewel Benda in zijn werk uitgaat van transhistorische ‘klerkenwaarden’, zoals rede, rechtvaardigheid en de waarheid, gaat hij maar beperkt in op de inhoud van het ‘ware’ en het ‘goede’. Hij bespreekt vooral hoe de voorwaarden om überhaupt tot een moreel en waarachtig oordeel te komen verdwijnen en hoe klerken die dit moedwillig accepteren hun historische roeping verkwanselen. De moderne intellectueel zou klerkenverraad plegen door niet in dienst van het geestelijke, maar van het wereldlijke te staan: ‘wij dienen alleen niet met het zwaard, maar met het schrift. Wij zijn de geestelijke krijgsmacht van het wereldlijke.’ Of zoals Benda later stelt: ‘de klerk is vandaag de dag een oorlogspredikant’.

De opmars van deze oorlogspredikanten of ‘geestelijke krijgers’ bleef niet zonder gevolgen. Wie Het verraad van de intellectuelen in één passage probeert te vangen, haalt vaak het beroemde citaat aan waarin Benda beweert dat intellectuelen ‘niet kunnen voorkomen dat de leken de hele geschiedenis zouden vullen met gebrul, haat en moordpartijen,’ maar dat diezelfde intellectuelen wel beletten ‘dat de leken hun eigen neigingen tot religie verhieven en zichzelf heel nobel vonden omdat ze probeerden die neigingen te perfectioneren’. Benda concludeert daarom ‘dat de mensheid het aan de intellectuelen te danken heeft dat ze tweeduizend jaar lang het slechte deed maar het goede eerde’. Dat de ‘leken’ moorden en oorlogvoeren deerde Benda maar weinig. Wel baarde het hem zorgen dat er ineens ‘klerken’ waren die dit rechtvaardigden in plaats van een universeel moreel ijkpunt te verdedigen.

Cultuurpessimisme
Door zijn nadruk op achteruitgang en verval kan Benda’s werk tot de cultuurpessimistische literatuur worden gerekend die tijdens het interbellum zo populair was. En dus kun je Het verraad van de intellectuelen probleemloos naast Spenglers De ondergang van het Avondland in de kast zetten. Deze stroming werd vooral gedragen door mannen van relatief geprivilegieerde afkomst, die weemoedig toezagen hoe de overgang naar de moderne tijd niet tot algemene verheffing leidde, maar eerder algemene verplatting teweegbracht. Doordat deze auteurs het nieuwe tijdperk aan de maatstaven van een vergane periode afmeten, bevatten cultuurpessimistische werken altijd een conservatief element, getuige bijvoorbeeld Johan Huizinga’s In de schaduwen van morgen, het belangrijkste Nederlandstalige werk in deze categorie. Maar wanneer we naar José Ortega y Gassets De opstand van de massamens kijken, de belangrijkste internationale representant, dan blijkt – en hetzelfde geldt voor Benda’s werk – dat we het genre niet zonder meer als conservatief af kunnen doen. De toon die in deze boeken overheerst is misschien wel het best te vergelijken met het sentiment in Thomas Manns Buddenbrooks of Giuseppe Tomasi de Lampedusa’s De tijgerkat: argwanend en melancholisch, maar niet per se te kwader trouw wordt de confrontatie met de veranderende tijd aangegaan.

Het verraad van de intellectuelen vormt dus geen uitzondering op het cultuurpessimistische genre. Het prettige is wel dat Benda niet de gehele samenleving of ‘massacultuur’ door de mangel haalt, maar zijn pijlen vooral richt op zijn gelijken: andere intellectuelen (of zij die daarvoor doorgaan) en, meer in het algemeen, de bourgeoisie als klasse. Zelf werd Benda ook geboren in een gegoede, van oorsprong joodse familie, al speelde die religie slechts op de achtergrond een rol. Benda’s ouders cijferden zichzelf graag weg voor hun kinderen en deden er alles aan om hen te stimuleren in hun culturele en intellectuele ontwikkeling. Het kwam Benda dus aan weinig tekort in het burgerlijke milieu waarin hij opgroeide en zo beleefde hij een harmonische, bijna zorgeloze jeugd. Hoe anders was de wereld waarin hij terechtkwam toen hij in Parijs ging studeren. Nationalisme, antisemitisme en klassenstrijd bepaalden dagelijks het nieuws, en daaraan werd de waarheid maar wat vaak ondergeschikt gemaakt. Toen Benda zijn magnum opus publiceerde had hij al twee oorlogen meegemaakt en was de derde en meest vernietigende aanstaande, zoals hij correct voorspelde. Ruim voor Het verraad van de intellectuelen had hij al naam gemaakt als fanatiek polemist. In zijn betogen reflecteert hij niet zozeer op ‘de waarheid’ zelf, maar tracht hij met heel wat retorisch geweld de standpunten van zijn tegenstanders onderuit te halen: hij was een ‘straatvechter’, zoals Thijs Kleinpaste hem heel treffend in zijn inleiding op de Nederlandse vertaling noemt.

Klerkenverraad
In de tweede helft van de jaren twintig, toen Benda zijn boek schreef, waren het vooral de Franse ‘intellectuelen’ Charles Maurras en Maurice Barrès die het moesten ontgelden. Beiden waren betrokken bij de extreemrechtse Action Française en speelden een hoofdrol in de ideologische legitimatie van het Franse nationalisme. Ook de verheerlijking van geweld in bijvoorbeeld Georges Sorels Réflections sur la violence – zowel een inspiratie voor de Italiaanse fascisten als de Russische bolsjewieken – voert Benda graag aan als object van kritiek. Zelfs een groot deel van de negentiende-eeuwse Duitse filosofie ligt volgens Benda aan de oorsprong van het ‘klerkenverraad’: ‘De nationalistische intellectueel is bij uitstek een Duitse uitvinding’, schrijft hij. Dat nationalistische denkbeelden overal in Europa werden overgenomen bevestigde voor hem dat de ‘Duitse wereldoverwinning’ in ‘geestelijk opzicht’ al voltooid was.

In de Nederlandse vertaling blijft de lezer een aantal van Benda’s discussies met zijn tijdgenoten (die zich vooral in zijn voetnoten afspelen) bespaard. Het boek is geen uitgebreid geannoteerde wetenschappelijke uitgave maar duidelijk uitgegeven omdat zijn werk een grote actualiteitswaarde bevat. De goedgeschreven introductie van Kleinpaste volgt in veel opzichten het stramien van het schaarse aantal artikelen over Benda dat de afgelopen jaren in Nederlandse kranten en tijdschriften is verschenen. Kleinpaste beweert dat Benda’s werk – en vooral de titel van het boek – verkeerd is geïnterpreteerd en merkt op dat er na zijn bewogen leven opmerkelijk weinig aandacht werd besteed aan zijn overlijden in 1956. Verder benadrukt hij dat ‘intellectueel’ en niet ‘klerk’ de meest adequate en relevante vertaling van het Franse clerc is. Maar de scherpzinnigheid van Kleinpastes inleiding schuilt vooral in zijn nauwgezette ontleding van het ‘klerkenverraad’ waar Benda van spreekt.

Kleinpaste gaat niet, zoals bijvoorbeeld Jean-Paul Sartre deed (en vele anderen met hem), de mist in door te stellen dat Benda een weinig geëngageerde ‘wauwelaar’ voorstond. Je hoeft ook niet heel veel verder dan de boektitel te komen om te begrijpen dat Benda engagement allerminst uitsluit. Het was immers de taak van de intellectuelen om zich aan zaken als waarheid, rechtvaardigheid en rede te wijden, en ook om deze tegen de meest directe bedreigingen te verdedigen. En hoewel filosofie, wiskunde en geschiedenis Benda nog zo interesseerden, was het die laatste taak waar hij zich een groot deel van zijn leven voor heeft ingezet.

Een gerelateerde controverse die Kleinpaste bespreekt is de vraag of Benda niet zelf ‘intellectueel verraad’ pleegde door zich in de jaren dertig bij de communisten te voegen en tijdens de oorlog deel te nemen aan het verzet. Hoewel er inderdaad enige grond bestaat voor deze beschuldiging (zie verderop) is het cruciaal te begrijpen waarom Benda zich bij de communisten aansloot. Die keuze kwam niet zozeer voort uit zijn sympathie voor het proletariaat of uit marxistische overtuigingen – integendeel. Benda zag in de communisten vooral het enige geloofwaardige verzet tegen de fascistische aanval op de overtuigingen die hij zo stellig aanhing. De klerk zoals Benda die voorstelt is er zeker niet op gericht om altijd langs de zijlijn te staan, noch zou zij te allen tijde moeten voorkomen een bepaalde extreme positie in te nemen. Zeker niet als het publieke debat een stuk naar links of rechts opschuift – daar waren Benda’s humanistische overtuigingen veel te absoluut voor.

De meeste kritieken op Benda – die vooral betrekking hebben op het gebrekkige engagement van zijn ideaal of juist het teveel aan engagement dat hij in de praktijk bracht – raken zijn analyse in Het verraad van de intellectuelen dus nauwelijks. De historische fundering van het eeuwige en universele klerkenideaal dat hij voorstaat is moeilijker te verdedigen. Benda probeert te laten zien hoe intellectuelen door heel de westerse geschiedenis transcendente kritiek leverden, die zij steeds fundeerden door een beroep te doen op metafysische waarheden. Kleinpaste wijst er terecht op dat de klerk zoals Benda haar voorstelt in werkelijkheid nooit heeft bestaan. Om zijn argument te maken, moest Benda zijn klerk eerst ‘de geschiedenis inschrijven’ om vervolgens zijn tijdgenoten van intellectueel verraad te kunnen betichten. Pas nadat Benda zijn idealen een zekere universele geldigheid en rationaliteit had toegedicht kon hij laten zien hoe deze waarden onder druk stonden. Maar dat er historische voorbeelden zijn die Benda’s klerkenideaal ondersteunen, wil natuurlijk niet zeggen dat alle ‘vroegere’ klerken zich alleen maar op een transcendente waarheid beriepen.

Benda in Nederland
De verschijning van Benda’s boek in het Nederlands – in tegenstelling tot De ondergang van het Avondland niet uitgegeven in cassette maar gewoon als eenvoudig ingelijmde paperback waarvan je het omslagontwerp pas na enkele weken begint te waarderen – kon op een stuk minder tamtam rekenen dan Spenglers werk. Geen afgeladen poptempels, speciale website of Lees Benda-app. Ook geen peloton aan intellectuelen dat klaarstond de verschijning van het boek aan te grijpen om opkomend rechts van een weerwoord te voorzien. Vergeleken met Spengler – over wie inmiddels ook een biografie is verschenen bij Boom – bleef het eigenlijk opmerkelijk stil. En dat terwijl de oorspronkelijke publicatie in 1927 niet minder dan dertig drukken haalde in Frankrijk – heel wat voor een filosofisch werk.

Niettemin besteedden enkele bladen aandacht aan de vertaling. Zo publiceerde De Groene Amsterdammer een verkorte versie van Kleinpastes inleiding en verschenen in verschillende kranten recensies van variërende lengte, waarin onder andere werd opgemerkt hoe met deze vertaling een wens van Menno ter Braak, van wie Het verraad van de intellectuelen een van zijn lievelingsboeken was, eindelijk in vervulling was gegaan.

Het meest uitgebreid was de paginagrote bespreking in NRC Handelsblad, wederom van de hand van Arnold Heumakers. Vergeleken met Spengler kreeg Benda het een stuk zwaarder te verduren. Heumakers stelt dat ‘verraad onvermijdelijk is’ en beweert dat Benda minder gedreven werd door een belangeloos geloof in bepaalde metafysische waarden of ‘een elementaire waardigheid van mensen’, dan door ‘verontwaardiging, haat en drift’. Benda zou bovendien een ‘onmenselijk’ ideaal voorstaan waar hij zelf allerminst aan beantwoordde. Zo getuigde zijn bekering tot het communisme van een zekere kritiekloosheid – hij rechtvaardigde het communisme ‘tot aan de stalinistische showprocessen toe’. En hoewel Benda zich fel tegen het opgekomen nationalisme keerde, zou zijn werk ook doordrongen zijn van ‘anti-Duitse bloeddorst’.

Toch kunnen we volgens Heumakers iets van Benda leren, namelijk dat een ‘onvoorwaardelijk moralisme in de politiek’ van beperkt nut is. In de praktijk hebben we in Heumakers’ ogen maar weinig aan ‘de zuiverheid van Benda’s ideaal’ aangezien het toch onmogelijk is je daaraan te houden: het lukte Benda zelf niet eens. Heumakers stelt de taak van de intellectueel daarom voor ‘als een matigend tegenwicht in het zo vaak hysterische vormen aannemende politieke en publieke debat’ – want, zo stelt hij, ‘ook een democratie heeft bezonnenheid nodig’. Hij gaat niet verder in op de invulling van deze taak wanneer een democratie ontmanteld dreigt te raken, en of het dan wel gerechtvaardigd is om je ongematigd of misschien wel hysterisch in dat publieke debat te mengen.

Hoewel in Heumakers’ bespreking veel van de misplaatste Benda-kritiek toch weer doorgang vindt, is mijn doel zeker niet om Benda geheel vrij te pleiten. Zo valt het niet te rechtvaardigen dat Benda na zijn bekering tot het communisme de stalinistische showprocessen verdedigde. Verder getuigt zijn universalistische verabsolutering van waarheid en rechtvaardigheid nauwelijks van zelfreflectie. Deze concepten zijn immers sterk cultuur- en tijdsgebonden en dus steeds aan verandering onderhevig. Bovendien was Benda een behoorlijke seksist: in sommige teksten vond hij het nodig vrouwelijkheid met irrationaliteit, emotie en gevoel gelijk te stellen en een ‘vrouwelijke klerk’ daarmee per definitie uit te sluiten.

Maar dat het nationalisme eerder zijn oorsprong vond in de Duitse dan in de Franse filosofische traditie lijkt mij een zeer verdedigbare stelling waar niet meteen ‘anti-Duitse bloeddorst’ uit spreekt. Ter ondersteuning verwijst Benda eerst naar Schlegel, Lessing en Görres, die bewondering kweekten voor ‘alles wat Duits is’, en later naar Fichte en Hegel, die volgens hem in een overwinning van de Duitse wereld ‘het eindpunt van het Zijn’ zagen. Ook zijn draai naar het communisme om het opkomend fascisme te bestrijden lijkt me in het licht van de geschiedenis vooral een prijzenswaardige stap die geheel in lijn ligt met zijn ideaal van de intellectueel: in de jaren dertig leken de communisten het sterkste tegenwicht te kunnen bieden aan het opkomend fascisme dat de waarheid en menselijke waardigheid zoveel geweld aandeed. Sterker nog, je kunt Benda moeilijk verwijten dat hij belang had bij de dictatuur van het proletariaat of dat hij het zichzelf makkelijker maakte door naar het communisme uit te wijken. Tijdens de oorlog dook hij niet alleen onder in Carcassonne, maar nam daar ook actief deel aan het verzet.

Door selectief voort te borduren op een keur aan filosofen, kunstenaars en intellectuelen, bakende Benda een ‘klerkenideaal’ af, en probeerde daaraan zo trouw mogelijk te blijven. In dat laatste schuilt de kracht en blijvende relevantie van zijn leven en werk. In plaats van een comfortabele middenpositie in te nemen of toe te geven aan de waan van de dag hield Benda belangeloos vast aan zijn ideaal, ook als dit hem door de verrechtsende tijdgeest steeds verder naar de scherpe randen van het politieke spectrum duwde. Dat hij daarbij grote begrippen als waarheid, moraliteit of waardigheid in de weegschaal legde en deze ook nog eens eeuwige en universele geldigheid toedichtte mag dan wel problematisch zijn – tegelijkertijd: wat zijn dit soort begrippen waard als ze er alleen toe dienen om geproblematiseerd te worden?

Benda had het in de onstuimige tijd waarin hij leefde waarschijnlijk te druk met polemiseren om ook nog tijd te hebben zijn eigen premissen te bevragen. Er gebeurde tijdens het interbellum immers genoeg om verontwaardigd over te zijn. Vandaag hoef je niet meer aan te komen met louter transcendente kritiek, absolute moraal of eeuwige waarheid. Maar de polemieken die Benda’s leven kenmerkten, zijn kritieken op de waanzin van het opkomend fascisme, en de intellectuele straatvechterij die hij gedurende zijn hele leven aan de dag legde verdienen in mijn ogen vandaag meer dan ooit navolging.