Is iedereen al feminist? Over de politieke onmacht van popfeminisme
Annelot Prins


‘Nooit eerder was feminisme zo cool, grappig, en toegankelijk.’ Ongevaarlijk is dat niet, toont Annelot Prins. In hedendaagse claims op een feministisch discours wordt feminisme niet zelden van haar radicaal progressieve potentieel ontdaan.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dNBg 2019#5

Feminisme is een afgerond project. Twintig jaar geleden stelden vooraanstaande Britse academici als Angela McRobbie en Rosalind Gill vast dat die boodschap na de tweede feministische golf centraal stond in de popcultuur. Een opgeluchte zucht klonk door het medialandschap. Vrouwen konden eindelijk hun leven naar eigen inzicht inrichten, van onderdrukking was niet langer sprake. In deze nieuwe postfeministische maatschappij was gendergelijkheid een gedane zaak. De patriarchale wereld zou succesvol vervangen zijn door een meritocratische samenleving.

Cinzia Arruzza, Tithi Bhattacharya & Nancy Fraser, Feminism for the 99%: A Manifesto (Verso 2019), 85 blz.
Sarah Banet-Weiser, Empowered: Popular Feminism and Popular Misogyny (Duke University Press 2018), 240 blz.

Het is geen toeval dat de eerste voorbeelden van postfeministische boodschappen samengingen met de intensivering van neoliberaal beleid dat zich richt op de afbraak en privatisering van sociale vangnetten, het onderwijssysteem, en de gezondheidszorg. In een neoliberale samenleving staan competitie en marktdenken centraal, terwijl belastingen en andere vormen van financiële regulering beperkt worden om de vrije markt alle ruimte te geven. Verantwoordelijkheden die voorheen bij overheden lagen zijn in dit systeem voor het individu. Dit overheidsbeleid heeft het denken over ongelijkheid en discriminatie onherroepelijk veranderd. Binnen neoliberale denkkaders is ongelijkheid niet langer een overheidsprobleem, maar een individuele stimulans die mensen aanmoedigt om de eigen positie via de markt te verbeteren. Deze manier van denken berust op het zogenaamde ‘postnarratief’, dat de maatschappij presenteert als postfeministisch, postraciaal, en postklasse, zodat mensen uitsluitend worden beoordeeld op individuele verdiensten. Dit is het verhaal dat het idee van neoliberale meritocratie geloofwaardig maakt. Structurele analyses van ongelijkheid – die onder andere het feminisme produceert – worden ongeloofwaardig in dit denkkader. De markt heeft namelijk altijd gelijk.

Liza Featherstone (red.), False Choices: The Faux Feminism of Hillary Rodham Clinton (Verso 2016), 192 blz.
Jessalynn Keller & Maureen E. Ryan (reds.), Emergent Feminisms: Complicating a Postfeminist Media Culture (Routledge 2018), 238 blz.

Momenteel staat het neoliberale systeem echter op losse schroeven. De goed functionerende meritocratie die het neoliberalisme belooft is immers uitgebleven. Vasthouden aan het idee dat met hard werken, doorzettingsvermogen en veerkracht succes voor iedereen binnen handbereik ligt, is ronduit in strijd met de statistieken – die hebben deze ideologie sinds de laatste financiële crisis meer dan ingehaald. De middenklasse blijft krimpen en elites worden steeds rijker. Geloof in sociale mobiliteit op basis van merites lijkt achterhaald. Dit gat tussen de samenleving zoals het postnarratief belooft en de samenleving zoals we haar ervaren, biedt nieuwe mogelijkheden voor structurele kritiek – en het is dus niet gek dat feministische discussies weer oplaaien.

Catherine Rottenberg, The Rise of Neoliberal Feminism (Oxford University Press 2018), 239 blz.
Emily Spiers, Pop-Feminist Narratives: The Female Subject under Neoliberalism in North America, Britain, and Germany (Oxford University Press 2018), 272 blz.

In Nederland begon deze opleving met kritiek op de aanhoudende vernedering en beschaming van de vrouwelijke seksualiteit (slutshaming, zie bijvoorbeeld Milou Deelens en Sunny Bergmans inzet op dit terrein) en lichaamsidealen (bodyshaming, fatshaming, onder meer met het boek Knap voor een dik meisje van Tatjana Almuli), maar ging langzaam over in discussies over loonsongelijkheid (bijvoorbeeld met acties van het FNV en Women Inc.), racisme (luister vooral naar Anousha Nzume, Ebissé Rouw, en Mariam El Maslouhi in hun podcast Dipsaus) en seksueel geweld (met scherpe stukken van Hasna El Maroudi, Asha ten Broeke, Meredith Greer, en Loes Reijmer rond #MeToo). Op sociale media kregen feministen als Madeleijn van den Nieuwenhuizen (@Zeikschrift op Instagram) en Anne Ardon en Justine van de Beek (eerst onder de naam Stellingdames, later individueel op onder meer Twitter) al snel veel volgers dankzij hun gevatte analyses en kritieken. Geen van de door deze vrouwen aangekaarte vraagstukken nam echter een centrale plek in de politieke arena in – de discussies werden met name in de media gevoerd.

Anthea Taylor, Celebrity and the Feminist Blockbuster (Palgrave Macmillan 2016), 313 blz.
Andi Zeisler, We Were Feminists Once: From Riot Grrrl to Covergirl, the Buying and Selling of a Political Movement (Public Affairs 2016), 285 blz.

Een populaire mediaversie van feminisme (popfeminisme) is niets nieuws. Zo benadrukt de Australische academicus Anthea Taylor in haar boek Celebrity and the Feminist Blockbuster dat er altijd publieke figuren zijn geweest die feminisme tot onderwerp van debat maakten. Wel nieuw is dat een beroemdheid het publiek voorheen uitleg schuldig was wanneer zij/hij claimde een feminist te zijn, terwijl zo’n beroemdheid zich in landen als Australië en Amerika tegenwoordig moet verantwoorden voor het niet claimen van feminisme. De mediarepresentaties van feministen veranderen mee: zouden feministen voorheen vooral boze, opstandige mannenhaters zijn, nu komen ze naar voren als redelijke, en vaak ook grappige jonge vrouwen. Hoewel de meeste problemen die feminisme noodzakelijk maakten nog steeds min of meer hetzelfde zijn gebleven, verandert feminisme in een coole, leuke, en vooral toegankelijke identiteit die iedereen kan omarmen. De Amerikaanse auteur Andi Zeisler bespreekt deze ontwikkeling aan de hand van de opkomst van marktfeminisme (marketplace feminism): een gedecontextualiseerde en apolitieke vorm van feminisme die het goed doet in popcultuur. Het is volgens haar waarschijnlijk de meest populaire vorm van feminisme ooit. Maar, stelt Zeisler, sommige problemen kunnen niet worden opgelost met marktfeminisme, juist omdat de markt structurele kritiek ondermijnt.

Sterker nog, popfeminisme en neoliberaal denken zijn soms moeilijk van elkaar te onderscheiden. Mediawetenschapper Sarah Banet-Weiser beargumenteert in Empowered: Popular Feminism and Popular Misogyny dat de postfeministische ideologie en popfeministische trend sterk met elkaar verstrengeld zijn geraakt in het huidige medialandschap, waarbij volgens haar het postfeministische denken een dominante en zichtbare ondersteuning vormt van popfeminisme. Popfeminisme verkiest net als postfeminisme het morele debat boven de politieke actie. Als gevolg daarvan is er politiek gezien noch een postfeministisch, noch een popfeministisch verenigd standpunt of beleid waar voor gevochten wordt. Popfeminisme verschijnt moeiteloos in de reclamespotjes van grote bedrijven als Dove, Always en Nike. Deze gewichtloosheid kenmerkt een feminisme dat opportunistisch kan worden ingezet voor allerlei doeleinden. Zowel postfeminisme als popfeminisme bouwt voort op neoliberale idealen als ondernemerschap, veerkracht, en nuchterheid. Maar juist het neoliberale beleid dat steunt op deze idealen heeft sociaaleconomische ongelijkheid verergerd. De meeste auteurs van boeken over dit nieuwe feminisme komen dan ook tot de conclusie dat popfeminisme op zijn minst ambivalent is te noemen.

De hegemonie van neoliberaal popfeminisme
In haar boek The Rise of Neoliberal Feminism beschrijft amerikanist Catherine Rottenberg in detail hoe het individualistische denken van het postfeminisme specifiek de weg vrij heeft gemaakt voor de neoliberale variant van feminisme die binnen het verkoopbare popfeminisme floreert. Neoliberaal feminisme omarmt de neoliberale manier van denken als dominante rationaliteit, zodat iedereen – staat en burger – als een manager denkt die is gericht op groei, efficiëntie, en vooral op productiviteit. Binnen het neoliberaal feminisme leidt dit individualistische managementsdenken ertoe dat bijvoorbeeld niet de staat wordt aangesproken op de loonkloof, maar de ongelijk verdienende vrouw zelf met haar baas in gesprek moet. Ongelijke lonen zijn geen schending van de in de grondwet beloofde gendergelijkheid, maar het gevolg van het falen van de individuele werknemer die allicht niet zelfverzekerd en assertief genoeg is, en zichzelf dus beter moet managen. Opnieuw valt dit neoliberaal feminisme samen met postfeminisme: het veronderstelt geen collectieve maar een individuele benadering van structurele ongelijkheid, en de eigen verantwoordelijkheid wordt steeds groter. Een belangrijk verschil tussen neoliberaal feminisme en postfeminisme is echter dat neoliberaal popfeminisme individueel vrouwelijk succes opportuun gelijkstelt aan feministisch succes. Zo kan het aanstellen van een enkele vrouwelijke CEO worden gepresenteerd als een feministische overwinning die het ongelukkige foutje in het huidige systeem – seksisme en genderongelijkheid – oplost. Vanuit postfeministisch perspectief is dat foutje überhaupt niet meer zichtbaar.

Neoliberale feministen laten historische structuren en machtsverhoudingen buiten beschouwing, en zien genderongelijkheid als een ongelukkig toeval waarvan iedereen zo snel mogelijk wil dat het wordt rechtgezet, in plaats van als een geïnstitutionaliseerd en structureel probleem dat voortkomt uit staatsinrichting, beleid en historische verhoudingen. Tja, schrijft Zeisler cynisch wanneer zij neoliberaal managementsdenken in feminisme probeert uit te leggen, je kunt je natuurlijk richten op deprimerende zaken zoals het gebrek aan goed werkend ouderschapsverlof voor minimuminkomens, maar is het niet veel makkelijker om de oerkracht van je innerlijke amazonekrijgergodin te ontdekken en meer op je eigen kracht te durven vertrouwen? Zeisler beschrijft hoe andere vormen van feminisme bij problemen op school, op het werk, in relaties, en in leiderschap het verband legden met diepgaande structurele politieke en economische ongelijkheid, terwijl het neoliberaal feminisme ons aanmoedigt om de oplossing te vinden in een beter zelfbeeld, meer zelfvertrouwen, een positievere instelling, en misschien wat lifecoaching. Bovendien is dit feminisme leuker om naar te kijken. Een oneindige hoeveelheid van boeken, films, en series met hetzelfde plot overspoelen de markt: een ietwat ongelukkig aandoende vrouw ontdekt dat haar innerlijke kracht altijd al aanwezig was, en bestormt met zelfvertrouwen en assertiviteit de obstakels die haar er eerder van weerhielden om te floreren. Ze triomfeert glorieus – en al haar verdiensten heeft ze te danken aan zichzelf.

Neoliberaal feminisme houdt ons voor dat iedereen als een onbeschreven blad ter wereld komt, en niet is besmet met het seksisme en racisme dat de levens van onze voorouders definieerde. Als gevolg daarvan presenteert dit feminisme zich als divers en inclusief: het maakt niet uit wie je bent, als je maar hard werkt. Het doel van neoliberaal feminisme is geen gelijkheid, maar meritocratie. In theorie kan iedereen het glazen plafond doorbreken, luidt het devies, als je maar in jezelf gelooft en doorzet – ook en juist als je geen witte man van middelbare leeftijd bent. Dit idee van onuitputtelijke individuele kansen wordt in neoliberaal feminisme, na decennia van kritiek door zwarte feministen en feministen van kleur, opnieuw gepresenteerd als een universeel geldend concept. Maar die kritiek was er niet voor niets. Er is binnen neoliberaal feminisme een pijnlijk gebrek aan aandacht voor de sociaaleconomische beperkingen die ervoor zorgen dat het plafond voor het grootste deel van de vrouwen op deze wereld niet eens zichtbaar is, laat staan doorbreekbaar. Ook is er geen aandacht voor de wijze waarop bijvoorbeeld de eerder genoemde bedrijven die popfeminisme vol enthousiasme in hun commercials omarmen leunen op de uitbuiting van vrouwen in sweatshops in ontwikkelingslanden, noch voor de zorgtaken die de succesvolle vrouwelijke CEO’s – die paginagroot in de kranten staan als toonbeelden van vrouwelijk succes en feministische vooruitgang – vaak uitbesteden aan vrouwen in meer precaire economische posities.

De focus op keuzevrijheid, ambitie, de mogelijkheid van succes, en de theoretisch gezien hoogst inclusieve interpretatie hiervan binnen het neoliberale gedachtegoed, heeft onwaarschijnlijke claims op feminisme tot gevolg. Zo kan ook Donald Trump door zijn dochter feminist worden genoemd, aangezien hij in zijn bedrijven veel vrouwen aanneemt voor leidinggevende posities. Pro-lifefeministen die tegen het recht op abortus zijn waren verongelijkt dat zij niet welkom waren bij de Women’s March. Zij stelden dat feminisme geen universele beweging kan zijn zolang niet ook conservatieve feministen met open armen worden ontvangen. In rechtse kringen wordt xenofobie regelmatig in een feministisch jasje gestoken wanneer vrouwenrechten worden benoemd in het kader van de bescherming van ‘onze’ witte vrouwen tegen mannen van elders. Ook transfobie lijkt geen reden tot uitsluiting van het label feminist – deze problematische beweging noemt zichzelf met trots ‘genderkritische feministen’. Tegelijkertijd is er ook een toename van ‘huisvrouwfeminisme’ of retreatism – jonge vrouwen die feminisme omarmen, omdat zij daarom de vrije keuze zouden hebben om huisvrouw te worden. In al deze zeer uiteenlopende claims op een feministisch discours wordt feminisme ontdaan van de radicaal progressieve onderdelen van haar geschiedenis en opnieuw uitgevonden als beweging waarbij de positieve nadruk op devrouwelijke identiteit, potentie, en keuzevrijheid belangrijker zijn dan weerstand bieden aan onderdrukkende machtsstructuren.

Deze nadruk op keuzevrijheid onder de noemer van feminisme – ongeacht de aard van de keuze – bouwt voort op een postfeministisch wereldbeeld, waarin feminisme deel is van een lineaire geschiedenis van vooruitgang. We zijn nu bij het eindpunt van die geschiedenis, namelijk het stadium van totale individuele keuzevrijheid, en dus is het belang van collectieve actie niet langer invoelbaar. Het noodzakelijkerwijs collectieve, structurele, en politieke karakter van sociale emancipatie verdwijnt, bedolven onder voorbeelden als Wonder Woman, de vrouw die in haar eentje de wereld redt, of Beyoncé, een superster van ongekende proporties.

Het individu dat zo centraal staat in neoliberaal feministisch denken verhult de onderliggende machtsstructuren waar andere vormen van feminisme, zoals radicaal en socialistisch feminisme, zich juist op richten in hun kritieken. Deze andere vormen van feminisme zijn niet geïnteresseerd in gelijkheid van mogelijkheden, of het individuele of anekdotische voorbeeld van vrouwelijk succes. In plaats van gelijke kansen eisen socialistische en radicale feministen gelijke uitkomsten, voor zowel winnaars als verliezers. In hun boek Feminism for the 99%. A Manifesto noemen Cinzia Arruzza, Tithi Bhattacharya en Nancy Fraser neoliberaal feminisme ‘equal opportunity domination’. De auteurs stellen dat het feminisme verworden is tot de dienstmaagd van het kapitalisme. In hun boek laten zij zien hoe de overheersende aanwezigheid van neoliberaal feminisme het huidige neoliberale kapitalistische systeem, dat draait op ongelijkheid en bovendien het functioneren van de democratie steeds meer in gevaar brengt, alleen maar versterkt. Zij pleiten voor een radicaal feministisch geluid als tegenwicht aan de ‘warmongers in skirts’, zoals zij de neoliberale feministen betitelen: oorlogsstokers in rokjes.

Hoewel neoliberaal popfeminisme enerzijds stelt dat vrouwen achterblijven en niet gelijk behandeld worden, blijft het anderzijds constant investeren in de mythe van het soevereine individu dat in staat is om vrije, autonome keuzes te maken. Dit individu zou zelfs in haar eentje kunnen ontkomen aan het ongelijke systeem waarin zij zich bevindt, als ze zichzelf goed weet te managen. In het verlengde hiervan draagt zij de volledige verantwoordelijkheid voor de uitkomsten van haar pogingen tot succes. Volgens literatuurwetenschappers Emily Spiers leiden deze spanningen tot ongemakkelijke politiek: het lukt popfeminisme niet om zich los te maken van de huidige politiek-economische situatie vol onwerkbare valse beloftes, omdat haar kritiek stoelt op dezelfde neoliberale rationaliteit die in het bekritiseerde systeem besloten ligt. Popfeminisme is daardoor fundamenteel niet in staat de status quo omver te werpen. In plaats daarvan blijft het altijd een hervormingsfeminisme: aan het werk om de huidige situatie van binnenuit om te vormen. Het popfeminisme zal nooit stellen dat het huidige systeem in zijn geheel niet werkt, maar telkens dat er slechts een aantal correcties binnen dit systeem nodig is. De ongemakkelijke politiek van popfeminisme bevraagt dus de huidige situatie, maar versterkt tegelijkertijd het systeem dat zij bekritiseert. Enerzijds is er iets mis, en hebben we daarom feminisme nodig, anderzijds is het antwoord op al onze problemen een verdere investering in het systeem dat er al is.

Hillary Clinton en popmisogynie
Het bekendste boegbeeld van dit neoliberale popfeminisme is wellicht Hillary Clinton. Banet-Weiser omschrijft hoe Clinton tijdens haar presidentscampagne haar geslacht haar feminisme liet legitimeren. Ze presenteerde zichzelf als de progressieve, misschien wel meest woke, en op zijn minst meest genderbewuste kandidaat. Haar ideeën zelf waren doordrenkt van het neoliberale gedachtegoed: keer op keer vertelde ze hoe belangrijk het is dat vrouwen trots zijn op zichzelf en vooral veel zelfvertrouwen nodig hebben om succesvol te worden. Deze boodschap heeft uiteraard een enorm sterke affectieve aantrekkingskracht: wie wil zich immers niet graag goed voelen over zichzelf? Arruzza, Bhattacharya en Fraser benadrukken echter dat Clinton hier juist illustreert dat een vrouwelijke president niet hetzelfde is als een feministische president. Clinton voerde haar campagne op basis van een feminisme met een uiterst neoliberale invulling: ze vertegenwoordigde het establishment en stond geen rigoureuze hervormingspolitiek à la Bernie Sanders voor, maar juist een meer strategische politiek van compromissen die vooral de toenmalige politieke koers van Barack Obama aan zou houden. Hierin bood Clinton weinig uitzicht voor de Amerikanen die het meest lijden onder de groeiende economische ongelijkheid. Het idee dat een vrouw in het Witte Huis een soort feministisch trickle down-effect zou hebben wordt ondermijnd door Clintons eigen beleid op het gebied van justitie, gezondheidszorg, de financiële sector en onderwijs. Volgens de auteurs in de essaybundel False Choices: The Faux Feminism of Hillary Rodham Clinton (2016) hebben Clintons beleidskeuzes vrouwen en kinderen wereldwijd geschaad. Er is in hun ogen niets feministisch aan vrouwen uit de bovenste lagen van de samenleving die het neoliberale beleid van voorgangers voortzetten.

Maar Clinton verwerd niet alleen tot neoliberaal popfeministisch icoon door haar eigen standpunten. De intense golf van misogynie die haar ten deel viel tijdens haar verkiezingsstrijd creëerde volgens Banet-Weiser een cirkelredenering: de lawine van misogynie veranderde haar in een feministisch icoon juist doordat zij het doelwit was van al deze haat. Niet alleen vrouwelijk succes, maar ook vrouwenhaat kan ervoor zorgen dat een persoon als feminist wordt gezien. Bij Clinton vielen deze twee categorieën samen: een buitengewoon succesvolle vrouw werd disproportioneel slachtoffer van misogynie. Eén van de belangrijkste oorzaken voor de populariteit van popfeminisme vandaag de dag is volgens Banet-Weiser precies de alomtegenwoordigheid van misogynie. Door de openlijke vrouwenhaat van publieke figuren als Donald Trump wordt een puur postfeministische mindset steeds ongeloofwaardiger, en wint de erkenning van ongelijkheid die in popfeminisme besloten is dus terrein. Popfeminisme is echter volgens haar geen toereikend antwoord op popmisogynie. Waar popfeminisme vooral zichtbaar is in de media (denk aan Zeislers marktfeminisme), is popmisogynie angstaanjagend diep geworteld in de heersende machtsstructuren. De strijd die zij met elkaar voeren is volgens Banet-Weiser een absoluut ongelijke strijd: popmisogynie kan zich veroorloven om uitgesproken resoluut en deterministisch te zijn, omdat het zo diep geworteld is, terwijl popfeminisme een constante en ambivalente onderhandeling tussen de markt en het individu is. Vooralsnog biedt de opkomst van popfeminisme dus nog geen partij aan de herleving van popmisogynie.

Het lijkt logisch dat popmisogynie postfeminisme ondergraaft– toch duidelijk bewijs dat we niet post-ongelijkheid zijn. Eén van de interessantste essays uit Emergent Feminisms, een bundel over popfeminisme die communicatiewetenschappers Jessalynn Keller en Maureen E. Ryan samenstelden, spreekt deze tegenstelling echter tegen. Mediawetenschapper Jonathan Cohn beargumenteert dat popmisogynie ook juist binnen de postfeministische mediacultuur tot uiting komt – de twee ondermijnen elkaar niet, maar versterken elkaar. In zijn essay over de hashtag #WAF (Women Against Feminism) stelt Cohn dat de scheidslijn tussen postfeminisme en antifeminisme vaak troebel is. Wanneer feminisme als een historische en gedane zaak wordt benaderd, betekent dit dat seksisme niet langer als structuur kan worden gezien. Zo kunnen de meest vrouwonvriendelijke uitingen worden gepresenteerd als een individuele zaak die niets te maken heeft met misogynie. Als iedereen al gelijk is, wordt het steeds lastiger om haatdragend gedrag in een geschiedenis en context van systematische discriminatie te plaatsen. De moedwillige incoherentie van de meeste statements die worden gemaakt onder de hashtag #WAF vormt volgens Cohn wellicht zelfs de belangrijkste strategie van het postfeminisme: apolitieke ambivalentie. Hij sluit zich aan bij Banet-Weiser en haar lachspiegelmetafoor: antifeministen kaatsen de logica van postfeminisme terug in verwrongen vorm. Volgens zowel postfeminisme als #WAF is kansengelijkheid allang bereikt en hebben vrouwen hun structureel ongelijke positie in de maatschappij te danken aan hun eigen onwelwillendheid. Dat komt dichtbij antifeministische of misogyne ideeën.

Dit lachspiegeleffect zien we ook in populaire argumenten, die status quoverklaringen ondersteunen, en in het verlengde daarvan ongelijkheid niet alleen normaliseren, maar ook als ‘natuurlijk’ presenteren. Biologisch-essentialistische ideeën over identiteit waren lange tijd niet salonfähig, maar lijken nu terug het publieke debat in te sluipen onder het mom van een wetenschappelijk realisme dat decennia van feministische wetenschapsfilosofische kritiek niet alleen naast zich neerlegt, maar zelfs negeert. Dit wegkijken van de feministische geschiedenis om te beargumenteren dat feminisme niet nodig of onterecht is, sluit aan op het postfeministische vooruitgangsplot dat stelt dat feminisme alleen ‘vroeger’ belangrijk was, terwijl het tegelijkertijd antifeministische standpunten propageert die de ‘vroege’ feministen bekritiseerden.

De noodzaak van een dreigend feminisme
Toch brengt popfeminisme ook veel productiviteit met zich mee. Zeisler benadrukt in de conclusie van We Were Feminists Once: From Riot Grrrl to Covergirl, the Buying and Selling of a Political Movement hoe popfeminisme zich dankzij het internet snel heeft kunnen verspreiden. Termen als ‘verkrachtingscultuur’, ‘cisgender’ en ‘wit privilege’ hebben hun weg gevonden naar het publieke debat. Zeisler benadrukt dat steeds meer mensen lijken te realiseren dat wat feministen al jaren zeggen wellicht waar is: iedereen heeft baat bij een rechtvaardigere en meer inclusieve samenleving. Nooit eerder was feminisme zo cool, grappig, en toegankelijk. Toch voelt het ook voor Zeisler als twee stappen vooruit, één stap achteruit. Hoezeer ze ook hun best doen om de positieve kanten van popfeminisme te benoemen, uiteindelijk beklagen alle auteurs zich over de tandeloosheid ervan.

Het probleem is dat feminisme niet gezellig is, stelt Zeisler. Maar belangrijker: het is ook niet de bedoeling dat het gezellig is. Feminisme is ingewikkeld, gelaagd, en het maakt mensen boos. In haar conclusie benadrukt Zeisler dat feminisme geen entertainment of cultureel debat kan zijn, maar een serieuze en politieke aangelegenheid is. Het gaat immers om mensen die eisen dat hun menselijkheid erkend wordt als waardevol. Wat hiervoor nodig is, is een herstructurering van de machtsverhoudingen die een dergelijke erkenning momenteel onmogelijk maken. De huidige machthebbers vinden dit logischerwijs ongemakkelijk, met als veel voorkomende reactie dat feministen aan hun toon moeten denken en hun boosheid in toom dienen te houden. Sociale verandering komt echter niet voort uit beleefde verzoeken en vleierij, en dat is volgens Zeisler precies het probleem van het popfeminisme: het doet alsof feminisme kan bestaan in een fundamenteel ongelijke samenleving zonder rigoureuze veranderingen te eisen.

De volgende stap is voor alle auteurs duidelijk: we moeten op zoek naar de openingen en scheuren in de awkward politics van het popfeminisme en deze verder openbreken. Een brede acceptatie van feminisme kan geen einddoel zijn, maar moet nu juist worden ingezet als een middel voor activisme. Rottenberg schrijft dat de tijd voor compromissen voorbij is. Feminisme moet zich richten op de analyse en bestrijding van onderdrukking en geen progressief-neoliberale viering van het bestaan van diverse identiteiten zijn. Arruzza, Bhattacharya en Fraser weigeren een keuze te maken tussen enerzijds het populisme met neofascistische kenmerken dat wereldwijd aan populariteit wint, en anderzijds het progressieve neoliberalisme dat zich steeds weer presenteert als enige alternatief, maar intussen onze menselijkheid consequent ondergraaft door ons te reduceren tot kosten-batenanalyses. Dit is een valse keuze, en ze roepen op tot een verwerping van beide perspectieven. Volgens hen wordt het tijd om de daadwerkelijke bron van de aanhoudende ongelijkheid in de maatschappij onder handen te nemen: het kapitalisme.

Een feminisme met tanden, met andere woorden, gebaseerd op machtsanalyse en solidariteit en gericht op een sociaal rechtvaardigere wereld. Zo’n feminisme is antikapitalistisch en richt zich tegen het huidige neoliberale systeem. Het is een feminisme dat actief verbinding zoekt met de antiracismebeweging, klimaatbeweging, vakbonden en mensenrechtenactivisten. De auteurs halen succesvolle stakingen, demonstraties, protestmarsen, en boycots aan die de afgelopen jaren wereldwijd hebben plaatsgevonden, en roepen de lezer op om op 8 maart, de internationale vrouwendag, weer politieke actie te voeren. Arruzza, Bhattacharya en Fraser willen geen lean in-feminisme maar een kick back-feminisme, dat zich inzet voor iedereen die uitgebuit, gedomineerd en onderdrukt wordt in het huidige systeem. Het neoliberale feminisme heeft volgens hen haar Waterloo gevonden in de Amerikaanse verkiezingen van 2016, toen bleek dat Hillary Clinton niet eens in staat was witte vrouwelijke kiezers – voor wie het zelfverzekerd doorbreken van het glazen plafond doorgaans toch het meest toegankelijk is – voor zich te winnen. Clintons verlies is volgens hen onze wake-upcall. Neoliberaal feminisme is bankroet.

Alle auteurs pleiten voor een dreigend feminisme dat zich inzet voor de 99%. Een feminisme dat kwetsbaarheid verkiest boven keuzevrijheid, omdat keuzevrijheid een concept is dat voor kwetsbare groepen betekenisloos is in een context van structurele sociale, economische, en culturele ongelijkheid. Een feminisme dat de handen ineenslaat met andere bewegingen die strijden voor een rechtvaardigere maatschappij en zich verzet tegen alle vormen van onderdrukking is broodnodig. De tijd zal leren of de cool factor van popfeminisme een voedingsbodem kan zijn voor het politieke verzet waar de steeds verstikkendere dominantie van bestaande machtsstructuren nog steeds om vraagt, maar deze auteurs laten in elk geval overtuigend zien dat we verre van ‘post’ feminisme zijn.