Ik voel jouw pijn (niet): emoties in de geschiedenis
🖋 Addie Schulte


‘Emoties uiten is voor kleuters en middeleeuwers, beheersing is een teken van volwassenheid en beschaving’ – emoties hebben ook binnen de historische wetenschap lang een ondergeschikte rol gehad. Maar dat is snel aan het veranderen. Addie Schulte duikt in een reeks nieuwe titels om de geschiedschrijving van emoties op waarde te schatten.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


‘Wees bang,’ dat was het onofficiële motto van de Duitse vredesbeweging in de jaren tachtig. De tegenstanders van de plaatsing van kruisraketten mobiliseerden hun aanhang openlijk met angst, schrijft historicus Frank Biess in zijn omvangrijke studie Republik der Angst. Die Republik is de Bondsrepubliek, dat mirakel dat uit de as van Weimar en het Derde Rijk omhoog kroop tot het een van de succesvolste landen in Europa was, om niet te zeggen de wereld. Dus hoe kun je dat succesverhaal in termen van angst beschrijven?

Frank Biess, Republik der Angst. Eine andere Geschichte der Bundesrepublik (Rowohlt 2019), 613 blz.
Jan Plamper, The History of Emotions: An Introduction (vert. Keith Tribe) (Oxford University Press 2017), 368 blz.

Dat kan heel goed, laat Biess zien. Want angsten tierden welig in Duitsland, ook na 1945. Er was vlak na de oorlog angst voor ronselaars van het Franse Vreemdelingenlegioen, die het voorzien hadden op de toch al zeldzame jongemannen. Er was vrees voor wraak van de slachtoffers van het Derde Rijk. Maar ook voor kernenergie, kernwapens, terrorisme en automatisering. Daarmee nuanceert Biess het beeld van een land dat vloeiend van Stunde Null via het Wirtschaftswunder naar de toppositie van rijk en tamelijk harmonieus land ging. Emotioneel was het eerder een achtbaan.

Rob Boddice, A History of Feelings (Reaktion Books 2019), 240 blz.
David Leheny, Empire of Hope: The Sentimental Politics of Japanese Decline (Cornell University Press 2018), 246 blz.

Het boek van Biess is een voorbeeld van de expliciete belangstelling voor emoties in geschiedschrijving. Geheel nieuw is die aandacht niet: Johan Huizinga liet al vele ‘hete tranen’ vloeien in zijn Herfsttij der middeleeuwen. Maar dat er een toename is, staat buiten kijf. Dat is niet vreemd: ‘emoties zijn een soort obsessie geworden in onze cultuur,’ schrijven Barbara Rosenwein en Riccardo Cristiani in What is the History of Emotions? Emoties staan centraal in de reclame, worden geëxploiteerd in talloze tv-shows en hebben een belangrijke rol in de verhouding met techniek (‘Kunnen we van een robot houden?’). Ook in de politiek en het overheidsbeleid zijn emoties niet te vermijden. Volgens sommige politici moet het doel van beleid geluk zijn. Emoties hebben dus een een enorme zeggingskracht. Maar zeker politiek gerichte historici hebben vaak gedaan alsof emoties er niet toe doen en de ene verstandelijke beslissing op de andere volgde. Andere subdisciplines kwamen graag met collecties van feiten. Die houding is steeds moeilijker vol te houden. Historici kunnen niet achterblijven en zullen zich moeten engageren met emoties. Nu we in emotioneel zwaar beladen tijden leven, moeten de emoties ook in de geschiedschrijving een plaats krijgen.

Barbara H. Rosenwein & Riccardo Cristiani, What is the History of Emotions? (Polity 2017), 180 blz.
Dominique Moïsi, De geopolitiek van emotie. Over angst, vernedering en hoop, en de opgave voor deze tijd (vert. Hans E. van Riemsdijk) (Nieuw Amsterdam 2019 (2009)), 272 blz.

Natuurlijk cultureel
Maar hoe historisch zijn emoties? Overal en altijd hebben mensen zich verbaasd en verheugd, hebben ze gewalgd, zijn ze bang, boos of blij geweest. Emoties lijken vanuit dat oogpunt universele en tijdloze categorieën. Ze tonen dat de mensheid één is, in welke tijd of cultuur ook. Dan vormen emoties als het ware een directe brug met het verleden.

Maar dat is nu net een van de meest controversiële ideeën over emoties. Want misschien kunnen we emoties alleen begrijpen in de context van hun cultuur en hun tijd. De woede, de menis, van Achilles waar de Ilias mee aanvangt, was iets heel anders dan wat wij nu zien als woede, stelt historicus Rob Boddice in A History of Feelings. Volgens hem zijn emotioneel geladen begrippen niet zomaar te vertalen uit de ene taal, tijd of cultuur in de andere.

Deze twee manieren van kijken naar emoties – als universele of juist culturele verschijnselen – staan centraal in het wat studieuze maar zeer onderhoudende boek The History of Emotions van Jan Plamper, dat vooral gaat over de manieren waarop door andere disciplines naar emoties is gekeken en wat historici daarvan kunnen leren.

Aan de ene kant staat de antropologie, met zijn cultuurgebonden blik. Plamper laat het ene na het andere prachtige verhaal de revue passeren, bijvoorbeeld over onderzoekster Jean Briggs die het emotionele regime van de Utkuhikhalingmiut, een kleine groep Inuit, niet kon bolwerken. Volwassenen werden geacht hun emoties te beheersen, maar dat werd voor Briggs in de barre omstandigheden op den duur ondoenlijk. Ze moest ‘ontploffen’ als een vulkaan, kon haar woede amper inhouden als er weer wat tegenzat, en raakte in een depressie. Naast de taal bleek de omgang met gevoelens de grootste kloof tussen onderzoeker en onderzochten.

Aan de andere kant staat de biologische benadering, die uitgaat van de universele aard van emoties. Psycholoog Paul Ekman, die deze emoties meende te kunnen definiëren, is hier een van de hoofdpersonen. Ekman was ervan overtuigd dat een aantal emoties en bijbehorende gelaatsuitdrukkingen door alle culturen herkend wordt. Hij liet foto’s van mensen die deze emoties uitdrukten zien aan testgroepen over de hele wereld. En ja hoor, de emoties werden herkend. Maar Plamper gebruikt pagina na pagina om die benadering te bekritiseren. Die zegt eigenlijk niet veel, onder andere omdat aan zowel de personen die de emoties moesten uitdrukken als diegenen die ze moesten herkennen dezelfde concepten werden voorgelegd. Zelfs binnen de oorspronkelijke Amerikaanse setting was er geen honderd procent overeenkomst tussen vertoonde en waargenomen emoties. En de methodologische problemen nemen nog verder toe als dergelijke experimenten in andere culturen werden herhaald.

Toch vond het streven om emoties te willen registreren en vastleggen een vervolg. Daar werden soms bizarre apparaten voor ontwikkeld, zoals de Kiss-o-meter, die de mate van passie kon vastleggen. De functional magnetic resonance imaging scanner (MRI) is een bekende latere manier om de fysieke reactie van emoties in het brein te kunnen meten. De drijfveer van het meer natuurwetenschappelijke of medisch gerichte onderzoek was om de subjectieve beleving tot een objectief waarneembaar verschijnsel te reduceren. Dat ging met vallen en opstaan, en veel van de wetenschappelijke claims bleven niet overeind. Maar langzamerhand is het voor de cultuurwetenschappers steeds lastiger om de biologische benadering helemaal buiten de deur te houden, omdat daarin duidelijk vooruitgang is geboekt en er nu ook kritische neurowetenschappers zijn die oog hebben voor de beperkingen van hun vakgebied.

Uiteindelijk zoekt Plamper een synthese tussen de twee benaderingen, tussen nature en nurture. Een mogelijkheid ligt in de benadering om ratio en emotie niet als tegengestelden te zien, maar als verweven mechanismen. Hij citeert breinwetenschapper Ernst Pöppel: ‘Ieder gevoel is ook waarneming en herinnering, ieder rationeel proces is ingebed in emotionele waardering, iedere intuïtie is verbonden aan gedragsintentie.’ Mensen kunnen niet weten zonder te voelen, niet voelen zonder te herinneren. Door niet meer uit te gaan van de tegenstelling tussen ratio en emotie, komt er plek voor beide. De met René Descartes geassocieerde scheiding van emotie, cognitie en ratio moet worden opgeheven om een completer beeld te krijgen.

Ontwikkeling
Dat niet alle historici emoties vermeden, blijkt wel uit Huizinga’s reeds genoemde Herfsttij der middeleeuwen. ‘Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu,’ is de eerste zin van het inmiddels honderd jaar oude boek. Er volgen passages over ‘de schelle kleur van de geweldige hartstocht’, ‘hartstochtelijke trouw’ en ‘primaire roerselen’, ‘helse benauwingen’ en ‘kinderlijke pret’. De late middeleeuwers waren kinderen, hun emoties lagen meer aan de oppervlakte dan bij de heel wat terughoudender tijdgenoten van de historicus.

Huizinga is daarmee een van de grondleggers van de behandeling van emoties in de geschiedschrijving. Onder andere socioloog Norbert Elias zou hem, met Het beschavingsproces, volgen op dit pad. Beschaving was het in toom houden van emoties en de steeds beter beheerste omgang met emoties werd een teken van de vooruitgang van de westerse mens. Het is een visie die in Nederland grote indruk maakte en nog steeds aanhangers heeft. Een recent artikel van hoogleraar sociale psychologie Roos Vonk ademt dezelfde geest: emoties uiten is voor kleuters, beheersing is een teken van volwassenheid.

De echte vlucht van emoties in de geschiedschrijving kwam na 11 september 2001. Plamper legt dat verband zeer expliciet. De aanslagen brachten allerlei emoties naar voren: angst, woede, haat, bewondering voor de helden van de brandweer. Is het overdreven te zeggen dat emoties hebben geleid tot de oorlogen van de VS in het Midden-Oosten?

Politicoloog Dominique Moïsi probeert in De geopolitiek van emotie de situatie in een groot deel van de wereld uit te leggen aan de hand van een paar gevoelens: angst in het Westen, vernedering in het Midden-Oosten en hoop in het opkomende Azië. Moïsi is een pleitbezorger voor een serieuze behandeling van emoties, die niet terzijde moeten worden geschoven als hinderlijke bijkomstigheid waar rationele mensen geen last van hebben. Moïsi probeert meerdere grote regio’s in één boek te vatten. Een in schaal beperktere variant zijn de recente boeken van Biess over de angst in Duitsland en dat van David Leheny over Japan, Empire of Hope. Beide tonen hoe ver emoties kunnen reiken bij de verklaring van de toestand van een land, zonder te vervallen in een psychoanalyse waarbij een hele natie op de sofa wordt gelegd.

Het is Leheny te doen om de representatie van emoties, en de manier waarop ze gebruikt worden om een nieuw verhaal te vertellen voor Japan, dat al twee decennia met een ‘verloren tijdperk’ te maken heeft. Na de Tweede Wereldoorlog streefde Japan naar economisch succes, maar de economische crisis van 1990 en daaropvolgende stagnatie maakte daar een eind aan. In de zoektocht naar een nieuw narratief speelden emoties een grote rol, zo laat Leheny zien aan de hand van incidenten, zoals een noodlottig ongeval met een Japans opleidingsschip dat tot zinken werd gebracht door een Amerikaanse onderzeeër. Maar evengoed past het succes van een feelgoodtoneelgroep in zijn verhaal. Het geheel schetst een gevoelig en genuanceerd beeld van een zoekend land. Hij wil het verhaal niet reduceren tot een emotie, ook al suggereert de titel van zijn boek zoiets – hoop staat niet los van andere emoties, zoals zijn natuurlijke kompaan angst, en ook woede, geborgenheid, twijfel en schuldgevoel spelen belangrijke rollen.

In het indrukwekkende boek van Biess wordt angst ook als een complex begrip gebruikt, niet als een eenduidig verschijnsel. Hij wijst op de wisselwerking van angst en hoop: wat de ene groep vreesde, maakte de andere groep verwachtingsvol. En het middel waarmee de andere groep angst wilde bestrijden, maakte de andere vaak juist bang. Denk aan het optreden van de staat tegenover de Rote Armee Fraktion, die bij grote groepen de vrees voor een herleving van het Derde Rijk deed ontstaan. Of: waar een groep de risico’s van kernenergie vreesde, meenden de voorstanders van atoomstroom dat als Duitsland deze energiebron zou afwijzen, het land vele economische voordelen zou mislopen. Deze wisselwerking is te zien in het huidige klimaatdebat in Nederland: terwijl de ene groep de gevolgen van niets doen vreest, is de andere groep bang dat ingrijpende klimaatmaatregelen land en volk aan de bedelstaf zullen brengen. De hoop op redding van de een is de angst voor de ondergang van de ander.

Een analyse van emoties kan ook een kritische en politieke benadering inhouden. Volgens Boddice komt de belangstelling voor historische emoties voort uit onze eigen beperkte emotionele levens: ‘Emotie in het neoliberale tijdperk lijkt vaag, leeg of anders bot.’ De emoties uit het verleden zijn dus toch feller gekleurd, en dan zijn we bijna terug bij Huizinga. Het bestuderen van emoties is ook een manier om onze eigen omgang daarmee kritisch te beschouwen, of die emoties nu vlak zijn of juist een obsessie, zoals Rosenwein en Cristiani beweren.

In het laatste hoofdstuk van zijn boek gaat Boddice tekeer tegen de nadruk op geluk in het beleid van veel landen. Instituties hebben zich de emoties toegeëigend. Om dit te illustreren toont hij een poster waarmee in 1915 soldaten werden geworven in Groot-Brittannië. Bij het beeld van een glimlachende soldaat staat de tekst: ‘He’s happy and satisfied. Are you?’, met de duidelijke implicatie dat wie zich nog niet had gemeld voor het leger, niet tevreden kon zijn. Het geluk kon blijkbaar in de loopgraven gevonden worden.

Zo zit aan het streven naar geluk vaker een ironische of zelfs cynische kant. Al die cijfers en rapporten over de meest gelukkige landen zeggen lang niet alles, waarschuwt Boddice. Denemarken staat bijna altijd zeer hoog in die ranglijsten, maar het kent ook hoge zelfmoordcijfers. De Verenigde Arabische Emiraten hebben een minister van Geluk, maar ook een sterk ontwikkeld vermogen om mensen ongelukkig te maken. Emoties, met name het alom vereerde geluk, zijn vaak ook een middel van de staat om controle over burgers te houden.

Nut
Rosenwein en Cristiani benoemen in hun inleidende, maar zeker niet oppervlakkige boekje ook het maatschappelijk belang van de bestudering van emoties. Die hebben namelijk vaak de plaats ingenomen van religieuze, politieke en sociale verklaringen van menselijke verhoudingen en gedrag. Juist daarom zou de geschiedenis van emoties ook buiten het academische kringetje moeten breken om de gelaagdheid en historische aard van ons emotionele leven te begrijpen. Daarvoor hoeven emoties niet per se als aparte categorie behandeld te worden. Net zoals gender een onderdeel is geworden van veel historisch werk, zouden emoties er een vanzelfsprekend aspect van moeten zijn, is hun pleidooi.

De bestudering van emoties en hoe die politiek gebruikt worden, is zelfs urgent. Verklaringen die zich uitsluitend baseren op zogenaamd rationele argumenten voldoen niet meer, als ze dat ooit al gedaan hebben. Zonder aandacht voor de gevoelde werkelijkheid is het gedrag van bijvoorbeeld kiezers eigenlijk niet te verklaren. De overwinningen van Donald Trump en het Brexit-kamp zijn veelgeciteerde en toepasselijke voorbeelden. Aandacht voor emoties kan ook helpen om het economisch-efficiënte verklaringsmodel te ondermijnen. Niet alles wat mensen doen vloeit voort uit het streven om hun winst te maximaliseren of hun eigen belangen te behartigen. Emotie wordt nog te vaak gezien als een hindermacht, een te overwinnen obstakel op de glorieuze weg naar een rationele samenleving, terwijl steeds weer duidelijk wordt dat de twee niet te scheiden zijn.

De geschiedenis van emoties leert hoe in andere tijden en culturen werd omgegaan met deze drijfveren, die diep van binnen lijken te komen. Gevoelens verdienen geen aparte status, waarbij ze bijvoorbeeld geassocieerd worden met kleuters, vrouwen of bepaalde politieke stromingen. Het is ook niet zinnig ze als ‘irrationeel’ te verwerpen, want ratio en emotie zijn nauw verbonden en geen tegenpolen. Ze zijn universeel, in de zin dat ze overal en bij iedereen te vinden zijn, en cultureel omdat ze in steeds andere gedaantes verschijnen. De hier besproken boeken tonen elk op hun manier de kracht van een benadering waarbij emoties serieus genomen worden. Ze vermijden simplificaties en tonen de complexiteit van het onafscheidelijke denken en voelen. Met deze werkwijze is er nog veel te ontdekken.