Lof van de illogica. Over De God Denkbaar Denkbaar de God van Willem Frederik Hermans
🖋 Anneke Brassinga


‘Schrijvers over schrijvers’, de titel van een reeks waarin Nederlandse literair auteurs schrijven over een volgens hen Heel Goed Nederlands Boek. Anneke Brassinga herlas De God Denkbaar Denkbaar de God van Willem Frederik Hermans en moest opnieuw schaterlachen om deze betoverende lofzang op de illogica.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Een diploma hebben en dus al bijna in het bezit zijn van de geheime papieren – daar kwam het vroeger op aan. Toentertijd, halverwege de vorige eeuw, in de jaren vijftig, was iedereen oud; alleen ik en het overig uitschot, wij waren jong. Had je een diploma (het woord kwam uit het Grieks), dan was je dubbel, gespiegeld, saamhorig in tweeën gevouwen, vol vereende kracht. Alsof je samen (di) in de diepte (plof) zou springen vanaf een hoog klif.

Willem Frederik Hermans, De God Denkbaar Denkbaar de God (G.A. van Oorschot 2010 [1956]), 157 blz.
Zo ook begon – met een sprong en daarna (di) nog een sprong (plof) uit een hoog raam, volgens mijn lievelingsboek dat in 1956 was geschreven door Willem Frederik Hermans – opkomst en neergang van een god (het manspersoon Denkbaar) en diens omgekeerde, deus inversus. Samen zijn zij één: ‘de God die zich vereenzelvigt met het licht der wereld is geen ander dan de duivel die de in de natuur werkende entropiewet beaamt,’ schrijft R.A. Cornets de Groot in zijn essay ‘Denkbare tautomerie’ (1967) over De God Denkbaar Denkbaar de God. Op Google is het essay van Cornets de Groot te vinden onder het kopje ‘Kommaliekerk’. Ook vindt u daar een verhandeling van Freddy de Vree over Hermans’ burleske meesterwerk, onder ‘totebabel’.

Die twee ingangen, ‘Kommaliekerk’ en ‘totebabel’, wijzen al op spirituele geladenheid – wat bij de titel die het boek draagt niet zeer bevreemdend is, maar wat bij Hermans als de veel bekendere auteur van het latere werk minder voor de hand ligt.

Een god die de naam Denkbaar draagt en zich manifesteert, niet door ‘de geheime papieren’ openbaar te maken (ze zijn zoek, gedurende het hele boek, tot aan het eind) maar door van hoog omlaag te springen zonder daarbij te pletter te vallen (het schijnt dat Jezus, ook uitgedaagd daartoe, door Satan, er niet op inging). In een latere scène stapt Denkbaar van het balkon en zweeft omhoog – zo’n god stelt zijn wezen bloot aan de toets van de menselijke logica, aan ‘de beneveling van het denken’, kunnen we misschien beter zeggen in navolging van Cornets de Groot.

Wat denkbaar is, is ook mogelijk
Ludwig Wittgenstein, de logicus, schreef al in zijn (door Hermans vertaalde) Tractatus Logico-Philosophicus (ontstaan tijdens de Eerste Wereldoorlog en gepubliceerd in 1922): ‘Wat denkbaar is, is ook mogelijk.’ Even verderop, in stelling 3.032, staat: ‘Iets dat “in strijd is met de logica” in de taal uitdrukken, kan evenmin als in de meetkunde een figuur die in strijd is met de wetten van de ruimte, uitdrukken in haar coördinaten; of de coördinaten van een punt dat niet bestaat aangeven.’

De hele roman van Hermans is gewijd aan ‘iets dat in strijd is met de logica, uitdrukken in taal’. De grenzen van wat denkbaar is, worden krachtdadig opgerekt. Het geobsedeerde, niet nader omschreven personage Denkbaar denkt, dus hij bestaat (‘cogito ergo sum’) – en reeds op p. 15 heeft hij van zijn dakloze oude vader gehoord: ‘Groots is je toekomst, binnenkort ben je god.’ God is hij, voor de omstanders en al snel voor de grote massa, vanaf het ogenblik dat hij voor het eerst een dode (aan een hartaanval bezweken) stante pede weer tot leven wekt. Vervolgens laat hij de complete biologische wordingsgeschiedenis van onze planeet uit de dood opstaan, met desastreuze gevolgen. Jurassic Park is er niets bij.

De strijdigheid, het in strijd zijn, met de logica, wordt in de loop van het boek een steeds militanter stuwing: er komt een tegenstander in het spel, Afschuwelijke Baby geheten; loochenaars van Denkbaar, zijn ongelovige onderdanen dus, worden massaal geëxecuteerd door Denkbaars hulptroepen, een voor een, met behulp van een gruwelijke werpmachine die herinnert aan Flauberts beschrijving in Salammbô van kinderoffers aan de god Baal. Zelf delft Denkbaar aan het slot, als hij nog maar vier min of meer betrouwbare volgelingen heeft, het onderspit. Stervend verandert hij in een vleermuis. Ook dat had zijn oude vader al voorspeld in de geelkoperen metrogangen van de ondergrondse, waar het zwervend ouderpaar even later wordt verzwolgen door een vloedgolf van kokende bruine bouillon uit een soepautomaat, teweeggebracht door Denkbaar zelf die kou en dorst van zijn oude moeder probeerde te stillen.

Of Afschuwelijke Baby – in wie we moeiteloos, al is het wicht vijf ton zwaar, het Christuskindje ontwaren, – daarna een triomferend gezag zal blijven uitoefenen, komt niet ter sprake. Het gaat bij Hermans niet om macht, maar om overtuiging en hardnekkigheid tegen de klippen op – en ook die klippen zijn meer dan zinnebeeldig, ze zijn echt:

En boven op de hemelhoge wand stond nog een stuk van de stad en vlak aan de rand stond een huis met hoge ramen. Zij richtten hun telescopen op de hoge ramen en Denkbaar, met stervend oog, stelde vast dat het de ramen waren waar hij lang geleden uitgestapt was. (…) Aanschouwt deze hoogte! Meet de diepte van mijn val! Want ik ben Denkbaar en Denkbaar is god. En ik ben god, want mijn hoogmoed is na mijn val gekomen. Sela!

Dat ‘Sela’ is terug te vinden in de Psalmen Davids, Statenvertaling, als aanwijzing voor maatwisseling of rust in de zang.

Uitbarstingen van lyrisch-associatieve illogica
Wat mij bij het lezen, in 1968, op slag in een roes van verrukking en hilariteit bracht, was de acute gewaarwording, in iemands droom te zijn getreden; niet een verslag van een droom te lezen, maar de grens te overschrijden naar de droom, die niet per se Willem Frederik Hermans’ droom hoefde te zijn, het kon er ook een zijn van het onbewuste, van de beeldtaal zelve, als een natuurreservaat waar we elkaar verstaan via de ratio van het irrationele: daar waar het surrealisme en de lyriek, de muzikale frasering en het repetitief-ritmische een eigen rituele logica belichamen. Die logica is ritueel want bestaat uit het ‘doen-alsof’ – het spreken in paradoxen. Oftewel, zoals Hermans het in zijn roman verwoordt:

Espresso zonder stoom gemaakt is beter; dit wordt beweerd door de fabrikanten van koffiemachines die werken zonder stoom. Iets beweren zonder te spreken. A zeggen door over B te praten. Chinese wijsheid. Faëma-Milano. In het spiegelglas achter de machine viel sneeuw.

De uitbarstingen van lyrisch-associatieve illogica zijn, voor wie ze lezend kan ondergaan als een gebeuren, als sequensen van actie en geweldpleging, betoverend, aangrijpend en daarbij ontzettend grappig. Je stelt je er tegelijkertijd de schrijver bij voor, die deze roes al schrijvend heeft ondergaan terwijl beelden zich transformeerden in taal en er daarbij ook nog een consistent verhaal zich opbouwde, alsof het allemaal waar en echt was –, wat natuurlijk ook zo was. Eerst voor de schrijver, dan, in het boek, voor de lezer, voor mij. De betovering daarvan zou ik alleen kunnen weergeven door de complete tekst te citeren, zodat u een replica van de ervaring kon ondergaan (al zou u erop voorbereid zijn), die mij, geheel onverhoeds, ten deel viel op m’n twintigste toen ik, in 1968, nietsvermoedend de net herdrukte roman ter hand nam – nadat ik op de middelbare school in de ban was geraakt van Hermans’ verhalenbundel Paranoia, die zoals de titel beloofde een en al beklemming, noodlottig falen en reddeloos verdwalen schetste, gevoelens die me maar al te vertrouwd waren. Die de auteur later hernam in Nooit meer slapen en het overige werk.

Maar wat De God Denkbaar Denkbaar de God me bracht, was een bevrijding. Nog nooit had ik zo verschrikkelijk gelachen bij het lezen van een boek, en vaak, ook nu weer, heb ik het schaterend herlezen, tegelijkertijd ontroerd. Het is of Hermans keihard lacht om zijn eigen lot, het is of we allemaal precies snappen waar hij het over heeft, al heeft hij er het helemaal niet over. Meer dan dat valt er niet uit te leggen aan dit boek. Behalve natuurlijk dat binnenkort geen mens nog weet wie of wat een donkersloot was, een schierbeek, een oorschot zelfs, verwijzingen naar de namen van in de jaren vijftig al (of nog) bekende schrijvers en uitgevers.

Klankmuziek
Er is geen enkele dichter die voor mij kan tippen aan de lyriek, de poëzie, de klankmuziek, de geest, de grappigheid van Hermans’ meesterwerk. Ik ontdekte er mijn liefde voor de lange zin – er staat er eentje in, nog nooit had ik zo’n lange zin gelezen, ik heb het aantal woorden nu eindelijk geteld. Het zijn er 1233, op pagina 26-31. Daar, in dat aantal, moet een betekenis schuilen, want 1+2=3, dat brengt ons op 333, de verdubbeling daarvan is 666, het Bijbelse getal van de duivel en, zoals hierboven al betoogd, God en Duivel zijn 2 = 1… et voilà.

Er is niet alleen deze wellicht langste zin uit de Nederlandse literatuur, er is eveneens het wie weet langste woord: van 84 of 85 letters, al naar men ij als 1 of 2 letters wil tellen. Het woord: ‘morgenlichtgas en de zon, de zondeval, de bloem, de bloembodemkundighedennachtelijkwagenladderwagensmeerolievlekkenwaterketelpakkendrager en de…’ Mooier nog bijkans is de alinea die erop volgt, vanwege het subtiele mengsel van daarin geëvoceerde wellust en verdriet:

Maar de vrouw drukte zijn mond tegen het bont van haar mantel en de rest van zijn woorden keerde naar zijn hersens terug, nog wat ronddrentelend, als een ouderpaar bij een kindergraf, tot zij de cellen gevonden hadden waaruit zij voortgekomen waren en toen ging elk woord weer tot zijn oorsprong in.

Het hele boek door is er onder al het hilarische een ondertoon van rouw, van verlies en verdriet, en dat maakt een amalgaam mogelijk, een toon van grimmige liefde, zelfs jegens het hoogbejaarde ouderpaar – een verloederde Maria en Jozef – dat Denkbaar na zijn tweede sprong uit het raam, waarmee hij vergeefs probeerde zijn eigen godsbewijs te zijn, op straat aantreft, dakloos, onder nat stro, hopend op nachtrust aangezien er geen plaats in de herberg was, zoals we allemaal uitentreuren hebben gehoord in het aloude kerstverhaal. Nat stro is alles wat er rest als reminiscentie aan de stal en de kribbe van eeuwen her.

De dan volgende passage geeft als het ware vooraf een terugblik en samenvatting van de roman en het nog niet geleden leed:

Achter een hoog raam liggen de papieren en wee Denkbaar die de geheimen niet heeft! Achter een hoog raam door geen storm gebroken, achter een hoog raam door geen wraak vergruizeld! Wee Denkbaar, ik verkondig zijn ondergang [zegt de oude man, zijn vader]. Want de Glyptodon en de Mososaurus verstellen de telmachines van het avondrood en pantsers, panters en pantserplaten breken in de verschrikking van de weigering die de kometen verzaakt. (…) Hoor het draven van de forelschimmel die mijn boodschap brengt!

– O vader! riep toen de oude vrouw, het slagveld is het maandverband van de geschiedenis en het zaad van de goden zal in de melkweg verdwalen!

De God Denkbaar heeft inderdaad de fossiele prehistorische monsters tot leven gewekt, geholpen door Mirabella Blom die de woorden weet los te zingen van hun betekenis:

Orgieën bleven niet uit, radiotoestellen werden voorzien van een kleine elektrische schierbeek die de afstemknop voortdurend in ronddraaiende beweging hield, terwijl de donkersloot, eenmaal aangeblazen, vanzelf spelen bleef. Dames, in verrukking gebracht, ontkleedden zich geheel, heren poogden een schuchtere tatouage, maar zodra zij een vinger naar Mirabella zelf uitstaken, speelde zij op haar poot, hubert korneliszoon, landbouwer, hij kreeg omgang met rederijkers te schipluiden.

De woorden hebben dus de vrijheid gekregen, zijn ontketend, losgezongen, en zo kon het gebeuren, nu de mensen zich bekeerd hadden tot het geloof in Denkbaar, dat deze,

hooggezeten op een zwaar gepantserde Stegosaurus, zijn triomftocht hield. Ook de binnenwateren zijn geweldig gezwollen en Iguanodons steken er zo nu en dan hun kaken, groot als keukentrappen, bovenuit. (…) De Triceratops, gewapend met twee enorme dorens boven de ogen en een boven op de neus, en om de hals een krans van zware beenplaten; placodonten met zwartglanzende boonvormige tanden op de tong; de monsterlijke schildpad Allopleuron, mobiele koepelkerk; Anton van Duinkerken, hoogleraar te Nijmegen; de Mosasaurus van twintig armslengten lengte en de Brachiosaurus die zich bukken moet om te drinken uit de dakgoten van de hoogste flatgebouwen.

Wat is hier zo leuk aan? Dat de gedachten springen van keukentrappen via schuifelende koepelkerk naar de burgerlijk-katholieke hoogleraar Anton van Duinkerken, wiens kompaan Donkersloot in het voorafgaande al is misbruikt als obscuur muziekinstrument? Of dat een reuzenreptiel uit voor hem in de diepte gelegen dakgoten drinkt, als een mus of relmuis? Surrealisme is een transformatiekunst: wraakzucht, woede, verdriet, rouw, worden omgezet in klank en in mentale elektriciteit, hersenvonken, megalomane beeldopblazingen. Mens en machine zijn in dit boek al bijna verwante wezens. Senza vapore, zegt Denkbaar als vaarwel aan de afvalligen die afscheid van hem nemen, en dat staat ook vermeld op de Italiaanse espressomachines die zonder stoom koffie kunnen maken. De kortsluitingen en gedachtenschichten, beeldspraakverletterlijkingen en lyrisch klankmusicerende opsommingen vliegen de lezer om de oren, en het mirakel is dat ze steeds consistent binnen de intrige blijven, ze tasten niet het raam van de vertelling aan, maar blijven in resonerend verband ermee, net als een klassiek muziekstuk dat ook veel improvisaties en variaties in zich kan sluiten maar toch als geheel een sluitende vorm blijft behouden. Dit boek, waarvan elke zinswending uit zijn eigen tracé springt, vliegt qua compositie geenszins uit de bocht.

Hermans’ boek verandert allengs meer en meer in een jongensboek. Het is de missie van een vervolgde, die tegen de bierkaai trappelt. De strijd is immers bij voorbaat verloren, elke triomf sluit de nederlaag al in zich. Daar houden we van, in onze jeugd, want die nederlaag is onvoorstelbaar tot hij toeslaat en dan is het te laat. Dan zijn we oud en voorgoed verslagen.

Terwijl ik dit verlossende boek las stond er iets op het spel, waar geen lezer onderuit kon. Die prehistorische dieren. En dat strafvonnis tegen Denkbaar – hij moet loslopende honden die geen halsband dragen, vergassen, daarbij geholpen door een doofstomme eskimo. Het was duidelijk, volslagen impliciet zonneklaar, dat met dit alles ‘de oorlog’ bedoeld was, al kenden wij, nadien geboren, die louter van horen zeggen. Onze ouders, en de trauma’s van de geschiedenis, waren dat de mastodonten, oude koeien uit de sloot? De zwerfhonden, en ook de huilende holenbeer met zijn halsband – slachtoffers van de uitroeiing. De God Denkbaar Denkbaar de God is ook geschreven als grimmige, uitzinnige nagedachtenis aan verschrikkingen. ‘Van dat, waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen’ (Tractatus, stelling 7). Moet men zwijgen? Denk ook aan George Steiners twijfel of er na Auschwitz ooit nog poëzie te schrijven kon zijn.

De Oude Baardmans achter een hoog raam
In de laatste bladzijden verwijst Hermans naar een boek dat, in 1914 aangevangen en postuum gepubliceerd, een profetische blik bood op wat komen ging: Kafka’s Der Prozess. ‘Achter een hoog raam, achter een hoog raam…’ Het komt zo vaak voor dat ik alweer ben gaan tellen – het staat er 37 keer letterlijk in, en nog een paar maal is er sprake van een ‘raam’, al dan niet open of hoog.

‘Achter een hoog raam, achter een hoog raam, loop ik storm op mijn eenzaamheid en ontcijfer de laatste papieren die de diepste diepten aan mijn geheimen ontvouwen!

Stilte! Ik ween om alles wat is geweest en verdwenen is zonder boodschap na te laten.’ Dat zijn (denkelijk) Denkbaars laatste woorden, al dan niet uitgesproken, onderaan de al genoemde hemelhoge wand.

Het doet onwillekeurig denken aan het slot van Het proces:

Zijn blikken vielen op de hoogste verdieping van het aan de steengroeve grenzende huis. Zoals een licht opflikkert, zo weken de openslaande ramen van een venster daar uiteen, een door de verte en hoogte vage en dunne mensfiguur boog met een ruk ver voorover en strekte zijn armen nog verder uit. Wie was dat? Een vriend? Een goede mens? Iemand die meeleefde? Iemand die wilde helpen? Was het iedereen? Was er nog hulp? Waren er bezwaren die men vergeten was? Zeker waren die er. De logica is weliswaar onaantastbaar, maar tegen een mens die wil leven kan zij niet op. (vert. Willem van Toorn, 2012)

Hermans schrijft:

 Maar ditmaal waren de ramen gesloten en hoewel kon worden waargenomen dat er geprobeerd werd een van de ramen te openen, toch bleven de ramen dicht, allemaal. Langdurige telescopische observatie leerde dat iemand hoog, hemelhoog daar bovenop de rand, achter die ramen, probeerde aan de bijna verslagen groep beneden iets mede te delen, een teken te geven.

Op oude fresco’s en schilderijen zien we vaak de Oude Baardmans over een wolkenrand leunen en het gewoel in de aardse diepte aanschouwen. Zowel Kafka als Hermans duiden met hun ‘hoge raam’ hun verlangen aan naar een Schepper die op z’n minst meedogend toekijkt bij wat wij aan rampzaligs aanrichten of wat ons aan onrecht overkomt.

Pas als het te laat is, als het reeds op bladzijde 2 in brand gevlogen ouderwetse vliegtuig met vier schroefmotoren eindelijk weer overvliegt, op bladzijde 166, op zoek naar Denkbaars resten, dan pas krijgen we soelaas: ‘(…) kon [men] duidelijk de hoge ramen zien van het huis op de rand van de hemelhoge afgrond. (…) Plotseling barstte een van de ramen open en een witte wolk kleine papieren werd uitgestoten in de staalblauwe avondhemel, sinister als de eerste ontploffende luchtdoelgranaat op een eerste oorlogsdag.’

Op al de geheime papieren staat dezelfde tekst. Wittgenstein zou er niets tegen kunnen inbrengen:

Doorhalen wat niet verlangd wordt; het bedrag in cijfers.

Lees dit boek – lees het elke vijf jaar opnieuw. Om gezond te blijven in een waanzinnige wereld, lachend om uw eigen lot en dat van onze soort.