JZEP 2019, de shortlist: Bach horen, Bacon zien, Barthelme lezen
🖋 Caroline Benoit


In aanloop naar de uitreiking van de Joost Zwagerman Essayprijs 2019 publiceert de Nederlandse Boekengids deze week de vijf door de jury genomineerde inzendingen online. De prijs, bedoeld om nieuw essayerend talent voor het voetlicht te brengen, wordt op maandag 18 november uitgereikt in Alkmaar, in het kader van de Joost Zwagerman-lezing door Julian Barnes. U vindt de vijf essays op de shortlist (zeer) binnenkort ook op het papier van de Nederlandse Boekengids 2019#6. Vandaag aflevering twee: Caroline Benoit met haar essay ‘over de hedendaagse Lage Landen-literatuur als tandeloze hond’.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


‘Traveling in a violent cameel / on a hippe trailer full of monkeys / I’m in a strange lady, she made me ne Rus / she took me in and gave me breakfast / and she said: / do you come from a land out of love? / and win and low and win and love / did you hear did you hear and a love / you better run, you better take come on.’

Dat is hoe mijn zusje ‘Down Under’ zong. We waren Girls At Work, grote kinders aan de vaat en wie het vuile werk deed mocht de muziek kiezen. Het internet bestond nog niet, betrouwbaar foutloze songteksten vond je enkel op elpeehoezen maar wij luisterden naar de muziekcassetjes met onze, in acute spanning in de tot absolute stilte afgesmeekte huiskamer rechtstreeks van de radio opgenomen, favoriete nummers uit de hitparade.

Zelf zweeg ik nog liever dan een verkeerd woord te zingen maar mijn zusje zong graag voluit en had niet de minste interesse in tekst. Als ik zeker was van de woorden probeerde ik haar te overstemmen, maar zij zong luider en mooier. Ze haalde het bloed van onder mijn nagels met haar onverschilligheid voor taal. Als het me teveel werd – want ook onze parkiet deed intussen kelegatsluid mee (iedereen was tegen mij, die leeftijd had ik) en die trad niet alleen de taal maar zelfs de frasering met de voeten euh pootjes – zette ik het deurtje van de kooi open om chaos en daarmee afleiding te creëren: Prutsie vloog rondjes langs de keukenmuren tot hij, voor we hem konden vangen, van vermoeidheid, of stress, in het sop viel.

Nu vind ik mijn zusjes vrijheid van toen heerlijk (wat zou een violent cameel kunnen zijn? En stel je die trailer full of monkeys voor) maar in die tijd was ik de enige taalliefhebber in huis, de enige in een huis vol sluipers, onderkruipers, klimmers, springers, strompelaars, struikelaars, hinkelaars, platvoeters, stampvoeters, trappendonderaars, klompendansers… die droomde van vliegen. Ik denk dat ze me heel soms wel konden wurgen. Ik herinner me bijvoorbeeld levendig de middag dat mijn zusje me met een schoongeschrobd aardappelmesje bedreigde, hoe ik toen – in paniek want ze was sneller dan ik was en ooit zal zijn – vluchtte naar mijn kamer op zolder, hoe ik nog net de deur voor haar neus kon dichtslaan en hoe ze toen uit machteloze woede met een bezemsteel een gat in mijn multiplex deur geramd heeft. Ik zweer dat het toen ook over songteksten ging.

Ik bedoel maar: in ons gezin was het gevleugeld woord niet bepaald een hooggeëerd goed.

Ik zie het kind dat ik toen was als een gefrustreerde papegaai, met de klauwen rond twee tralies geklemd en maar krijsen, somtijds van hoek naar hoek flappend en zich zenuwziek op de tralies stortend tot pluimpjes wiegelend ontsnapten maar hijzelf tegen de vloer vol drollen duikelde.

Er waren boeken in huis, daar niet van. Blijkbaar plaatste mijn vader met enige regelmaat een bestelling bij het Davidsfonds want opeens stonden die boeken dan in de kast, maar daar bleven ze dan ook staan: mijn vader las de krant en de Knack en mijn moeder las niet, huismoeders hadden daar de tijd niet voor, wist ik al zeer jong. Zelf liep ik de deur van ons dorpsbibliotheekje plat en bij mijn weten lazen mijn broers ook boeken, maar daar werd noch naar gevraagd noch over verteld. Ik kan me niet herinneren in die tijd ooit met iemand van ons gezin, onze hele familie zelfs, over de schoonheid van de taal gesproken te hebben. De rijkdom van het Nederlands scheen slechts een Prisma-pocketwoordenboekje breed. Ik kocht mijn eerste Dikke van Dale in drie delen, 4775 dichtbedrukte bladzijden rijk, met het voorschot op mijn eerste gepubliceerde boek. De eerste keer dat mijn vader en ik samen in een boekhandel waren was vorig jaar – ik was achtenveertig, hij tweeënzeventig en fiere vader, glimmend aanwezig op de boekvoorstelling van zijn dochters debuut.

Want ja, ik heb mijn droom nagejaagd.

***

En dan ben je eindelijk daar, boven de wolken… En dan merk je: je bent nog steeds een vogel in een kooi, alleen is de kooi nu een volière en scheren straaljagers langs als gerechtigde heersers van het luchtruim, vergeef me mijn metaforen. Dit is het tijdsgewricht van met dichtgeknepen lippen en dichtgeknepen billen recht naar het meetbaar succes. Woorden zijn het vlees op de botten van de dingen en dit zijn afgetrainde, smartwatchtijden. Dit is verduiveld de era van het uitgemolken en inmiddels verzuurde less is more, dit is het Marie Kondo-tijdperk, vergeef mij mijn metaforen en synoniemen.

Begrijp me niet verkeerd: vijf jaar geleden ben ik als een blok gevallen voor de gebeitelde stijl van Cynan Jones. Patricia de Martelaeres uitspraak ‘Wat de schrijver eigenlijk zou willen is zwijgen, maar dan in woorden’ is op zijn schrijflijf gegoten. Ik verwond me aan stenen zinnen als ‘‘You use care like a weapon,’ he says. It’s like a greenhouse breaking. After the fight they were quiet. ‘I have to take the bread crates back,’ he said, and he drove off in the van.’

Maar evengoed dompel ik me, zuchtend van bewogenheid, onder in zinnen als ‘Hij las passages voor uit de Bijbel terwijl de regen op ons neersloeg met de kracht van groot verdriet en de grond in mijn tuin zompig en drassig werd als de moerassen die hier even verderop gelegen zijn en waar wij – Bob, Kenny en ik, in de eerste weken na Maries dood bleven ronddwalen, schietend op alles wat bewoog en op alles wat niet langer bewoog, in een vergeefse en zelfs naïeve poging om de wanhoop te verdrijven, de peilloze wanhoop, veel moeilijker nog te beschrijven – veel moeilijker nog na te voelen – dan het vermaledijde geluk.’ (Lees Christophe Vekeman! – van op mijn zadeldak roep ik dit al sinds jaar en dag.)

Voor een lenige lezer spreken beide schrijvers even oprecht van pijn.

***

Het is dus niet dat ik een uitgepuurde stijl verwerp, verre van, het gaat me gewoon om de vrijheid elke vogel te laten zingen zoals hij gebekt en vliegen zoals hij gevlerkt is.

Zelf ben ik eerder van exotisch pluimage maar in onze witzwarte tijden is de nood aan opperste en uiterste controle, inperking, hanteerbaarheid, onderdrukking, beteugeling, intoming, knechting, smoring (help mij, Thesaurus) zo groot, dat wat uit het keurslijf puilt met afgrijzen en weerzin bezien wordt. ‘Er staat geen woord te veel’ lijkt het felstbegeerde compliment over zijn stijl te zijn voor de hedendaagse schrijver. Het Nederlandse ons bin zuunig is inmiddels ook in Vlaanderen de nieuwe norm zoals de Nederlandse woordenschat dat eveneens, onbetwistbaar, reeds is (getuige de vanzelfsprekendheid waarmee Nederlandse uitgevers ‘te Vlaams’ klinkende woorden uit de manuscripten van hun Vlaamse auteurs kunnen weren zonder op verzet te stuiten terwijl ze te Nederlandse woorden als ‘sjoege’ laten staan in een vertaling van het meesterwerk van een Amerikaanse taalslijper bijvoorbeeld, doch dit uiteraard – voor de gemoedsrust van de Nederlandse lezer van dit essay – maar weer eens geheel terzijde.)

‘Je zou het een knieval voor de commercie kunnen noemen, maar je kunt het net zo goed zien als de volwassenwording van een auteur die niet langer de nood voelt om uit te pakken met talige tierelantijntjes,’ zo heet het dan in de recensies. Houd op met spelen! Hijs jezelf in maat- of mantelpak, wurgdas of martelhakken, en neem de kortste weg naar kantoor.

Nee, dan, ter voorbeeld en lering, Barthelmes slumgullions (= rijke, dichte, smaakvolle ineen geflanste brouwsels van bijeengegooid dit en dat en dat andere, bekokstoofd ten behoeve van de onlosmakelijke effecten van genot en voedzaamheid – mijn vrije vertaling van David Gates’ woorden). Schrijf verhalen die quasi-essays zijn of quasi-parabels of quasi-parodieën of quasi-legendes, verhalen die hele lappen found material gebruiken, freestyleverhalen, collages, assemblages, samples, verhalen die slechts bestaan uit de ene helft van een dialoog, verhalen met het vertelstandpunt van het schuim op het water. Speel! Vlieg blind! Fluit in het donker!

Barthelme vond het de specifieke taak van de schrijver om van onze zo veelgebruikte, vermoeide taal de frisheid te herstellen. Hij had een hekel aan conventionele formuleringen en voorspelbaar taalgebruik.

Barthelme zou vandaag de dag wellicht geen uitgever vinden, meent Dave Eggers. Er is in de mainstreamfictie een newspapering process gaande, schrijft hij, waarin stilistische afwijkingen niet toegestaan worden, waarin vernieuwingen in stijl beschouwd worden als anarchie, als het arrogant negeren van de norm, de Norm! Lezers worden ongeduldig en critici vlakaf razend. Vertel ons het verhaal, roepen ze. Vertel het ons nu maar gewoon, get it across and get it over with. Spare us the frills.

Het publiek krijgt wat het verwacht, schamperde Connie Palmen al in Het geluk van de eenzaamheid, haar sterke poëtica die voor mij een houvast (al is het dan slechts een strohalm) is. Het essay was bedoeld als verzet tegen ‘de heersende tirannie van de middelmaat’, tegen ‘de vulgaire minachting voor het uitzonderlijke’.

Sander Bax beweert in De literatuur draait door. De schrijver in het mediatijdperk dat de hedendaagse lezer een consumerende lezer is die enkel en alleen geëntertaind wil worden: lezen moet vooral ontspannend zijn, de taal dient daartoe transparant te zijn want ‘als vorm en stijl al te nadrukkelijk de aandacht op zich vestigen wordt het specifiek literaire hierbij een hinderpaal’ ofte: stijl als obstakel – boeken moeten zich bovenal laten lezen ‘als een trein’.

***

Notitie van half juni in mijn schrijflog (het essay is het zwerfgenre bij uitstek, Lezer, u zult dit korte zijspoor moeten gedogen): ‘Oefening: beschrijf zo nauwkeurig mogelijk de mooie wolkenlucht van deze morgen.

‘Het was bewolkt’ is zo’n zinnetje waar elke lezer overheen leest; maak uzelf niets wijs, Schrijvertje dat beweert dat u-niet-alles-wilt-invullen-voor-de-Lezer-dat-u-de-verbeelding-van-de-Lezer-ook-nog-iets-gunt: geen enkele lezer zal bij uw zinnetje stilstaan om zich een concrete voorstelling te maken van uw wolkenlucht alvorens de pagina van zijn pageturner om te slaan. Maar schrijf, zoals Zwagerman deed, een zin als ‘De uil bij Mankes en de wolk bij Weissenbruch: ze zijn van een identiek wit, secuur bekruimeld met goudgele stipjes en veegjes’ en je weet dat de vinger van de Lezer zal talmen aan de hoek of rand van de bladzijde tot hij deze wolk, deze uil voor zich ziet. EN hij zal een moment van pure schoonheid ervaren. Een schoonheid in tweevoud zelfs: de schoonheid van het taalgebruik – ‘bekruimeld’, zo’n woord lees je niet elke dag – en de schoonheid van het beeld dat ermee opgeroepen wordt: die wondermooie wolk, die haast tastbare uil.

Edoch, de modale lezer wil zijn boek in één ruk uitlezen. De modale lezer wil niet stilhouden voor elke voorbijzeilende wolk, hij en zij willen hun boek in één adem uitlezen.’

***

Maar, mijn betoog terug opnemend: is er niet altijd al (waarmee ik bedoel: sedert de alfabetisering) een grootste massa aan dergelijke lezers, genre-lezers, geweest? Hebben we tegenwoordig niet eerder te kampen met een normenvervaging of -verschuiving bij wie in de literaire wereld beslist wat goede, publicatiewaardige literatuur is?

Sander Bax toont aan dat dit proces al in de jaren zestig begon, met dank aan het nieuwe populaire medium tv: ‘de tegenstelling tussen high literature en populaire cultuur verliest haar vanzelfsprekendheid, de canon komt vanuit allerlei hoeken onder vuur te liggen,’ het is ‘een tijd van popularisering en nivellering van cultuur en literatuur.’

En nu hebben we de massamedia, en erger nog: social media, het summum van popularisering en nivellering…

De verandering die de literatuur ondergaat in de mediacultuur gaat, zegt Bax, gepaard met verlies: ‘Als literatuur zich steeds meer gaat aanpassen aan de wetten en regels van de mediacultuur, dan zal dat onvermijdelijk leiden tot een verdere isolatie van het literaire experiment. Taalkritische, vormvernieuwende (en dus ‘ingewikkelde’ of ‘moeilijke’) literatuur heeft het moeilijk in een mediacultuur die erom vraagt dat boeken erop gericht zijn lezers voor zich te winnen en ze te laten doorlezen (zoals televisieprogramma’s erop gericht zijn om te voorkomen dat kijkers verder zappen en zoals Facebook ervoor wil zorgen dat we maar over onze timelines blijven scrollen). De experimentele literatuur dreigt hierdoor verdrongen te worden naar een bestaan in een allengs slinkende marge.’

***

Maar deze golem heeft natuurlijk twee benen. Het andere is het neoliberalisme met zijn ‘business ontology’. Alle domeinen van onze samenleving moeten zich nu voegen naar deze eenzijdige economische logica, ook domeinen die voorheen als van onafhankelijke waarde beschouwd werden (de zorg! het onderwijs! de politiek! de wetenschappen! de media! en ja, ook: de kunsten!). Tot in de twintigste eeuw domineerde een anti-economische logica nog het literaire veld. Maar die mooie tijden zijn dus voorbij. Literatuur wordt nu gewoon beschouwd als een product dat in de markt gezet moet worden. Verkoopcijfers bepalen nu wat ‘waarde’ heeft.

Bijgevolg bepaalt de middelmaat wat waarde heeft – want het consumentenpubliek schurkt zich natuurlijk gezellig bijeen (ons zorgt voor ons en onze normen en waarden en (voor)oordelen en conventies en toe, doe ons alsjeblieft niet individueel nadenken, maak het ons alsjeblieft zo comfortabel mogelijk, wat moeite kost hoeven we niet) op een gausscurve: met het grootste aantal in de – lauwe – middenbeuk. Dus dient er lauwe literatuur geproduceerd te worden. Let wel: ik heb het hier puur over stijl en taal. Want laten we wel wezen: de bestsellers van de middlebrow zijn soepel geschreven, spannend dus zorgvuldig gedoseerd en met een tot in de puntjes beheerste plotontwikkeling.

En ik herhaal met klem: ik heb het niet over uitgebeend versus bloemrijk, ascese versus barok; beide zijn uitersten van hetzelfde spectrum en per definitie NIET lauw. Wat ik verfoei en betreur is het lauwe midden.

Literatuur werd in de goede oude tijd van weleer onder meer bepaald door kenmerken als complex/niet alledaags/afwijkend/bijzonder taalgebruik, geen wegwerptaal, maar taalgebruik met meerwaarde, taalkunst. Dorleijn, De Geest en Verstraeten in Literatuur in de wereld: ‘Literaire taal is mooier, complexer, beeldrijker, associatiever en vooral veel dieper, rijker aan betekenissen en symbolen dan onze alledaagse conversatie, een kookboek of een magazine.’ Of zoals Connie Palmen het formuleert: het is Bach horen, Bacon zien, Brodsky lezen. ‘Omdat iedere schrijver die ertoe doet klinkt zoals geen ander voor hem klonk, is stijl het belangrijkste onderdeel van de kunst. […] De mogelijkheid te schrijven zoals niemand anders voor jou schreef, is het wonder van de literatuur. […] De oorspronkelijkheid van een werk, de sensatie iets te zien, horen of lezen wat je nooit eerder zag, hoorde, las, is het verbijsterende geschenk van alle grote kunst en de basis voor het geluk van de eenzaamheid. Het is Bach horen, Bacon zien, Brodsky lezen.’

Laat ons toch niet wegkwijnen met boybands, brave portrettenschilders en Brown (Dan).

***

Een essay is geen essay als het niet mag wagen, woelen en krioelen, avonturieren en experimenteren, twijfelen, broeden. Het essay is de vrijplaats voor ongehinderd, ongereglementeerd nadenken. Het is zelf een manier van nadenken, rusteloos nadenken. Sta me dus toe nog een volslagen andere richting uit te dwalen, gewoon om ook u aan het denken te zetten, Lezer:

Wordt in de hiërarchie van menselijke kwaliteiten de rede niet al sinds mensenheugenis hoger geplaatst dan de emotie, het rationele besluit hoger dan de intuïtie, het inzicht hoger dan het instinct, de analyse hoger dan de zintuiglijke beleving?

Wil de zelfverklaard literaire schrijver zich met zijn onderkoelde stijl niet heel graag radicaal distantiëren van dat emotionele tieren van het gepeupel? Cool, calm, and collected zijn…

Zal die schrijver dan niet op de zeepkist van de ironie gaan staan want ironie schept afstand, alles en iedereen ironiseren maakt onverstoorbaar onkwetsbaar.

Zal die schrijver dan niet de naakte taal als van een Cynan Jones schuwen want bloot maakt kwetsbaar en ontvleesd doet pijn. En zal die schrijver zijn taal dan ook niet schonen van al dat adjectieve ornament, want ornament verraadt passie en passie is niet cool & calm & collected.

***

Zal zo’n schrijver de taal niet muilkorven?, temmen tot een dociel huisdier?, een makke, tandeloze hond? Ja, dat zal zij. Of hij.

En hij daar, jubelt Dave Eggers over Donald Barthelme, hij jaagt een kudde wildebeesten door mijn geest – wat zeg ik, een hele jungle vol beesten in alle kleuren en vormen, en hij jaagt ze mijn hele brein door; schreeuwend, schijtend, soppend fleppenketsenkezenvozend (mijn woorden, niet die van Dave Eggers).

Laat ons weer lenige Lezers en Schrijvers worden. Onze taal is geen hondenkooi, onze taal is geen reservaat, onze taal is de hele wijde wereld en het zwerk erboven. Onze taal hoeft niet uitsluitend functioneel te zijn, er is ook plaats voor schoonheid en emotie. En laat mij en de mijnen ruimte voor spelevliegen en onthokkebanden, voor balsturigheid, voor zinnentuimel en zwijmelgeest, voor fanfaronneren en krijzeltanden, voor afhoereren, voor starrelen, voor raaskallen, voor wildzang.

Elke Lezer, iedere Schrijver, die zich aan de zijde van de speelvogels schaart, verrijs en zing uit volle borsten mee met taalhoereerder Pjeroo Roobjee – ‘een koorzang uit de monden van niet al te reguliere paters scheurt de stilte van de nanacht open’:

Concordadoi cellebrabo,
Toetto cordee in oewatte.
Toutjustorum potentiamu,
Magna sikkut ad principio.
Et in zeecul scrotum tandoe.
Zeecullo squisa cojtoes fjèstee,
Tam cojtoesalem manifesta.
Populo in diarreejoe,
Operrarum omnia firma.
Miracoli content lauda,
Cristal lizee posuiti capotee.
Accepta in conspectoe, tuas Dominee,
Omnia ethèr nu, tuas Dominee,
Accepta in conspectoe, tuas Dominee,
Omnia ethèr nu, tuas Dominee…
Ahaaaaààààà!!!
… Etcetera Etcetera Etcetera…