JZEP 2019, de shortlist: De dingen, ze zingen
🖋 Marion Bruinenberg


In aanloop naar de uitreiking van de Joost Zwagerman Essayprijs 2019 publiceert de Nederlandse Boekengids deze week de vijf door de jury genomineerde inzendingen online. De prijs, bedoeld om nieuw essayerend talent voor het voetlicht te brengen, wordt op maandag 18 november uitgereikt in Alkmaar, in het kader van de Joost Zwagerman-lezing door Julian Barnes. U vindt de vijf essays op de shortlist (zeer) binnenkort ook op het papier van de Nederlandse Boekengids 2019#6. Vandaag aflevering vier: Marion Bruinenberg, met haar essay over dingenliefde.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *



Nog meer dan van Kerstmis, Mozart en mij, hield mijn opa van de dingen. Werkelijk alles kon hij tot leven wekken. De twee ramen van zijn kleine boerderij waren de ogen, de luiken de oogleden, de voordeur in het midden de neus en zijn rozen op het gazon had hij zo gepositioneerd dat het net leek alsof het huis zijn tong uitstak. De ruitenwissers van zijn auto noemde hij de wimpers, die door een keer te knipperen regentranen weg konden vegen. En toen ik eens een theekopje liet vallen waardoor het oortje afbrak, riep hij keihard: ‘Au!’ – en hoewel hij direct daarna een bulderlach liet horen, wreef hij de rest van de dag met een pijnlijk gezicht over zijn eigen oor.

Voor al zijn dingen had mijn opa dramatische achtergrondverhalen, waarin de sociale rollen, emoties en zelfs intenties van de voorwerpen waren neergelegd. De bureaulamp scheen zo’n zielig licht omdat hij zijn ouders nooit had gekend. De koekoeksklok boven de deur tikte zo venijnig omdat hij altijd te laat was – hij liep immers drie minuten achter. En de stopcontacten leken zo wanhopig vanwege hun rommelende magen; de enige manier om hun honger te stillen, was een stekker in hun open monden te steken.

***

Tijdens een van de zomervakanties waarin ik bij mijn opa logeerde, vond ik een zwartfluwelen kistje, waar in een kriebelig handschrift ‘dodeduivenkanaal’ op was geschreven. Toen ik het opende, kwam de zure geur van fixeer me tegemoet. Het lag vol met foto’s van platgereden vogels, waar mijn opa urenlang voor in zijn doka had moeten staan.

Eenmaal ontdekt nam ik het kistje vaak stiekem mee naar bed, waar ik met een zaklamp onder de dekens de duivenlijkjes bekeek. De levenloze vogels vond ik eng en spannend tegelijkertijd, maar ze stemden mij ook droevig. Ik had het gevoel alsof mijn opa pas interesse in iets had wanneer het dood was. Of nooit geleefd had. Omdat mijn springlevende ik niet tot een van die categorieën behoorde, was ik jaloers op zijn liefde voor de dingen. Ik vond het kinderachtig, vreemd en overdreven, maar bovenal begreep ik het niet. Levenden zijn met al hun kleuren, geuren en geluiden toch oneindig interessanter? Waar kwam die fascinatie toch vandaan?

Ik ben te laat om het hem te vragen. Alleen  zijn eigendommen kunnen me nog antwoorden geven; want hoewel hij er niet meer is, zit mijn opa in alle dingen die hij me heeft achtergelaten.

***

Een kleine rondgang leert mij dat mijn opa niet de enige was die objecten personifieert. Midden jaren negentig beweerde een vrouw uit Chicago, Diana Duyser, dat ze de maagd Maria zag in een geroosterd broodje. Ze had de toast bewaard in een plastic bakje, en toen het na tien jaar nog steeds niet beschimmeld was, wist ze het zeker: ze had iets heiligs in de handen. Duyser was overigens niet de enige die de gelijkenis zag: een veiling van het brood leverde haar achtentwintigduizend duizend dollar op. Voorafgaand aan de veiling had mevrouw Duyser de kopers wel gewaarschuwd dat de sandwich ‘not fitted for consumption’ was – het blijft tenslotte Amerika.

Niet alleen de deugdzame Maria, maar ook de duivel duikt vaak op in levenloze objecten. Tijdens de aanslagen op het World Trade Center op 11 september 2001 werd meerdere keren verkondigd dat het gezicht van de duivel te zien was in een wolk van rook boven de brandende flatgebouwen. De uitspraak van president George W. Bush, ‘Today our nation saw evil,’ werd als bewijs hiervoor gezien. In 1954 werd bovendien een serie Canadese dollarbiljetten uit de omloop gehaald, omdat men er het hoofd van een demon in meende te zien, en ze om die reden niet langer wenste te gebruiken.

***

De neiging om in levenloze structuren een betekenisvol patroon te zien, bij voorkeur een menselijk gezicht, heet pareidolie. Het is een vorm van illusie, waarbij iemand een willekeurige waarneming zodanig interpreteert, dat hij of zij herkenbare gelaatstrekken meent te zien. Onze hersenen hebben de behoefte verbanden te leggen tussen verschillende elementen, ook als deze er eigenlijk niet zijn. We zien liever een gezicht in een goedwillende struik, dan dat we een roofdier over het hoofd zien.

Dit begint al op jonge leeftijd. Volgens de astronoom Carl Sagan kregen een miljoen jaar geleden baby’s die in staat waren gezichten snel te herkennen al meer aandacht van hun verzorgers. Kinderen die lachten als ze hun ouders zagen, hadden meer kans hun harten te winnen – en daarom meer kans om in leven te blijven.

Pareidolie kan zich ook in auditieve vorm voordoen. Mensen kunnen stemmen horen in het geluid van apparaten of in het geruis op geluidsbanden. In de jaren zestig waren veel mensen ervan overtuigd dat door grammofoonplaten achterwaarts af te spelen geheime berichten konden worden ontcijferd. Een bekend voorbeeld is de complottheorie ‘Paul is dead’. Paul McCartney, de bassist van The Beatles, zou in 1966 zijn overleden. De overige Beatles probeerden zijn dood te verdoezelen door hem te vervangen met een dubbelganger met dezelfde stem en persoonlijkheid. Om hun schuld af te kopen, besloten de Beatles aanwijzingen voor zijn dood in hun nummers op te nemen – speciaal voor de fans, die natuurlijk wel doorhadden dat dit niet de echte Paul was. Zo’n aanwijzing is te vinden als je I’m So Tired omgekeerd afspeelt; zachtjes hoor je dan: Paul is dead, miss him, miss him.

***

Mijn opa hoorde in alles muziek, ook als die er niet was. In de zomer maakten we elke dag een wandeling naar de markt, waar ik een ijsje en mijn opa een biertje nam. Op de weg heen en terug stopte hij plots, stak zijn wijsvinger in de lucht en riep: ‘Luister, Marion!’ Hij wees naar de trein, die ritmisch over onze hoofden denderde als we onder de spoorbrug door gingen; naar het voetgangerslicht, dat op groen knipperde en naar een auto, die weigerde te starten. ‘De dingen, ze zingen,’ zei hij dan, en het was mijn taak zoveel mogelijk geluiden te onthouden. Maar hoe hard ik ook mijn best deed, ik werd toch afgeleid door een kat, een buurvrouw of een bloem. Eenmaal thuis speelde mijn opa de zingende dingen na op de piano – want hij had ze natuurlijk wel onthouden. En hoewel hij zei dat het niet erg was, voelde ik zijn teleurstelling over mijn voorkeur voor de levenden.

Hij had het waarschijnlijk beter kunnen vinden met de Amerikaanse experimentele componist John Cage. Zijn compositie 4’33” uit 1952 werd bekend door de afwezigheid van instrumenten: de pianist raakt gedurende 4 minuten en 33 seconden geen toets aan. Toch is het niet stil: je hoort het publiek kuchen, mensen die gaan verzitten en geluiden van buiten die in de concertzaal doordringen. Cage wilde zo onze oren spitsen om alle klanken van de wereld te horen. Hij bedacht het stuk nadat hij in een anechoïsche kamer – een akoestisch volledig dode ruimte – had ervaren dat je in totale stilte nog steeds het ruisen van je bloed, het gezoem van je zenuwen en het kloppen van je hart hoort.

Stilte bestaat niet, en daarom houdt de muziek nooit op.

***

Maar goed, we dwalen af. Die liefde dus. Hoe valt die te verklaren?

Een gebrek aan sociale connecties met andere mensen kan eenzame individuen motiveren verbintenissen aan te gaan met niet-menselijke objecten. Zo tekent de op een onbewoond eiland gestrande Tom Hanks in Cast Away met zijn eigen bloed een gezicht op een volleybal, om maar iemand te hebben om mee te kunnen praten. Deze ‘Wilson’ groeit uit tot een van de belangrijkste personages in de film – probeer het maar eens droog te houden op het moment dat hij wegdobbert op open zee.

Was opa misschien eenzaam, na oma’s dood? Probeerde hij nieuwe vrienden te maken om zijn sociale leven weer wat op te krikken? Ik hoor hem nog praten tegen zijn platenspeler: ‘Dag Geert, we zijn er weer jongen. Wat zullen we vandaag eens draaien?’

Mogelijk personifiëren mensen dingen ook als een reflectie van emoties waarvoor ze denken dat er geen plaats is. De rorschachtest, waarbij iemand herkenbare patronen ziet in willekeurig gevormde inktvlekken, werd gebruikt om iemands vermeende verborgen emoties bloot te leggen. Mijn opa had het heel moeilijk toen hij na jarenlang trouwe dienst zijn Lambretta-scooter naar de schroot moest brengen. Dit had wellicht niet met ‘de dood van een trouwe vriend’ te maken (we hielden zelfs een afscheidsceremonie; de koplamp ligt nog steeds begraven in de achtertuin), maar zou het eind van een tijdperk kunnen reflecteren. Opa moest zijn mod-dagen vaarwel zeggen en onder ogen zien dat op zijn leeftijd rijden niet langer verantwoord zou zijn. Het is overigens ook goed mogelijk dat hij eigenlijk geen nieuw vervoersmiddel wilde aanschaffen. Opa was namelijk nogal zuinig op zijn centen.

***

Dat brengt mij gelijk op een tweede mogelijke oorzaak: gierigheid. Plastic zakjes werden oneindig gewassen en voorzichtig te drogen gelegd, om ze de volgende dag weer met boterhammen te vullen. Het is de vraag of opa ze daadwerkelijk niet vaarwel kon zeggen, of dat hij het niet nodig vond geld uit te geven aan nieuwe zakken.

Die zuinigheid maakte het hem ook moeilijk, zo niet onmogelijk, dingen weg te gooien. Hij klaagde dan ook steen en been als mijn moeder, haar tijd vooruit, als een Japanse opruimgoeroe aan haar jaarlijkse schoonmaak begon. Een vol huis zou leiden tot depressie, stress en psychologische problemen; te veel spullen zouden ons verstikken en ons ongelukkig maken. Maar ik heb mijn opa nog nooit zo ongelukkig gezien als wanneer een halfleeg verfblik of een gratis gekregen pen in de prullenbak belandde.

***

Antropomorfisme, het toeschrijven van menselijke opvattingen en emoties aan dieren of objecten, wordt vaak verklaard door de zogeheten god impulse: de neiging om menselijke motivatie en zingeving in alles te zoeken. Toen de eerste mensen de dingen om ons heen niet konden begrijpen, bedachten ze mythes om hen te verklaren en het toeval uit te sluiten. De Grieken gaven hun goden, verantwoordelijk voor onder andere het weer, aardbevingen en vuur, allerlei menselijke eigenschappen en emoties. Het woord antropomorfisme is zelfs afkomstig van een Griekse filosoof, Xenophanes, die gelijkenissen tussen gelovigen en hun goden beschreef. De goden van de Grieken hadden een lichte huid en blauwe ogen, schreef Xenophanes, maar de Afrikaanse een donkere huid en bruine ogen.

Mensen zijn onvoorspelbaar, en als een object dat ook is, hebben we de neiging het ding als een medemens te zien. Het is makkelijker het onbegrijpelijke gedrag van een televisie die steeds op een andere zender springt of een auto die niet wil starten te verklaren door het toe te schrijven aan de al dan niet goddelijke wil van het voorwerp, dan je in de neurowetenschap, ingenieurswetenschap of scheikunde te verdiepen.

Zo blijkt dat borden met bespiedende ogen erop geschilderd criminaliteit doen afnemen. Een Engels onderzoek op een universiteit wijst uit dat door het plaatsen ervan zestig procent minder fietsen op de campus werd gestolen. Het gevoel bekeken te worden, zelfs in de vorm van een poster, doet mensen hun gedrag veranderen.

Misschien zocht opa redenen waarom oma zo plotseling uit het leven was gegrepen; misschien zocht hij nieuwe regels om zijn leven weer zin en structuur te kunnen geven. Uit een Finse studie blijkt dat veel aanhangers van het paranormale ‘levende dingen’ verklaren door er de aanwezigheid van een geest of een andere entiteit in te zien. Zoals de oude Grieken bliksem zagen als de toorn van Zeus, zag opa misschien oma’s wimpers in de ruitenwissers van zijn huilende Kever, haar ongeduld in de nerveus tikkende koekoeksklok en haar melancholie in de verdrietig schijnende schemerlamp. Nadat hij zijn relatie met God na haar overlijden abrupt beëindigd had, zocht hij wellicht een nieuwe religie: Het Geloof Der Dingen.

***

Eenzaamheid, zuinigheid, zingeving en religieuze overwegingen: het zijn alle goede verklaringen voor opa’s liefde van de dingen. Maar meer nog vraag ik me af of de dingen niet meer bezieling hebben dan we nu denken, en dat mijn opa dat als een van de eersten doorhad. Eerst waren we ervan overtuigd dat dieren geen pijn konden voelen, nu hebben we naast vegetariërs ook fruittariërs. Was mijn opa misschien de eerste dingtariër? Wellicht ligt er een diepere betekenis achter de dingen die ik tot nu toe heb gemist. Mijn opa hield van de dingen – maar hielden ze ook van hem?

Het toekennen van menselijke gedachten aan niet-menselijke objecten is een neiging die we ontgroeien. Na de puberteit vinden we degenen die nog steeds tegen hun knuffels praten of hun tosti-apparaat ‘Mr. Toastie-Toast’ noemen kinderachtig – of op zijn minst een tikje vreemd. Maar volgens Nicholas Epley is antropomorfisme een natuurlijk bijproduct dat ons mensen juist zo uniek intelligent maakt. Geen enkele andere soort heeft deze neiging. Epley stelt dat het dus eerder een reflectie van de begaafdheid van ons brein is, dan een teken van gekte. We zien overal (neppe) ogen, omdat ze fungeren als ramen van de ziel. Hoe meer we ons verdiepen in de gedachten van andere mensen, hoe beter we hun intenties kunnen lezen en hoe sociaal intelligenter we worden. Zou het dan niet zo kunnen zijn dat de dingen ook gedachten hebben; en dat we door die te ontrafelen, de wereld om ons heen beter kunnen begrijpen?

***

Volgens Lord Krishna is het voor veel mensen moeilijk om het goddelijke te zien in iets wat geen vorm heeft. Daarom gebruiken we antropomorfistische iconen, murtis genaamd, omdat we pas kunnen waarnemen met onze zintuigen.

De eerste stap naar kennismaking met de dingen is ze dan ook niet slechts waar te nemen, maar elke observatie als een ontmoeting te zien. Dat wat bij de beschrijving ervan verloren gaat, is wat een ding een ding maakt, zegt Maarten Asscher in Dingenliefde. Hoewel de ontmoeting met een ding dus niet in woorden te vangen is, laat scenarist Alan Ball zien dat dit met film wel mogelijk is. In American Beauty laat hij een plastic zak dansen in de wind, als een puppy die smeekt om aandacht. Zelfs als we met geen mogelijkheid een gezicht kunnen zien of een stem kunnen horen, laten we dingen bewegen om ze op deze manier tot leven te wekken. Niet de mens, maar het ding is volgens Ball dan ook het belangrijkste personage van zijn film.

Vervolgens dienen we ons te realiseren hoe kwetsbaar en afhankelijk de dingen zijn. Zo stelt Asscher: ‘Verantwoordelijkheid voor dingen is niet minder groot dan voor mensen, aangezien dingen zelf niets kunnen en volledig van ons afhankelijk zijn. Een ding verliezen of kapotmaken is des te onvergeeflijker naarmate dat ding kwetsbaarder, betekenisvoller en onvervangbaarder is.’

Misschien bestaan de dingen dus niet slechts om door ons gebruikt te worden, maar hebben ze ons net zo hard nodig als wij hen. Zij helpen en ondersteunen ons, maar moeten wij hen ook niet ondersteunen en waarderen? Belcampo geeft in Opstand der dingen spullen een stem der rebellie. Ze wensen niet langer door mensen onderworpen te worden, en gaan in opstand tegen de achteloze manier waarop we met hen omgaan. Ze pakken letterlijk hun biezen en verlaten hun huizen, de mensen naakt achterlatend.

Misschien wou mijn opa dat juist voorkomen. Want wat zijn wij zonder de dingen? Zonder onze kleren zijn we letterlijk blootgesteld aan het weer. Zonder onze wapens kunnen we ons niet verdedigen; onze tanden zijn niet scherp genoeg en onze kracht valt niet te vergelijken met die andere dieren. En zonder onze brillen, lenzen en gehoorapparaten zien en horen wij gevaar niet eens meer aankomen.

***

Deze zienswijze doet denken aan het animisme: het geloof dat bijna elke plek, elk natuurverschijnsel, elk dier en elke plant een bewustzijn en gevoelens heeft en kan communiceren met mensen. Niet-menselijke objecten hebben wensen en behoeften, en bestaan niet slechts om in onze behoeften te voorzien.

Roger Caillois vertelt in zijn boek Stenen over klassieke mythen waarin dingen, in zijn geval stenen, de hoofdrol spelen. Stenen planten zich voort en produceren nageslacht, maar er zijn ook stenen die gewassen, aangekleed en gewiegd moeten worden voordat zij van zich laten horen. In deze mythologieën wordt ‘het levenloze bezield en de zichtbare werkelijkheid voorbijgestreefd’. Caillois wijst ons erop hoe vluchtig we waarnemen, hoe onbeduidend onze observatie is in vergelijking met de onvergankelijkheid van de dingen. Juist daarom, schrijft Caillois, zijn ze zo fascinerend. Helaas zijn wij sterfelijke zielen geobsedeerd door onze eigen eindigheid, en nemen we vaak niet de tijd hun mysterieuze lot te doorgronden.

Cultuur, ervaring en conformiteit leiden ertoe dat een open blik naar de wereld glad wordt gestreken, zegt Ball, en ook Magritte stelt dat de mens die ‘kent, gebruikt en heerst’ zijn oorsprongservaring verliest. Kinderen kunnen op hun rug in het gras liggen en moeiteloos van wolken draken maken, maar volwassenen, met al hun wijsheid, ervaring en gewenning ‘proberen vruchteloos de dingen in de wereld te vangen in een gestructureerd en dualistisch begrippennetwerk om ze beter te begrijpen’. De wereld achter de dingen, zegt Elize de Mul, blijft dan juist verborgen.

***

Eerder merkte ik al op dat pareidolie aangeboren is. Maar misschien is de liefde voor dingen ook aangeboren, en moest ik volwassen worden om mijn kinderlijke blik weer terug te krijgen. Om verder te zien dan mijn waarneming, om open te staan voor een ontmoeting met de dingen en de tijd te nemen hun schoonheid gewaar te worden. Pas dan kan ik ze begrijpen, en van ze houden.

Buiten begint het te schemeren. Ik zoek in opa’s platencollectie naar Boudewijn de Groot. Als ik de eerste klanken van de piano hoor, zie ik ons weer dansen in het brakke licht van de avond, in een salon vol objecten die meer leven dan wij. Geert brult zijn longen uit zijn lijf, de koekoeksklok tikt mee op de maat, de schemerlamp laat haar lichten zwieren en de stopcontacten kijken verbaasd toe. De dingen in de kamer zouden levenloze dingen zijn, zonder jou.

De dingen, ze zingen. En ik, opa, ik zal naar ze luisteren.