Iemand die een nerts nadoet
🖋 Marij de Wit


In Pels, de eerste roman van journalist Jeroen Siebelink, wordt de jeugdige protagonist verscheurd tussen dierenactivisme en een vadercomplex. Hoewel het proza van Siebelink er vaak te dik bovenop ligt, sluimeren er in dit verhaal interessante reflecties op de verhouding tussen mens en dier, meent Marij de Wit.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Is het makkelijker om van een dier te houden dan van je vader? Voor de hoofdpersoon in Pels is dat antwoord niet eenvoudig gegeven. Dat is ook niet zo gek, want in zijn geval lijkt het een absolute keuze tussen dierenliefde of vaderliefde; de vader van de jonge Theun is de eigenaar van een nertsenfokkerij en doodt eigenhandig duizenden nertsen. Het huis waar Theun opgroeide ligt op hetzelfde erf als de fokkerij. Nadat hij als jonge jongen zijn vader in de fokkerij hielp, groeit zijn weerzin tegen het houden van nertsen steeds meer. Als student sluit hij zich samen met zijn buurjongen Appie, eveneens zoon van een nertsenfokker, aan bij het dierenbevrijdingsfront. Samen radicaliseren ze snel, starten een eigen cel en bevrijden tienduizenden nertsen.

Jeroen Siebelink, Pels (Xander Uitgevers 2019), 432 blz.

Maar draait het voor Appie en Theun echt om het leed van de dieren? Of handelen zij vooral uit wraak tegen hun vaders? Dat is de kwestie die Siebelink de lezer wil voorschotelen, de diepere laag die hij duidelijk in deze roman heeft willen leggen. Een erg spannend dilemma is dit niet voor de lezer. Natuurlijk weten Appie en Theun zich nooit helemaal uit het discours van hun vaders los te maken, natuurlijk blijft hun verzet tegen het gekooide lot van de dieren ook een verzet tegen hun vaders en hun fokkerijen. Voor Theun zal het bevrijden van nertsen nooit een ondubbelzinnige daad kunnen zijn, maar dat betekent nog niet dat zijn liefde voor de dieren niet legitiem is. In het leven is het niet óf óf; verlangens, motivaties – ze lopen vaker ongeregeld door elkaar heen. En precies die ambiguïteit mist in deze roman. Siebelink is vaak te duidelijk, het verhaal is net wat te geconstrueerd, de opzet in drie delen is te uitgedacht en de gevoelens en observaties van Theun worden veel te veel uitgespeld, mede door het wat ongelukkige gebruik van het ik-perspectief. Zo dient Theun de lezer zijn binnenwereld in hapklare brokjes op, hij vertelt haast feitelijk wat hij ziet en voelt. Daardoor leef je als lezer niet mee met Theuns ervaringen – je leest erover. Het schuurt niet, het leeft niet, het raakt niet. Ook schuwt Siebelink geen ietwat opzichtige symboliek om de coming of age-strubbelingen van Theun extra kracht bij te zetten: Theun die als jonge jongen letterlijk ‘vieze handen’ maakt, waarbij het bloed en de uitwerpselen van de arme nertsen over zijn handen lopen, en onder zijn nagels flintertjes vlees achterblijven van de pelzen die hij van de dode nertsen aftrekt. De boodschap is duidelijk: door zijn vader te helpen in het bedrijf is Theun mede verantwoordelijk voor de misstanden op de fokkerij, en zijn dierenactivisme een poging zijn eigen handen schoon te wassen.

Hoewel Siebelink het niet vaak doet, is hij het sterkst als hij het klein houdt, de grijstinten onderzoekt. Dan raakt hij even aan de rommeligheid van het echte leven. Theun wil de liefde van zijn vader, hij wil hem helpen, maar hij verafschuwt hem ook. Zo gaat hij bijna over zijn nek als hij zijn vader en moeder de lijkjes van honderden dode nertsen ziet afpelsen – en toch helpt hij vervolgens mee.

Het afgestroopte lijkje, weer even paarsblauw als bij de geboorte van nog maar zeven maanden geleden, belandde in een grote, blauwe kunststof ton. Het lag boven op honderden andere ontvelde lijkjes. Bundels langgerekte spieren en pezen. Blootliggende gebitjes, slagtanden goed zichtbaar. Wanneer een ton vol was, draaide ik er een zwarte deksel op, terwijl zij verder gingen met opspannen en snijden.

Ook biedt Pels hier en daar interessante aanknopingspunten voor het denken over de verhouding tussen mens en dier. Zo hebben Theun en zijn gezin één nertsje uit de fokkerij uitverkoren om bij hen in huis te wonen, als hun huisdier. Als enige van alle duizenden dieren in de fokkerij gaven ze hem een naam: Nerdy. Nerdy is helemaal opgenomen in het gezinsleven, kan trucjes, slaapt bij de gezinsleden in bed en wordt door hen allen vertroeteld. Theun houdt heel veel van Nerdy. Hoe kan hij dan tegelijkertijd helpen bij de nare klussen in de fokkerij?

Het dier blafte en jammerde en spoot een dunne straal poep in mijn gezicht, en de poep liep over mijn mond en mijn mouwen en vermengde zich met het bloed op mijn hand, en ik zou Nerdy nooit zo hard kunnen aanpakken maar ik zag even geen enkele overeenkomst meer tussen mijn huisdier en dit dier, terwijl ik wist dat dit dier hetzelfde in elkaar zat (…).

Het is het bizarre mechanisme van mensen om zich af te sluiten voor de dieren die ze gebruiken. Waar de familie van Theun Nerdy als individu erkent, zien zij de foknertsen als anonieme objecten zonder innerlijke levens. Door hun ogen te sluiten voor de karakters van de niet-uitverkoren beestjes kunnen ze hen doden en gebruiken voor hun vacht, terwijl ze door deze ene nerts een naam te geven hun band met hem bezegelen, hem vermenselijken. Op een theevisite zegt de buurvrouw van de familie over de gedomesticeerde Nerdy: ‘Ik zit nu al een tijdje naar dat beestje van jullie te kijken, (…) maar ik vind het eigenlijk geen nerts meer.’ ‘Hij lijkt (…) op iemand die een nerts nadoet.’ De dierlijkheid is kennelijk zozeer uit dit beestje verstoten door het door de mens aangeleerde gedrag, dat hij niet meer geldt als echt dier. Maar wat is een dier, en wat is een mens? Zijn mensen niet ook gedomesticeerde dieren? Hierop laat Siebelink Theun kort reflecteren als een klasgenoot van hem op bezoek is op de fokkerij. ‘Hij dacht dat hij, in tegenstelling tot een nerts, over zijn daden kon nadenken. Hij dacht vrij te zijn om zijn instincten te negeren of eraan toe te geven, in tegenstelling tot de nerts (…) een dier dat geen dier dacht te zijn (…).’ De mens als dier dat denkt geen dier te zijn.

Hoewel de dieren in Pels altijd ondergeschikt blijven aan de verhaallijn van de vader en de zoon, en eigenlijk alleen maar opgevoerd worden als spil in deze relatie, zijn het de passages over hoe je je als mens moet verhouden tot deze dieren waarin Siebelink de lezer weet te prikkelen. Met korte zinnetjes, en passant opgebracht, stipt hij het grotere debat over de mens-dierrelatie aan. Bestaat er eigenlijk wel een tegenstelling tussen een ‘vrij en echt’ leven en een ‘gekooid en onnatuurlijk’ leven? Mag je als mens wel keuzes maken voor dieren, zelfs als je het beste met hen voor hebt? En of wij nou dier zijn of mens, zijn wij ooit echt vrij? Theun in elk geval niet. Helemaal vrij van zijn vader of van zichzelf zal hij nooit worden, hoeveel nertsen hij ook bevrijdt.