๐Ÿ“Œ Niet spreken over dieren, maar mรฉt
๐Ÿ–‹ Adelheid van Luipen

When Animals Speak, Eva Meijer


Wat als de ganzen van Schiphol niet gewoon maar wat onhandig gakken? Wat als ze wel degelijk met ons communiceren en ons bovendien een politieke boodschap te verstaan geven? Rechtsfilosoof Adelheid van Luipen onderzoekt de โ€˜interspecifieke democratieโ€™ die Eva Meijer beschrijft in When Animals Speak.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Eva Meijer, <i>When Animals Speak: Toward an Interspecies Democracy</i> (New York University Press 2019), 304 blz.
Eva Meijer, When Animals Speak: Toward an Interspecies Democracy (New York University Press 2019), 304 blz.

Essay uit dNBg 2020#2

Een kaalgevreten plantsoen in Amsterdam-West leidde afgelopen november tot het plan een groep wilde konijnen te verplaatsen. Het โ€˜enkeltje Westerparkโ€™, zoals Het Parool kopte, ging niet zonder slag of stoot. De Partij voor de Dieren klopte aan bij het gemeentebestuur met zorgen over de vele konijnen die deze uitzetting niet zouden overleven door stress. Andere dieren, zoals vogels, zouden bovendien ook hebben bijgedragen aan het kaalgevreten plantsoen.

Voor de konijnen in kwestie biedt het nieuwste boek van Eva Meijer hoop. Met When Animals Speak: Toward an Interspecies Democracy prikkelt ze ons om na te denken over nieuwe relaties tot andere dieren. De kern van het overtuigende boek is dat we meer en beter moeten luisteren naar de dieren zelf, zoals naar de konijnen in het plantsoen of de grote groep ganzen die in conflict zijn geraakt met Schiphol โ€“ een van de casestudies die ze behandelt. Hierover schreef Meijer al in De soldaat was een dolfijn, een filosofisch essay over hoe ook dieren politiek handelen, waarin ze inging op de vraag hoe wij op andere manieren met dieren zouden kunnen samenleven. When Animals Speak kun je zien als een breed opgezette en academisch verantwoorde uitwerking van de ideeรซn waar Meijer al bijna tien jaar over denkt en publiceert.

Voor de konijnen in het Westerpark biedt het nieuwste boek van Eva Meijer hoop.
Ze haakt daarmee in op de recente politieke wending in de dierethiek. Meijer bouwt onder meer verder op een van de baanbrekende boeken in deze wending, Zoopolis (2011) van politiek filosofen Sue Donaldson en Will Kymlicka, waarin zij dieren beschrijven als politieke actoren met wie wij niet alleen samenleven, maar ook politieke relaties aan kunnen gaan in een โ€˜interspecies democracyโ€™. Daarbij is het belangrijk dat wij met de niet-menselijke dieren, die dus ook politiek handelen, in gesprek gaan.

Meijer ontwerpt in haar boek een theorie van โ€˜political animal voicesโ€™ waarbij ze laat zien hoe wij zoโ€™n gesprek samen met dieren kunnen vormgeven. Daarvoor is het nodig om veel bestaande begrippen te bevragen, zoals het concept van taal, dat nu veelal als een menselijke aangelegenheid wordt gezien. Ze gaat daarvoor onder andere te rade bij de fenomenologie en bij poststructuralisten als Jacques Derrida. Toch vormen reeds bestaande praktijken en relaties, zoals de ganzen op Schiphol, het uitgangspunt vanwaaruit zij haar theorie vormt.

Taal, gemeenschap en politiek

Meijer verwijst veel naar recent onderzoek naar dierentalen- en communicatie en benadrukt het belang van die inzichten. Allereerst omdat taal belangrijk is om relaties op te kunnen bouwen, doordat het ons helpt de niet-menselijke ander te begrijpen. Voor wie niet bekend is met onderzoek naar diercommunicatie en geen van Meijers eerdere boeken gelezen heeft, kan haar verhandeling een hele openbaring zijn. Een bonte verzameling van dieren passeert de revue, allen met hun eigen rijke communicatie- en leefwijzen: wormen die in staat zijn bomen te verplaatsen, de papegaai Alex die de enige existentiรซle vraag ooit door een dier stelde (welke kleur ben ik?), straathonden die in Moskou de tram nemen naar de markt of de Caribische rifinktvissen die de kleurpatronen op hun huid aanpassen om te communiceren.

Nieuwe inzichten in dierentalen zijn niet alleen van belang om beter te kunnen luisteren naar hoe dieren zelf hun eigen leven willen leiden. Wie niet kan spreken, wordt namelijk veelal niet gezien als politieke actor en ook uitgesloten van de politieke gemeenschap.
Nieuwe inzichten in dierentalen zijn niet alleen van belang om beter te kunnen luisteren naar hoe dieren zelf hun eigen leven willen leiden. Wie niet kan spreken, wordt namelijk veelal niet gezien als politieke actor en ook uitgesloten van de politieke gemeenschap. Meijer wil daarom begrippen en concepten, waaronder ons begrip van taal, ontdoen van antropocentrisme. Er moet meer bewustzijn komen over de machtsstructuren tussen mensen en andere dieren die worden weerspiegeld en gevormd door begrippen als taal of politieke participatie en de vraag wie bepaalt wat we verstaan onder een bepaald begrip. Daarbij hoeven we gelukkig niet vanuit het niets te beginnen: Meijer houdt wel vast aan bepaalde concepten als soevereiniteit en bepaalde rechten, die nodig zijn om nieuwe samenlevingsvormen mogelijk te maken en uit te kunnen proberen. Deze dienen bovendien als vertrekpunt: โ€˜Change will need to start with humans, and existing concepts and institutions can help us to think and act, provided that we also address the anthropocentrism inherent in them.โ€™

Dieren toelaten tot de politieke gemeenschap of erkennen dat ook zij politiek communiceren is niet genoeg, zo stelt Meijer. Mensen mogen bovendien niet de enigen zijn die dat bepalen, veranderen en onderzoeken. Dat moet samen met niet-menselijke dieren die we niet langer als objecten benaderen, maar als subjecten met eigen wensen en ideeรซn. Meijer beweert dat ook de dierethiek moet waken voor antropocentrisme. Te vaak wordt er gesproken over dieren in plaats van met ze in gesprek te gaan. Het is daarom belangrijk, en zoals Meijer aan de hand van concrete voorbeelden laat zien ook mogelijk, om begrippen te onderzoeken en nieuwe relaties aan te gaan samen met andere dieren. Zo beschrijft ze hoe ze langzaam met Olli, de straathond die ze in huis nam, een gemeenschappelijke taal ontwikkelde en verwijst ze naar violiste en vogelonderzoekster Len Howard (tevens de hoofdpersoon van Meijers roman Het vogelhuis) die haar huis openstelde en deelde met niet-gedomesticeerde vogels.

Rebellerende ganzen en de grenzen van empathie

Hoe kunnen we in een concrete situatie met dieren in gesprek? In de casus van de ganzen bij Schiphol moet er allereerst rekening gehouden worden met de agency van ganzen zelf, ook door gansgezinde groepen. Ganzen communiceren op verschillende manieren. Zo hebben ze diverse roepen, bijvoorbeeld van hulp en van rouw, en maken ze gebaren met hun vleugels, kop en nek. Meijer stelt dat ganzen tevens op allerlei manieren reageren op de maatregelen die Schiphol neemt (zoals robotvogels) โ€“ manieren die soms ook politiek zijn. Evenals acties van krakers of bijvoorbeeld de Occupy-beweging stellen ganzen machtsrelaties aan de kaak door een gebied bijvoorbeeld niet te willen verlaten, ook al is dat wellicht niet in de eerste plaats hun bedoeling. In het conflict met Schiphol zou het land kunnen functioneren als een gedeeld object waarop een discussie tussen ganzen en mensen kan plaatsvinden. Meijer verwijst naar het werk van de Stichting Hofganzen, die onder meer het gebied waar ongewenste ganzen wonen minder aantrekkelijk maakt en ander land juist weer gansvriendelijk. Dit ziet zij als een stap in de goede richting. Uiteindelijk is het echter wel de gans die moet verhuizen. Mensen bepalen welk land aan wie toebehoort en hun belangen zijn hier leidend. Maar moet de gans, voor wie het land een thuis is geworden, wel altijd wijken voor de belangen van de mens?

When Animals Speak bevat tal van voorbeelden van hoe wij nieuwe interspecifieke relaties vorm kunnen geven, en hoe we daar vandaag al mee kunnen beginnen.

Meijer haalt ook empathie aan als middel om andere dieren te begrijpen. Daarmee raakt ze aan een lastig punt. Ligt antropocentrisme hier niet ook op de loer? Empathie kan het menselijke ik helpen zich te verplaatsen in de pootjes, vinnen of veren van andere dieren. Daarmee kunnen we gevoelig worden voor de ervaring en behoeftes van die dieren waar wij empathisch mee zijn. Maar empathie vertrekt per definitie vanuit een ik, in dit geval het menselijke ik. Zouden wij mensen ons niet juist moeten laten doordringen van onze verbondenheid met andere dieren door naar hen te luisteren, zonder ons in hen te moeten kunnen verplaatsen? Ons te laten doordringen van het idee dat wij slechts een beperkt beeld van dieren hanteren dat gezien alle wetenschappelijke bevindingen over dierentaal onhoudbaar is?

Van antropocentrisch naar interspecifiek

When Animals Speak bevat tal van voorbeelden van hoe wij nieuwe interspecifieke relaties vorm kunnen geven, waar dit zou kunnen plaatsvinden en hoe we daar vandaag al mee kunnen beginnen. Aangezien wij mensen de touwtjes in handen hebben, moeten wij de eerste stap zetten. We zouden dieren kunnen raadplegen bij het maken van stedenbouwkundige plannen en hen meer eigen ruimte kunnen geven. Dit leidt natuurlijk ook tot allemaal nieuwe vragen. Betekent dit simpelweg een toename van stemmen die we meewegen bij botsende belangen, en wegen ze even zwaar? Geldt dit ook voor de levens van planten waar steeds meer over wordt geschreven en ontdekt? Lopen interpretaties van dierencommunicatie niet uiteen? Meijer benadrukt dat de uitkomst ongetwijfeld een onzekere is, dat er meer conflicten kunnen ontstaan door meer meedingende belangen, en dat er bovendien nog ontzettend veel is dat we niet weten over andere dieren. When Animals Speak zet aan om verder na te denken en nieuwe samenlevingsvormen met elkaar (lees: niet slechts menselijke dieren) uit te proberen.

In meer concrete zin leren wij van Meijer dat wij zelf nu al naar de dieren in de buurt en in onze huizen kunnen luisteren. Meijers casestudie van haar relatie met Olli heeft mij ook aan het denken gezet; in hoeverre is er in ons huis inspraak voor de hond? Bij de eerstvolgende wandeling heb ik meer naar de hond geluisterd. Mijn plan om een halfuurtje met haar te wandelen, liep uit op een drie uur lange tocht, omdat ik haar niet aanstuurde om eerder naar huis te gaan. Van een van de weinige perkjes in de buurt is ook niet veel meer over. Meijers boek laat ons denken over onze dagelijkse leefomgeving, over onze relaties tot de andere dieren met wie wij onze huizen delen, over lokale conflicten met dieren en over nieuwe wijzen waarop wij onze steden zouden kunnen inrichten. Maar eveneens over het vele geweld dat mensen dieren aandoen en het armzalige en troosteloze leven dat veel dieren hebben. Over grote veranderingen, over het herzien van machtsrelaties, begrippen, wijzen van besluitvorming en bovenal over onze eigen aard, over het menselijke dier dat al die tijd dacht als enige te kunnen spreken.