🆕 Liberalen, fascisten en stropdasmannetjes: over Theorie van de kraal van Willem Schinkel en Rogier van Reekum
🖋 Niels Springveld

Willem Schinkel & Rogier van Reekum, Theorie van de kraal: Kapitaal | Ras | Fascisme, Boom 2019, 224 blz.


Een ‘politiek van de radicale liefde’ als tegenwicht aan de ‘liberaal-fascistische orde’, niets minder bepleiten Willem Schinkel en Rogier van Reekum in Theorie van de kraal. Niels Springveld weegt de beloofde (links van) linkse munitie.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Willem Schinkel & Rogier van Reekum, Theorie van de kraal: Kapitaal | Ras | Fascisme, Boom 2019, 224 blz.
Willem Schinkel & Rogier van Reekum, Theorie van de kraal: Kapitaal | Ras | Fascisme, Boom 2019, 224 blz.
Willem Schinkel, Aspects of Violence: A Critical Theory, Palgrave Macmillan 2010, 254 blz.
Willem Schinkel, Aspects of Violence: A Critical Theory, Palgrave Macmillan 2010, 254 blz.

Begin 2018 hekelde financieel geograaf en permanent opgewonden standje Ewald Engelen in De Groene Amsterdammer de ‘ideologische uitverkoop van links’ en ‘terreur van de identiteitspolitiek’. Volgens Engelen is de teloorgang van links te wijten aan een obsessie met seksisme, racisme en cultuur, waardoor sociaaleconomische thema’s uit het zicht zijn verdwenen en de traditionele arbeidersklasse haar heil is gaan zoeken bij rechtse demagogen. ‘Er zijn belangrijkere zaken dan het genderneutrale rompertje van de Hema,’ sneerde hij: wat links volgens hem nodig heeft is klassenstrijd, getuige ook de titel van zijn boek Het is klasse, suffie, [sic] niet identiteit! In een reactie op Engelen stelden sociologen Willem Schinkel (1976) en Rogier van Reekum (1980) dat kapitalismekritiek niet los valt te zien van de strijd tegen racisme en seksisme.

Die polemiek met Engelen vormde de opmaat naar Theorie van de kraal: Kapitaal | Ras | Fascisme (2019), waarin de twee pleiten voor een ‘politiek van de radicale liefde’ als tegenwicht aan wat ze de ‘liberaal-fascistische orde’ noemen. Enkele maanden later verscheen daarbovenop Schinkels Politieke stenogrammen, een serie sociaalfilosofische notities over de actualiteit van de afgelopen twee jaar die parallel loopt aan de thema’s in Theorie van de kraal. Slagen hij en Van Reekum erin om de door Engelen veronderstelde kloof tussen ‘identiteitspolitiek’ en sociaaleconomische kwesties te overbruggen? En hoe ziet een politiek van de radicale liefde er uit? Om die vragen te kunnen beantwoorden moeten we eerst Schinkels eerdere werk induiken: zo kan de hermetische taal van Theorie van de kraal – die net zo gesloten is als de omheinde ruimte voor vee waar de titel van het boek naar verwijst – opengebroken worden.

Links van links

Het overkoepelende thema van Schinkels oeuvre is geweld. In zijn proefschrift Aspects of Violence (2005, in 2010 verschenen in handelseditie) bekritiseert hij filosofen en sociologen die de term geweld niet definiëren of er juist een te beperkt begrip van op nahouden. Sommige theoretici vatten geweld bijvoorbeeld op als een monopolie van de staat of als handeling van individuen. Daarmee negeren ze vormen van geweld die aan een politiek-economische orde en het sociale leven ten grondslag liggen en niet zijn te herleiden tot de intenties van een individu, groep of staat.


Lees ook ‘Aan liberalisme gaat fascisme vooraf’ van David Hollanders. Het ‘nooit meer!’ van na de Tweede Wereldoorlog klinkt steeds holler. Europa valt uit elkaar en extreemrechts wint aan politieke macht. Maar wat ligt er eigenlijk ten grondslag aan het fascisme? Hollanders bespreekt 1931: Debt, Crisis and the Rise of Hitler.


Onder geweld verstaat Schinkel (met een verwijzing naar Martin Heidegger) een ‘reductie van het zijn’. Geweld is volgens hem een proces waarin een mens tot ding wordt gemaakt en zijn potentie wordt beknot. In plaats van een allesoverkoepelende theorie te ontwikkelen, pleit hij voor een ‘gefractureerd realisme’ om sociale fenomenen zoals geweld te begrijpen. Hij onderscheidt een ‘trias violentiae’, drie aspecten die met elkaar zijn vervlochten: (1) privaat geweld – gepleegd door individuen of groepen – dat niet is gebaseerd op de autoriteit van de staat; (2) het staatsgeweld van de juridisch-politieke orde, dat zowel repressief als creatief is omdat het tegelijkertijd het recht handhaaft en normen stelt; en (3) structureel geweld dat in een sociale orde is vervat, zoals institutioneel racisme en seksisme. Met name deze laatste vorm speelt een belangrijke rol in Theorie van de kraal.

Willem Schinkel, Denken in een tijd van sociale hypochondrie: aanzet tot een theorie voorbij de maatschappij, Klement 2007, 518 blz.
Willem Schinkel, Denken in een tijd van sociale hypochondrie: aanzet tot een theorie voorbij de maatschappij, Klement 2007, 518 blz.

De manier waarop structureel geweld vorm kan krijgen wordt duidelijk in Schinkels meer dan vijfhonderd pagina’s dikke hoofdwerk Denken in een tijd van sociale hypochondrie (2007). Met een charmant gebrek aan bescheidenheid zet hij daarin zijn diepteboringen van de sociologische en filosofische traditie voort. In het boek positioneert hij zich in navolging van Pierre Bourdieu ‘links van links’ – een houding die hij blijkens zijn meest recente werk niet los heeft gelaten. Links van links is in de ogen van Schinkel de enige ‘ruimte waar nog over werkelijke alternatieven gedacht kan worden’. Het ‘werkelijk bestaand links’ – we kunnen ons daar bijvoorbeeld de derde weg van de sociaaldemocratie bij voorstellen – heeft de hoop op een radicale sociaaleconomische transformatie opgegeven en staat slechts een kapitalisme met een menselijk(er) gezicht voor, hoewel zelfs dat niet voor iedereen weggelegd blijkt. De ‘sociale hypochondrie’ uit de titel slaat namelijk op de overdreven bezorgdheid in Nederland om het welzijn van de ‘samenleving’, die zich in het bijzonder uit in een preoccupatie met ‘integratie’. Die twee begrippen – door Schinkel steevast tussen vierkante haken of aanhalingstekens geplaatst – zijn gewelddadiger en minder vanzelfsprekend dan ze lijken. De ‘samenleving’ wordt in de sociale theorie, het integratiediscours en dagelijks taalgebruik voorgesteld als een moreel zuiver domein, een knus clubje waarin degenen moeten ‘integreren’ of ‘terugkeren’ die niet voldoen aan de normen en waarden die daarbinnen dominant zijn. ‘Integratie’ veronderstelt dat ‘niet-geïntegreerden’ buiten de ‘samenleving’ staan, terwijl je moeilijk vol kunt houden dat bijvoorbeeld migranten, gedetineerden, geesteszieken en werklozen zich elders bevinden dan in de Nederlandse ‘samenleving’.

Eenheid en orde

Aan de basis van het ‘integratie’- en ‘samenleving’-als-ongeproblematiseerd-knus-clubje-discours ligt de metafoor van het organicisme, de vergelijking tussen een staat of volk en het menselijk lichaam. Deze figuur is duizenden jaren oud en speelt een belangrijke rol in onder andere de dialogen van Plato, apostel Paulus’ conceptie van de kerk als het ‘mystieke lichaam’, Thomas Hobbes’ Leviathan, de evolutionaire biologie en de eugenetica. In welke context de metafoor ook voorkomt, steevast dient ze om de eenheid en orde van de ‘samenleving’ te waarborgen. In De gedroomde samenleving (2008) onderscheidt Schinkel drie kenmerken van het organicisme: (1) het is een afgebakend geheel dat (2) bestaat uit hiërarchisch geordende delen, waarbij (3) het primaat ligt bij het geheel, dat een relatieve autonomie heeft ten opzichte van de delen. Het sociale lichaam wordt zo begrepen als een organisme waarbinnen de gezondheid van het geheel, het behoud van orde en de afweer of neutralisering van vreemde elementen van het grootste belang zijn.

De heersende gedachte was dat ‘behoud van eigen cultuur’ het middel was om migranten te helpen zo snel mogelijk onderwijs- en inkomensachterstanden te overbruggen.
Expliciet organicistische beweringen zijn tegenwoordig zeldzaam. Een noemenswaardige uitzondering is Thierry Baudets lugubere polderapocalyptische toespraak tijdens het eerste partijcongres van Forum voor Democratie in januari 2017. Hierin beweerde hij dat het Westen aan een ‘auto-immuunziekte’ lijdt en ‘kwaadwillende, agressieve elementen’ massaal ‘ons maatschappelijk lichaam’ worden binnengeloodst – wie die kwaadwillende elementen zijn en door wie ze precies worden binnengeloodst zei hij er niet bij. Baudets uitspraak en politieke ideeën in het algemeen zijn een goed voorbeeld van wat Schinkel ‘culturisme’ noemt, het minder expliciete maar even giftige neefje van racisme dat in plaats van ras vermeende culturele incompatibiliteit als reden tot uitsluiting ziet.

Baudets paranoïde hybride van culturisme en organicisme is volgens Schinkel geen extreme positie, maar de meest consequente, onverbloemde articulatie van het integratiediscours dat vrijwel het hele politieke spectrum impliciet onderschrijft. Dat discours begon vorm te krijgen aan het eind van de jaren tachtig. Daarvoor was de term ‘minderhedenbeleid’ nog in zwang en richtte de overheid zich op groepsgewijze emancipatie. De heersende gedachte was dat ‘behoud van eigen cultuur’ het middel was om migranten te helpen zo snel mogelijk onderwijs- en inkomensachterstanden te overbruggen. Nadat ze hun sociaaleconomische positie hadden verbeterd, zouden ze hun (essentialistisch gedefinieerde) ‘eigen cultuur’ achter zich laten en volledig ‘aangepast’ zijn aan de (eveneens essentialistisch gedefinieerde) Nederlandse cultuur. Eind jaren tachtig verdween de aandacht voor achterstanden en groepsemancipatie en deed het begrip ‘integratie’ zijn intrede, opgevat als taak van het individu. Dat individu wordt in het integratiediscours tegelijkertijd gedeïndividualiseerd, omdat hij als deel wordt gezien van een cultuur die zogenaamd onverenigbaar is met de ‘samenleving’.

Met de nadruk op delen en gehelen en verbeelding van de ‘samenleving’ als afgebakend geheel is het integratiediscours in feite een verkapte voortzetting van het organicisme. Zoals Schinkel in een reeks diepgravende analyses laat zien is het spreken over ‘integratie’ volgeplamuurd met ‘rest-organicistische’ termen die een scheiding en hiërarchie creëren tussen reeds geïntegreerden (echte Nederlanders!) en nog te integreren eenlingen die tegelijkertijd vertegenwoordigers van een essentialistisch gedefinieerde cultuur zijn. In de geest van zijn gefractureerd realisme pleit hij in Denken in een tijd van sociale hypochondrie voor een ‘epistemologie van het gaten slaan’ om de gewelddadige retorische impasses van het integratiediscours te doorbreken. Die strategie blijkt kenmerkend voor wat Schinkel beschouwt als links van links.

Neologismen

Een onderscheidend kenmerk van Schinkels essays en boeken die sindsdien zijn verschenen is een karrenvracht aan zelfbedachte begrippen, waaronder ‘terrorismeterreur’, ‘Realpopulisme’ en ‘autovampirisme’, die volgens hem meer recht doen aan de politieke actualiteit dan het bestaande vocabulaire.

Een onderscheidend kenmerk van Schinkels essays en boeken is een karrenvracht aan zelfbedachte begrippen.
Een van de inventiefste termen uit Schinkels neologismengrabbelton is ‘multiculturealisme’: het (waan)idee dat we vroeger allemaal ‘multiculturalistisch’ waren, de multiculturele samenleving door te veel progressieve ruimhartigheid is mislukt, en we daarom nu ‘realistisch’ en ‘keihard’ op moeten treden om de eigen cultuur te beschermen. Die denkwijze verhult dat ‘links’ nooit aan de macht is geweest, de term multiculturalisme pas in omloop kwam na de periode waarin het zogenaamd dominant was en de overheid daarnaast nooit multicultureel, maar assimilationistisch beleid heeft gevoerd. Het multiculturealisme is met andere woorden een revisionistische retorische strategie, die zowel een breuk postuleert als veronderstelt.

Met zijn neologismen hoopt Schinkel de gewelddadige aannames die de abstractie ‘samenleving’ in stand houden te ondermijnen. Een andere strategie is de deconstructie van oude begrippen die ofwel verdacht zijn of op het eerste gezicht hopeloos gedateerd. Neem bijvoorbeeld zijn herwaardering van het begrip ‘volk’, dat eind achttiende eeuw voor het eerst door revolutionairen werd gebruikt en tegenwoordig met name in onfrisse rechtse kringen populair is. In veel Europese talen verwijst ‘volk’ zowel naar het volk als geheel – ‘we, the people’ – als naar het gemarginaliseerde deel ervan – ‘le peuple’, ‘het gepeupel’, enzovoort. De waarde van het begrip ligt in deze dubbelzinnigheid: het duidt op een antagonisme tussen elite en marge dat eigen is aan de democratie.

Over nut en nadeel van de sociologie voor het leven is Schinkels enige boek dat naast wat gratuite oproepen tot utopisme en solidariteit een uitgewerkt plan bevat.
Schinkels zwaar theoretische werk en woordvondsten zijn hem op verwijten van pedanterie en obscurantisme komen te staan van onder anderen Paul Schnabel, Hans Achterhuis, Arjen van Veelen en Dick Pels, die Denken in een tijd van sociale hypochondrie ‘ernstig ontspoord denken’ noemde. Zelf stelde Schinkel eens in NRC dat zijn eigenzinnige taalgebruik en conceptmuntingsdrift noodzakelijk is: ‘Je moet half onbegrijpelijk schrijven als je iets fundamenteel wilt openbreken. De wereld verandert te snel om haar te blijven beschrijven in steeds dezelfde woorden.’ Een andere kritiek is dat Schinkel geen alternatieven biedt. Ook dit verwijt wijst hij van de hand: zoals hij opmerkt wordt van critici vaak verwacht dat ze zowel problemen signaleren als onmiddellijk oplossingen aandragen. In Over nut en nadeel van de sociologie voor het leven (2014) schrijft hij dat intellectuelen slechts de taak hebben om ‘opties aan te bieden voor toekomstige oriëntatie. Opties die speculatief zijn, maar die de belofte bevatten dat de abstracties waarin de complexiteit van de wereld gevangen wordt, in de toekomst minder gewelddadig kunnen zijn.’ Twee jaar eerder in De nieuwe democratie pleitte hij nog voor ‘het openhouden van een utopische horizon zonder ooit de gevaarlijke claim te doen de utopie te kunnen verwezenlijken’. Het is Schinkels enige boek dat naast wat gratuite oproepen tot utopisme en solidariteit een uitgewerkt plan bevat: de vorming van een nieuwe Raad van State, een ‘kritisch boemerangpubliek’ met agenderende macht dat bestaat uit wetenschappers, geestelijken, kunstenaars en milieuactivisten.

Niet weten hoe te leven

Schinkel en Van Reekums repliek op Engelen eindigde met een cliffhanger: wil links het kapitalisme bestrijden, dan moet het volgens hen luisteren naar ‘queer activisten, antiracisten en feministen’, en niet ‘verkiezingen (willen) winnen’ of meehelpen ‘de nieuwste ronde van “hervormingen” af te dwingen’. Een ‘algeheel antagonisme’, een ‘werkelijk linkse partij’, verenigt de kapitalismekritiek van de Partij voor de Dieren met het intersectionalisme van Bij1.

Schinkel en Van Reekum trappen af met de vaststelling dat ‘wij’ een ‘smerig woordje’ is – een motief dat we herkennen uit Schinkels kritiek op het organicistische denken.
Theorie van de kraal is onmiskenbaar een tekst van Schinkel, zij het dat de stijl nog veel ongeremder is dan zijn eerdere werk: NRC-journalist Sjoerd de Jong vergeleek het boek met het sombere Dialectiek van de Verlichting van Theodor Adorno en Max Horkheimer – maar dan op speed. Ook zijn de theoretische accenten verschoven. Schinkel leunde in zijn vroege teksten zwaar op de systeemtheorie van socioloog Niklas Luhmann, die nu slechts in één voetnootje opduikt. De flirts met pragmatische politieke filosofie zijn verdwenen, het pleidooi voor utopisch denken is ingeruild voor een politiek van ‘levensvormen’, en de term ‘populisme’ vervangen door ‘fascisme’ en ‘liberaal-fascisme’. Een constante is de militante retoriek (die hij schijnbaar niet problematisch vindt); in Politieke stenogrammen schrijft Schinkel ‘munitie’ aan te willen leveren ‘voor ondermijning van de liberaal-fascistische orde en vóór het genereren van andere vormen van leven’.

Dat klinkt naast ambitieus behoorlijk vaag, dus laten we proberen de centrale begrippen en doelstelling van Theorie van de kraal te verduidelijken. Schinkel en Van Reekum trappen af met de vaststelling dat ‘wij’ een ‘smerig woordje’ is – een motief dat we herkennen uit Schinkels kritiek op het organicistische denken. Het probleem met het woord is de veronderstelling dat het eerste persoon meervoud al weet hoe te leven. Of het nu liberalen, sociaaldemocraten, christenen of fascisten zijn die het gebruiken, dat maakt niet uit. Allen baseren ze zich op een bepaalde manier van leven, een bepaalde ordening: ‘onze manier van leven’ die alleen kan voortbestaan door de waardigheid van andere (in het merendeel van de gevallen niet-witte) levens te reduceren of te ontkennen.

In de kraal ontstaan beknottende onderscheiden als ‘man’, ‘vrouw’, ‘wit’, ‘zwart’, ‘homo’ en ‘hetero’ en is concurrentie de norm.
Volgens Schinkel en Van Reekum is ‘de moderne orde’ een ‘historische ramp die zich op aarde voltrekt’, een ‘planetaire plundercampagne’. Die orde is de kraal uit de titel van hun boek, een ‘ruimte waarbinnen populaties gedresseerd worden voor de circulatie van arbeid en kapitaal’. In de kraal ontstaan beknottende onderscheiden als ‘man’, ‘vrouw’, ‘wit’, ‘zwart’, ‘homo’ en ‘hetero’ en is concurrentie de norm. Links zou zich volgens Schinkel en Van Reekum daarentegen moeten baseren op het concept ‘levensvorm’: een vorm van samenzijn die niet gebaseerd is op een vooraf gegeven essentie of orde. De kraal parasiteert op wat zij ‘woekeringen’ noemen: allianties van mensen en niet-mensen die ‘altijd al’ aan alle ordeningspogingen ontsnappen.

Het is dit altijd-al-woekerende dat aan de basis ligt van Schinkel en Van Reekums politieke filosofie. Zij omschrijven hun project als een verlangen naar een ‘wilde woekering van levensvormen’ die alle ordening van verschil weerstaat en alle ‘reëel bestaande identiteitspolitiek’ (die van de witte burger) afwijst. De nadruk op verschil en de afwijzing van orde – een thema dat we kennen uit het Franse differentiedenken – moeten we begrijpen als een acceptatie van onvolledigheid en ‘radicale desubjectivering’, met als doel ‘het algehele einde van de bestaande liberaal-fascistische orde’.

Randmensen en stropdasmannetjes

Ook die projectomschrijving klinkt nog uiterst vaag, maar gelukkig is hun analyse van die ‘liberaal-fascistische orde’ prikkelender. Schinkel en Van Reekum definiëren fascisme in navolging van de marxistische filosoof Walter Benjamin als ‘de politieke mobilisatie van de massa tot “volk” zonder kapitalistische eigendomsverhoudingen te wijzigen’. Eind jaren dertig beschreef Benjamin hoe fascistische bewegingen massamedia inzetten om de partijdictatuur en de persoonlijkheidscultus rond de sterke leider mogelijk te maken. Met dat mediaspektakel sloegen de fascisten twee vliegen in één klap: ze gaven het mythisch verklaarde volk de kans zijn ressentiment af te reageren op minderheidsgroepen en leidden daarmee de aandacht af van verdelingsvraagstukken. Benjamins omschrijving is een van de weinige heldere definities uit een tijd waarin fascisme voornamelijk als scheldwoord fungeerde: zoals zijn tijdgenoot George Orwell opmerkte, betekende het in de volksmond zoiets als ‘something cruel, unscrupulous, arrogant, obscurantist, anti-liberal and anti-working class’.

Ongeveer tachtig jaar en een wereldoorlog later is fascisme zijn prullenbaktermstatus nog steeds niet ontstegen.
Ongeveer tachtig jaar en een wereldoorlog later is fascisme zijn prullenbaktermstatus nog steeds niet ontstegen. Schinkel en Van Reekum constateren dat degene die het begrip vandaag gebruikt om actuele politieke ontwikkelingen mee te beschrijven een ‘woordpolitie’ op zijn dak krijgt. Doel van die woordpolitie is het fascisme te framen als een eenmalig historisch verschijnsel, een term die we bij wijze van spreken pas mogen gebruiken als bruinhemden voor volk en vaderland met knuppels in de hand uit hun holen komen kruipen en de straat opgaan.

Doorgaans wordt het liberalisme voorgesteld als het tegenovergestelde van het fascisme: individualisme, laissez-faire en een terughoudende staat versus collectivisme, een bemoeizuchtige overheid en een partijdictatuur. Het hedendaagse fascisme is volgens Schinkel en Van Reekum echter niet ‘anti-liberal’ (Orwell), maar wordt juist door het liberalisme gefaciliteerd. De twee ideologieën nemen geweld voor lief om een bepaalde manier van leven te beschermen. Beide delen bovendien ‘een afkeer van verschil en een voorkeur voor identiteit’, alle liberale praat over ‘zelfontplooiing’ en ‘keuzevrijheid’ ten spijt. Een andere overeenkomst ligt op het niveau van het subject. Volgens Schinkel en Van Reekum reduceert de kraal ons tot zogenaamde ‘randmensen’:

mensen die denken dat ze binnen individuele randen leven, en binnen collectieve grenzen, van mensen die denken dat ze wit zijn, of zelfs nog blank, van mensen die denken dat ze man zijn, of dat ze vrouw zijn, van mensen die denken dat ze Mensheid zijn, dat iedereen dat is, maar dat sommigen, de anderen, mensheidenen zijn.

De randmensen worden binnen de kraal beperkt in hun mogelijkheden omdat ze gedwongen zijn te concurreren. Maar zij beperken ook zichzelf door vast te houden aan de reductieve identiteitsmarkers van de heersende orde. Het is in deze reductie tot randmens – zowel een volledigheid als een vol-ledigheid, een subject dat hol is van binnen – dat liberalisme het voorportaal vormt voor het fascisme: ‘liberalen dromen van lege subjecten die het zonder substantie uithouden, maar precies de georganiseerde opdeling van socialiteit in discrete subjecten plaatst liberalen met één voet in de fascistische droom van mensen, die bepaalde dingen zijn, die dingen zijn’.

Het zijn voor Schinkel en Van Reekum dan ook niet zozeer de fascisten die de grootste bedreiging vormen – zij zijn immers expliciet over wat ze willen – maar de figuren die zij ‘stropdasmannetjes’ noemen.
Als we die hellendvlakretoriek even negeren en meegaan met Schinkel en Van Reekums stellingen, is de verstrengeling van liberalisme en fascisme in Benjamins zin van het woord inderdaad alomtegenwoordig in de Nederlandse politiek sinds de Fortuyn-revolte. Denk bijvoorbeeld aan het ‘PVV-corvee’ (Arjen Lubach) dat VVD’ers verrichten in verkiezingstijd: het blijmoedige (neo)liberaal-conservatisme overgoten met scheuten witte identiteitspolitiek om de ‘normale burger’ te overreden niet op ‘verkeerde populisten’ te stemmen, terwijl tegelijkertijd de retoriek en beleidspunten van die verkeerde populisten stilzwijgend worden genormaliseerd door de politici met het ‘redelijke alternatief’.

Het zijn voor Schinkel en Van Reekum dan ook niet zozeer de fascisten die de grootste bedreiging vormen – zij zijn immers expliciet over wat ze willen – maar de figuren die zij ‘stropdasmannetjes’ noemen. Stropdasmannetjes zijn niet per se mannetjes, en dragen ook niet per se een stropdas. Zoals Schinkel schrijft in Politieke stenogrammen is het een brede groep die bestaat uit ‘de propagandisten van de bestaande orde, de experts, de bureaucraten, de corporate filantropen, de even gladde critici van de filantropen, de geïnterviewden, de studiogasten, de brengers van de innovatie, de dragers van het officiële, de talking heads, de goeroes’. Het stropdasmannetje is de gematigde ordebewaarder die de politiek van de goede bedoelingen bedrijft, de met rechts meebuigende appeaser.

Losse flodders

Hoe inventief en geestig termen als ‘randmensen’, ‘mensheidenen’ en ‘stropdasmannetjes’ ook zijn, hoe prikkelend ook de stelling dat liberalisme en fascisme elkaar opstuwen in plaats van bevechten, hoe terecht ook de kritiek op witte identiteitspolitiek propagerende critici van identiteitspolitiek, Theorie van de kraal is een teleurstellende woekerplant van een boek en een stap terug in Schinkels oeuvre. Waar zijn eerdere teksten uitblinken door terminologische zorgvuldigheid, staat dit boek vol met quasibijbelse orakelpraat, academisch koeterwaals, sofistische oneliners (‘Kritiek is academische necrofilie’, ‘Moderniteit is collectieve zelfbeperking tot planetaire plundering’) en onuitgewerkte aanzetten tot… ja, wat eigenlijk? Schinkel en Van Reekum laten het na om hun centrale begrippen uit te werken en bezondigen zich aan naargeestige gelijkschakelingen en guilt by association-denken. ‘Orde’ lijkt hetzelfde te betekenen als ‘kapitalisme’, dat weer een synoniem is van ‘liberaal-fascisme’ of ‘extreemrechts’. ‘Extreemrechts’, dat is ‘alles vanaf het CDA’, verduidelijkt Schinkel in Politieke stenogrammen. Onderschrijven we die definitie, dan is het overgrote deel van de Tweede Kamer ofwel een exponent ofwel een sokophouder van het fascisme. In een andere notitie merkt hij op dat iedereen die de neoliberale status quo en het ‘kapitalistisch privilege’ van ‘het witte Westen’ bestendigt ‘participeert in fascisme’. Dat fascisme geen eenmalig verschijnsel was, eens, maar Schinkel en Van Reekum rekken het begrip zo ver op dat het betekenisloos wordt.

Grote filosofen gingen Schinkel en Van Reekum voor in hun poging om liefde als politiek concept te rehabiliteren, maar in Theorie van de kraal blijft het bij een abstract pleidooi.
Hoe zit het dan met die (links van) linkse munitie die de liberaal-fascistische orde aan barrels zou moeten schieten? Op basis van Schinkels eerdere werk verwachtte ik geen blauwdrukken of beleids- en hervormingsvoorstellen, maar rekende ik in ieder geval op enige ‘opties voor toekomstige oriëntatie’; links van links is immers de enige plek waar ‘werkelijke alternatieven’ vorm kunnen krijgen. Ook hier stelt Theorie van de kraal teleur. Hoe die ‘woekeringen’ precies allianties zouden kunnen vormen werken Schinkel en Van Reekum niet uit, en om politieke strategie is het hen ook niet te doen. Na meer dan tweehonderd pagina’s laatdunkende retoriek over vrijwel het gehele politieke spectrum komen ze – boem, paukenslag! – uit bij… apostel Paulus met zijn begrip agape: ‘Ons programma, dat we niet hebben, is onvolledigheid, liefde.’

Onder meer filosofen Alain Badiou, bell hooks, Slavoj Žižek, Michael Hardt en Antonio Negri gingen Schinkel en Van Reekum voor in hun poging om liefde als politiek concept te rehabiliteren, maar in Theorie van de kraal blijft het bij een abstract pleidooi. Daarnaast staat de claim geen programma te hebben haaks op de apodictische, zelffeliciterende toon van het boek. Theorie van de kraal is een variatie op de oude list van Sokrates, die beweerde dat het enige dat hij wist was dat hij niets wist, maar tegelijkertijd zijn gesprekspartners onder de tafel praatte door hen op neerbuigende toon te vertellen hoe het allemaal niet moest, zonder zelf met wenkende perspectieven te komen. Schinkel en Van Reekum trappen in de val van wat Jean-Luc Nancy eens de ‘negatieve theologie van het politieke’ noemde: een politiek gebaseerd op wat je niet wilt. (*) Een politiek van ‘radicale liefde’, ‘levensvormen’, ‘niet weten hoe te leven’, ‘woekeringen’, ‘radicale desubjectivering’, een afkeer van hervormingen en het al te aardse verlangen de politiek te willen veranderen door mee te regeren: het klinkt allemaal hopeloos beperkt, vaag en sektarisch. Hoewel ze de ideeënarmoede van anderen hekelen, is de horizon van Schinkel en Van Reekum zelf evenzeer beperkt. Theorie van de kraal is geen munitie, maar een reeks losse flodders.

‘Als je dit boek leest, gebeurt er iets met je lijf,’ zei Rogier van Reekum in een interview naar aanleiding van Theorie van de kraal. Met mijn lichaam gebeurde niet zoveel, wat gezucht en gekreun daargelaten, met mijn geest des te meer: door Theorie van de kraal heb ik heimwee gekregen naar de oude Schinkel, dat wil zeggen, naar de jonge Schinkel.

Noten

(*) Jean-Luc Nancy, The Sense of the World (Minneapolis: University of Minnesota Press, 1997), p. 91.