🤲🏼 De bevende aarde (1): Terug naar Srebrenica
🖋 Guido Snel


Over een week is het 25 jaar geleden dat de door de VN gegarandeerde safe haven Srebrenica viel. De inname door Bosnisch-Servische troepen onder bevel van generaal Ratko Mladić werd gevolgd door de deportatie en genocide van meer dan 8.000 moslimjongens en -mannen onder het toeziend oog van ruim 400 Nederlandse blauwhelmen opererend onder een ontoereikend mandaat en met beperkte VN-ondersteuning. Guido Snel, schrijver, literair vertaler en tolk, reisde af naar de plaats des onheils en schrijft voor de Nederlandse Boekengids dagelijks over de verhalen die de overlevenden met zich meedragen en over onze en zijn eigen verhouding tot de oorlog. Vandaag deel 1: Terug naar Srebrenica.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Dit is deel 1 uit een reeks van zeven over de val van Srebrenica. Lees hier de andere delen:

1. Terug naar Srebrenica
2. Over de kwetsbaarheid van manuscripten en de kracht van mensen
3. Over de oordeelskracht
4. Wie zal het verhaal vertellen?
5. Het geheugen van de bossen
6. Over ontaard engagement
7. Over de teruggekeerden

De zichtbare steden

De Osmaanse rasverteller Evliya Çelebi, onvermoeibare reiziger, kwam door Srebrenica in 1661, volgens de islamitische kalender het jaar 1071. Hij schreef:

Ook deze stad werd gebouwd door koning Despot. Srebrne betekent in het Bulgaars en Servisch ‘zilver’, hier in de heuvels rondom de stad bevindt zich een zilvermijn, hieraan heeft de stad zijn naam te danken.

De vesting bevindt zich boven op een rode rots. Het betreft hier een fraai stenen, vijfhoekig gebouw dat boven de hele omgeving uittorent. Daar zetelt de dizdar, de stadscommandant met een vijftigtal manschappen en voldoende munitie. Er zijn geen winkels of markt in de vesting. Bij de verovering raakte de vesting beschadigd door kanonskogels, maar onder de heerschappij van Bajazid II werd deze hersteld. Sultan Fatih Mehmed heeft de vesting in eigen persoon veroverd.

Het stadje zelf is ontoegankelijk gelegen en de daken van alle achthonderd huizen zijn bedekt met dakpannen.

Er zijn zes buurten en zes moskeeën met een mihrab. De belangrijkste is de Bajazidmoskee. Het betreft hier een bescheiden gebedshuis in de oude stijl. Er is ook een klooster, drie lagere scholen, een kleine herberg en zo’n zeventig winkeltjes. Er is ook een kleine hamam, maar een echte markt is er niet, en echt belangwekkende gebouwen vind je hier ook niet, want het betreft hier een afgelegen plaats diep in het binnenland, ver afgelegen van de hoofdweg.

Een opmerkelijk feit. Midden door dit stadje loopt een kleine rivier die uitstroomt in de Drina. Ze is witachtig en wordt ‘het zilveren water’ genoemd. Maar dit water is vervloekt. Ze ontspringt in de zilvermijn. Inwoners die van dit water drinken krijgen vaak de kroep. Het veroorzaakt allerlei ziektes en misvormt zowel mannen als vrouwen.

De inwoners zijn Bosniakken, het christelijke volk bestaat uit Serviërs en Bulgaren. Allen zijn vreemdelingen echter welgezind.

Toen we vanaf hier verder trokken bereikten we de berg Ravno. Onderweg kwamen we een enorme boom tegen, zo groot dat die zich niet in zijn geheel laat beschrijven. De levens van vele grote bomen waren hier beëindigd. Die waren ontworteld door een woedende wind, een ziedende helse storm. De takken lagen verweesd ter aarde. Ik, armzalige, steeg van mijn paard af en mat te voet de lengte van een zo’n stam. Die mat zeker vierhonderdzeventig voet, en was zo dik dat wij hem met zijn achttienen ternauwernood konden omvatten. Ziedaar hoe hoog en uitzonderlijk deze boom was. Het hout voor alle scheepsbouw aan de Donau wordt hier verkregen.

De trek naar de stad

Over de schrijver Zvonimir Šubić, die in 1902 in Srebrenica geboren werd en die ik dankzij de Atlas van de Bosnische literatuur op het spoor ben gekomen, is nauwelijks iets bekend. Zijn vader was een lokale bakker, zijn moeder kwam uit Bajina Bašta, aan de overzijde van de Drina. Hij ging in Srebrenica naar de lagere school maar trok vermoedelijk meteen daarna naar Belgrado, om naar het gymnasium te gaan. Hij publiceerde romans, Noodlottige aarde en Wanneer keizerrijken veranderen, en hij stierf in 1956. Uit het naburige Bratunac komt nog een schrijver, ene Radovan Jovanović, over wie nog minder bekend is, behalve dat hij in 1896 werd geboren en in 1937 stierf.

Voor Hazim Šabanović, de Bosnische bezorger en vertaler van Evlija Çelebi’s Reisbeschrijving, is de vesting in Srebrenica een grad, een stad. De nederzetting, de huizen (waarvan hij het aantal schromelijk overdrijft) noemt hij de varoš. In bovenstaande Nederlandse vertaling heb ik gekozen voor stad, respectievelijk stadje.

Grad is een woord met een Slavische stam, de etymologie duidt op een stam die zoiets betekent als ‘een omheinde plaats’. In het Nederlands kennen we nog gaarde, in het Engels garden. In de Slavische talen is het een doodgewoon en alledaags woord. Een stad is een stad.

Varoš is een Hongaars leenwoord. In het Hongaars duidt város een stad aan, wat in Bosnië een grad is. Vár in het Hongaars is een burcht of een vesting. Je vindt het onder andere terug in de plaatsnaam Vukovar, letterlijk Wolfsburcht. In het Bosnisch wordt varoš wel gebruikt om aan te duiden dat een woonoord stad noch dorp is, vlees noch vis. Die tussenpositie heeft misschien (maar dat is het hellende vlak van de volksetymologie) te maken met de oorspronkelijke betekenis van ‘een nederzetting buiten de stadsmuren’, het Latijnse suburbium, het Duitse Vorstadt, het Nederlandse ‘buitenwijk’. Ook in het Turks spreekt men van een varoş. K., mijn vriend in Istanbul, schrijft: in hedendaags Turks betekent het ‘een arme wijk’, gewoonlijk aan de rand van een stad. Het wordt vooral in negatieve zin gebruikt. Persoonlijk, voegt hij toe, vermijdt hij het woord liever.

Mensen kiezen voor dorp of voor stad, niet voor de plekken ertussenin. Ze kiezen voor intimiteit, gezelligheid, sociale controle, of voor privacy, flaneren, anonimiteit. Mensen trekken over de hele wereld naar de steden toe. De Armeense dichter İkna Sarıaslan, wiens familie sinds mensenheugenis in Istanbul woont, vroeg me eens naar de betekenis van mijn titel Naar Istanbul. Hij zei: maar dat is dubbelop, I-Stanbul, betekent: Naar de Stad, uw boek heet dus Naar Naar de Stad.

Mijn vermoeden is dat Emir hoe dan ook Srebrenica – feitelijk Bratunac, het naburige stadje – verlaten zou hebben. Ik weet niet precies wanneer hij voor het eerst arriveerde in de grote stad, Sarajevo. In een parallel universum zou hij Srebrenica en Bratunac verlaten hebben met een reguliere lijnbus, boeken en wat kleding bij zich (Baudelaire was een favoriet, zijn docent literatuur op de middelbare school had hem voor de Franse dichter enthousiast gemaakt), opwinding en vast ook onrust in zijn donder, onderweg naar zijn studie in Sarajevo. Onderweg naar het echte leven. Nu verliet hij Srebrenica in juli 1995, gelijktijdig met de aftocht van de Nederlandse blauwhelmen. Drieënhalf jaar oorlog waren een snelle en meedogenloze leerschool geweest. Hij was zeventien toen de oorlog begon, en al in 1993 was hij als tolk voor de waarnemers van de VN gaan werken. Nu is het 2019, hij is vierenveertig jaar oud en onlangs benoemd tot directeur van het Srebrenica Memorial Center in Potočari, nabij Srebrenica, een varoš waar voor de oorlog een grote accufabriek was, tijdens de oorlog het onderkomen van eerst het Canadese, toen het Nederlandse VN-bataljon.

Emirs aankomst in Sarajevo

Op een zomeravond in 1996 fietste ik door Amsterdam-Zuid van de Van Breestraat naar de Van Mierisstraat, onder mijn arm de na veel gezwoeg voltooide vertaling van dagboekfragmenten van Miroslav Krleža, uit de Tweede Wereldoorlog. In de Van Breestraat woonde mijn mentor, de vertaalster en dichteres Z. In de Van Mierisstraat woonde de dichter Willem van Toorn, redactielid van tijdschrift Raster. Van Toorn was net terug uit Sarajevo, waar hij een festival had bezocht, vertelde hij. De reis vanuit Nederland was georganiseerd door Chris Keulemans, destijds directeur van debatcentrum De Balie. Van Toorn zat aan tafel, zijn volwassen kinderen (volgens mij twee in getal) waren langsgekomen om zijn verhalen te horen. In een glazen vitrine in de woonkamer lagen exemplaren van zijn werk, romans en dichtbundels.

Z. vertelde me later dat Van Toorn, met wie zij goed bevriend was, naïef was geweest, dat hij ijdel was geweest en zich net als Susan Sontag in de draaikolk van wereldgeschiedenis staande wilde kunnen houden, en natuurlijk was hij in Sarajevo kopje-onder gegaan. Hoewel hij, zei ze, daar zelf anders over dacht.

Dit is Van Toorns eigen versie, in het verhaal ‘Na het beleg’, gepubliceerd in de bundel De geur van gedroogde appels, uit 2010. Van Toorn geeft zichzelf hier een andere naam, en hij reist samen met de dichter K. Michel, die ook een andere naam heeft, naar een festival in Sarajevo. We schrijven de zomer van 1996. Samen hebben ze een hekel aan Haris Pašović, die in het verhaal wel onder zijn eigen naam optreedt. De gevluchte Bosnische theaterregisseur, die een deel van de oorlog in Amsterdam doorbracht, is voor Van Toorn een amateur met een grote mond, die het lijden van anderen misbruikt. Pašović is weer ‘dikke maatjes’ met de gewezen burgemeester van Amsterdam, Ed van Thijn, die in die dagen waarnemer was bij de eerste naoorlogse democratische verkiezingen in Sarajevo. In het verhaal blijft Van Thijn anoniem, ook met hem heeft de auteur nog een gedroogd appeltje te schillen.

De wat oudere hoofdpersoon mijmert onderweg, starend naar het verwoeste Bosnische land, over zijn eigen oorlogsherinneringen. Zijn jongere metgezel wordt ter plekke verliefd op een Bosnische medereizigster – maar dat is mijn interpretatie, want aan de oppervlakte zijn de twee schrijvers uiterst beheerst en correct, hun gesprekken onderzoeken de aard van het kwaad en tonen de juiste belezenheid. Schrijvende mannen in vreemd oorlogsgebied die onvermijdelijk verliefd worden. Een geval van het Holly Martins-complex: het hoofdpersonage uit The Third Man. Joseph Cotten speelt daarin de pulpschrijver die tussen het puin van het naoorlogse Wenen valt voor de mysterieuze Anna, Sudeten-Duitse op de vlucht.

Fast forward naar de ontknoping: in Sarajevo lokt Pašović de twee Nederlandse schrijvers toch in de val: tijdens een publieke discussie dwingt hij de twee om zich uit te spreken over Srebrenica. Van Toorn levert in het verhaal een fraaie monoloog vol literaire verwijzingen af waarin we de inhoudsopgave van enkele edities van Van Toorns tijdschrijft Raster terugvinden. Ongetwijfeld ook de versie die hij na thuiskomst aan zijn kinderen vertelde, maar dat weet ik natuurlijk niet, want ik werd die avond bij hem thuis snel de deur uit gebonjourd, een voorproef van de lessen in nederigheid die een literair vertaler zijn leven lang blijft leren. En zeker ook de versie die hij zijn oude vriendin L. voorschotelde, in de Van Breestraat (vanuit de Frans van Mieris enkel de Lairesse over, achter het Concertgebouw langs en dan de bovenwoning met het torentje). Haar kennende zal ze die met hoongelach hebben ontvangen.

Vlak voor Van Toorn zijn hoofdpersoon zijn monoloog laat houden worden er ‘twee jongemannen met dikke mappen’ opgevoerd. Tijdens de lunch stapt hij op beide jongens af, hij zal er bij de voorzitter voor pleiten dat ze ook aan het woord komen. ‘Ze bleken uitstekend Engels te spreken,’ merkt hij op, en bij die badinerende opmerking voel ik even dezelfde blinde woede als Van Toorn zegt te voelen bij de ijdelheid van de gewezen burgemeester en de opdringerigheid van Pašović. Want die twee ‘jongens’, dat waren Hasan Nuhanović, de tolk van de UNHCR, de VN-waarnemers in Srebrenica, wiens broer geen bescherming van de Nederlandse blauwhelmen kreeg, en wiens vader en moeder ook vermoord werden, en Emir, de andere tolk.

Chris Keulemans, ‘de beginnende prozaïst’ (zo wordt hij opgevoerd in het verhaal van Van Toorn) schreef destijds over het bezoek aan Sarajevo een reportage voor De Groene Amsterdammer. Chris heeft me het verhaal toegestuurd. Samen met twee Nederlandse rockbandjes, Daryll-Ann en de Easy Aloha’s, was hij al eerder naar Sarajevo gereisd, Van Toorn en Michel voegen zich later bij hen. Maar voor de publieke discussie is iedereen samen. Chris schrijft: ‘Haris Pašović neemt ongeduldig het woord. Hij begint meteen aan het eind van het verhaal. Srebrenica. Hij zegt: We zitten hier al drie dagen bij elkaar, Nederlanders en Bosniërs, en het woord Srebrenica is nog niet gevallen.’

Chris schrijft ook:

we waren er deze week al een enkele keer op aangesproken. We komen tenslotte uit het land van Dutchbat. Willem, Michel en ik kijken elkaar aan. We willen wel iets zeggen. Vooral omdat er twee soldaten uit Srebrenica in het publiek zitten; niet omdat we namens wie dan ook spreken. En niet omdat we veel te zeggen hebben. Dat het een tragedie is, dat de discussie in Nederland tamelijk serieus wordt gevoerd en nog niet is afgesloten. Dat weldenkende burgers, schrijvers meegerekend, blijkbaar geen enkele invloed hebben op de besluitvorming in zo’n crisis.

In de versie van Chris zijn Hasan en Emir ‘twee soldaten’. Ik had destijds geen idee, vertelt Chris me najaar 2019. We drinken koffie – Chris altijd een spa rood bij zijn espresso – in een café bij ons om de hoek in Amsterdam-Noord, gerund door een Turks-Nederlandse die uitsluitend jongens uit Syrië in dienst heeft. Chris kent ze allemaal, en hij kent ook hun verhalen.

Stuur je me het verhaal van Willem? vraagt hij. Oordeel in ieder geval niet te hard over Van Thijn, die heeft daar wel mooi de eerste naoorlogse verkiezingen mede georganiseerd. Willem heeft snel daarna zijn aandacht naar Algerije verlegd, waarvoor hij belangrijk werk heeft gedaan.

Nooit hard oordelen, dat probeer ik al jaren van Chris te leren.

En ja, hij beaamt dat die keer, zomer van 1996 in Sarajevo, zijn eerste ontmoeting met Emir moet zijn geweest. Hij weet niet meer of het Hasan of Emir was, die destijds van de twee het woord voerde.

Het publiek en de schrijvers op het podium luisteren in een steeds diepere stilte naar zijn bijna droge, beknopte samenvatting van de gebeurtenissen (…) Aan het einde van de middagzitting werden de twee tolken onmiddellijk omringd door de schrijvende pers en mannen met camera’s (Van Toorn).

Ja, inderdaad, beaamt Emir, als we hem november 2019 in Srebrenica opzoeken, dat zou wel eens mijn eerste keer in Sarajevo kunnen zijn geweest.