🤲🏼 De bevende aarde (2): Over de kwetsbaarheid van manuscripten en de kracht van mensen
🖋 Guido Snel


11 juli is het 25 jaar geleden dat de door de VN gegarandeerde safe haven Srebrenica viel. De inname door Bosnisch-Servische troepen onder bevel van generaal Ratko Mladić werd gevolgd door de deportatie en genocide van meer dan 8.000 moslimjongens en -mannen onder het toeziend oog van ruim 400 Nederlandse blauwhelmen opererend onder een ontoereikend mandaat en met beperkte VN-ondersteuning. Guido Snel, schrijver, literair vertaler en tolk, reisde af naar de plaats des onheils en schrijft voor de Nederlandse Boekengids dagelijks over de verhalen die de overlevenden met zich meedragen en over onze en zijn eigen verhouding tot de oorlog. Vandaag deel 2: Over de kwetsbaarheid van manuscripten en de kracht van mensen.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Dit is deel 2 uit een reeks van zeven over de val van Srebrenica. Lees hier de andere delen:
1. Terug naar Srebrenica
2. Over de kwetsbaarheid van manuscripten en de kracht van mensen
3. Over de oordeelskracht
4. Wie zal het verhaal vertellen?
5. Het geheugen van de bossen
6. Over ontaard engagement
7. Over de teruggekeerden

Emirs boek

Eind 2004 benaderde Chris Keulemans me, hij had een inmiddels ook in het Engels vertaald manuscript van een van de twee tolken uit Srebrenica. ‘Een van de twee?’ vroeg ik. Ik kende enkel de naam van Hasan Nuhanović, die later, in 2008, de Staat der Nederlanden zou aanklagen voor betrokkenheid bij de genocide.

Ik vertaalde veel in die jaren.

Nee, van Emir Suljagić, de andere tolk, legde Chris uit. We kunnen alleen in Nederland geen uitgever vinden. Misschien weet jij raad.

Er bestaat zoiets als een conjunctuur in de vertaalwereld. Je hebt vanzelfsprekende bestsellers, meestal uit de Engelstalige wereld, en je hebt auteurs uit obscuurdere taalgebieden die door de grillen van de wereldgeschiedenis pardoes de boekhandels worden ingeblazen. Denk aan De vliegeraar van Khaled Hosseini, een roman die op een zeker moment in bijna elk huishouden te vinden was. Een Afghaanse roman! De literaturen van het voormalige Joegoslavië genoten nooit een dergelijke populariteit. Maar uitgevers waren ook niet gek, er viel wel degelijk iets verkocht te worden, en sommigen waren oprecht geïnteresseerd. Wat ook hielp was het succes van de Hongaarse schrijver Sándor Márai, die zich in alle anonimiteit, in Amerikaanse ballingschap, in februari 1989 van het leven had beroofd en wiens werk vanaf 1998 een enorme populariteit kreeg. Uitgevers zagen nu een niche, schrijvers van die kant van Europa, en zo kregen ook mijn vertalingen van bijvoorbeeld de Kroatische schrijver Krleža een kans.

De Arbeiderspers toonde interesse in Bij de Hyperboreeërs van de Servische schrijver Miloš Crnjanski, memoires van zijn tijd als Joegoslavische diplomaat, decadent Rome aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, keizer Mussolini een aantal jaren voor de val. Rome, dat is Fellini, dat is Rosita Steenbeek, dat begrijpen lezers en dat kopen boekhandels in. Ik heb ook nog iets anders, zei ik tegen de redacteur, het heet Briefkaarten uit het graf, het zijn de memoires van één van de twee Bosnische tolken uit Srebrenica. Het is een ingehouden, knap geschreven, uitzonderlijk boek, zoiets zal nooit meer geschreven worden. Niet over Srebrenica.

Ik vertaalde Emirs boek met mijn twee jaar oude zoontje spelend onder de tafel, aan de tafel, slapend in zijn wipstoel op de tafel. Ik werkte als een bezetene aan de vertaling, de auteur en ik verschilden niet zo heel veel in leeftijd, en er was natuurlijk de episode geweest, najaar 1994, waarin ik kortstondig in het Nederlandse leger zat om als tolk naar Srebrenica te worden uitgezonden, een eer waarvoor ik op het laatste moment had bedankt. Sinds de val van de enclave, juli 1995, leefde er een hardnekkig alternatief scenario: stel dat ik wel was gegaan?

Het idee rees van verwantschap met de auteur, die ik alleen nog maar uit emailcontact kende. Hij een tolk, ik een tolk.

Ik voltooide de vertaling van Emirs boek in een maand of drie. Nu was het zaak zoveel mogelijk publiciteit te genereren. Aan Crnjanski, het boek over Rome, dat zeker vierhonderdvijftig pagina’s dik zou worden, zou ik nog zeker een jaar werken. In die vertaling wemelde het natuurlijk van de plaatsbeschrijvingen, wat mij het alibi verschafte om naar Rome te reizen om onderzoek te doen naar die plekken. Het toeval wilde dat in die maanden de Joegoslavische ambassade in Rome, waar een minder bekende schrijver, die destijds politiek in de gunst lag, als cultureel attaché was aangesteld, een symposium over Crnjanski hield. De hele nationalistische garde uit Belgrado liet zich naar Rome vliegen, allemaal zelfverklaarde Crnjanski-experts.

Symposia zijn saai, symposia gloeiend van nationalistisch sentiment saai en onverdraaglijk, de zon scheen, het was de maand mei, ik glipte weg uit de ambassade. Ik had de drukproeven van Emirs boek bij me, in twee exemplaren. Het ene voor mezelf, om ergens op een terras te gaan corrigeren. Het andere voor de criticus Michaël Zeeman, die in die jaren correspondent in Rome was. Het verhaal ging dat hij zich onmogelijk had gemaakt op de redactie van de Volkskrant en daarom weg was gepromoveerd. Maar goed, Amsterdam is in dit opzicht net Belgrado, mensen zeggen zoveel en elke kliek koestert zijn eigen waarheid.

Zeeman was een belezen criticus, wat geen vanzelfsprekendheid was. Hij eigende zich het alleenrecht toe om alles te bespreken wat er uit Centraal- en Oost-Europa vertaald werd. Zo werd hij feitelijk de persoonlijke Volkskrant-recensent van alles wat ik vertaalde (en ook van mijn collega’s die uit het Albanees, Tsjechisch, Hongaars, Pools, Turks vertaalden). Hij zou schrijven over Aleksandar Tišma, die ik een paar jaar later vertaalde, en hij had geschreven over Miroslav Krleža, die ik al had vertaald. De jonge Bosnische schrijver Igor Štiks, die ik nog weer later vertaalde, boorde hij de grond in. Evenals enkele jaren daarvoor, in 2000 of 2001, het werk van de toen in het Engels gedebuteerde Aleksandar Hemon. Ik vond zijn oordeel vaak ondoorgrondelijk, en als je een boek hebt vertaald eigen je het je toe, en een negatief oordeel treft je als betrof het je eigen werk.

We dronken koffie op een terras dat hij had voorgesteld. Hij was langdurig aan het woord. Hij bracht zijn liefdesleven ter sprake, meende parallellen met dat van mij te zien, en wees me erop dat mijn toenmalige uitgeefster (van mijn eigen werk) zijn vrouw was geweest.

Heeft u overigens opgemerkt dat momenteel de wonderbra hier in de mode is?

Dat had ik zeker, zij het indirect; telkens als zijn blik afdwaalde, wat voortdurend gebeurde, bleek deze mee te drijven met het decolleté van een passerende Romeinse.

Al die tijd lagen de drukproeven van Briefkaarten uit het graf onaangeroerd aan zijn kant van de tafel, naast zijn inmiddels met brood schoongeveegde bord. Bij het vertrek, dat haastig verliep, nam hij het onder zijn arm en beloofde ernaar te kijken.

Op de voorlaatste dag van mijn verblijf scheidde Montenegro zich af van de rest van Joegoslavië, dat sindsdien Servië zou heten. De chauffeur van de ambassade zou me naar het vliegveld brengen, maar hij was Montenegrijn en het was onzeker of hij nog orders aannam. Maar ik haalde mijn vliegtuig.

Briefkaarten uit het graf verscheen, het werd goed en veel besproken, zij het niet door Zeeman. De Arbeiderspers had de wereldrechten en verkocht het boek vrij snel ook in andere landen. Emir ging op een Europese tournee en bezocht ook Amsterdam, in een restaurant aan de Keizersgracht stonden we voor het eerst tegenover elkaar, we bleken van dezelfde lengte, hij nog niets langer, en hij zei: godverdomme, we zouden zo broers kunnen zijn.

De lichamen 

‘Wir haben ein Herz für unsere Gäste! Restaurant zum Linde, Innhaber Fam. Glamoć. Fritz Henkel Str.16 3560 Wallau, tel 06461.’ De tekst prijkt op de rode, hartvormige hanger van de verweerde, door zijn ondergrondse bergplaats wit uitgeslagen hotelsleutel.

Wallau ligt in het noorden van de deelstaat Hessen. De drager van de sleutel zal die bij vertrek vergeten zijn aan de receptie af te geven. Of hij heeft hem expres meegenomen, misschien had hij die nacht iets gedenkwaardigs beleefd. Mogelijk was hij op doorreis, op bezoek bij familie of vrienden die als gaštarbajter in het Ruhrgebied woonden.

Dan een kunstarm met kunsthand, de rechterarm vanaf de elleboog. Het textiel van de mouw is grijs, er zit een gat in de zoom. De voorgevormde hand houdt de toppen van duim en wijsvinger dicht bij elkaar. De orthopedische technicus zal, in samenspraak met de cliënt, voor deze houding van de vingers gekozen hebben. De ruimte tussen de top van de duim en de wijsvinger lijkt precies die van de doorsnede van een sigaret. Een geval van synecdoche: het deel (de kunstarm) heeft geleid tot de identificatie van het geheel (de persoon die aan de kunstarm vastzat, en die in het massagraf, op zijn beenderen na, tot stof is vergaan).

Een vierkante klok, bovenop een rinkelbel, op de wijzerplaat Romeinse cijfers, de verroeste wijzers staan op 7 minuten over 4. Made in Yugoslavia. Een polshorloge in de Sovjet-Unie vervaardigd. Het bandje en de ronde doos zijn van metaal dat wit is uitgeslagen. De wijzerplaat is wit, in het hart prijkt een rode, vijfpuntige ster. Daaromheen, twee woorden elk twee keer afgedrukt, in cyrillisch en Latijns schrift, in een krans: de buitenste krans перестройка, perestroyka, hervorming, de binnenste krans гласность, glasnost, openheid, en ook nog: CCCP, SSSR. Het merk: Raketa, de plaats van vestiging onleesbaar. Hier is de tijd kwart voor vijf.

Een volgende foto bevat drie horloges: even voor half negen, tien over vijf, vijf over negen.

Horloges lopen ondergronds nog door. Het is een wijdverbreid misverstand dat haar en nagels na de dood nog zouden doorgroeien. Zodra de zuurstoftoevoer ophoudt stopt de celdeling en dus de groei. Door verstijving van de huid verdroogt de huid en trekt zich terug, daardoor komen onderhuidse haartjes tevoorschijn, en nagels lijken dan iets langer. Maar groei is het niet.

Vijf brillen verdeeld over drie foto’s. Gebogen, geknakt. Eén bij de brug met ducttape gerepareerd. Een tandenborstel en een tube tandpasta, blauw, het merk in vervaagde witte letters onleesbaar. Een volgende foto, opnieuw met een borstel en dezelfde tube, verheldert het merk: OCEAN. In kleine rode letters: daily toothpaste. Wat er verder in rode letters staat is onleesbaar. Deze persoon had ook een scheerkwast en een scheermesje bij zich, en een onidentificeerbaar ovalen metalen plaatje. En een foto: daarop een jonge vrouw, twee jochies niet ouder dan tien, en een man, vermoedelijk hijzelf. Hij draagt een wit T-shirt met V-hals, op zijn borst het Olympische logo.

Zakkammen. Ik denk aan mijn vader, die ook altijd een zakkam in zijn achterzak had. De generatie vóór mijn vader droeg hoeden. Mijn opa in de kerk. Als je ergens binnenstapte, nam je uit beleefdheid je hoed af. Als mijn vader bij een klant binnenstapte, haalde hij altijd eerst ‘even een kam door het haar’. Emirs vader, die tijdens de oorlog een natuurlijke dood stierf, heeft mogelijk ook nog een kam gehad. De generatie van Emir en mij draagt geen zakkammen meer.

Vijf lepels, verdeeld over meerdere foto’s.

Haren kammen, tanden poetsen, baard scheren. De tijd aan je pols hebben. Eten naar je mond brengen. De kans dat je ooit nog thuis zult komen is nihil, maar je hebt je sleutels in je zak, in je vergrendelde bezit je meubels, je tv, je foto-albums, je muziek, je boeken, het speelgoed van je kinderen.

En een glazen oog. De pupil zwart, de iris bruin met een zwarte rand. Het andere oog zal ook bruin zijn geweest, mensen met een kunstoog kiezen doorgaans voor dezelfde kleur, je wilt niet opvallen. Hoewel de onbeweeglijkheid van het glas je op een zeker moment toch verraadt. Hier kijkt het je aan en het kijkt je ook niet aan.

Ik kijk terug. Ik heb een deel van de foto’s – het zijn er tientallen – nadien op internet opgezocht. Emir heeft ze tentoongesteld in de verder verlaten hal van de accufabriek. Ze hangen langs de muur, in klein format, op borsthoogte opgehangen, wat vereist dat je voorover buigt.

Er staat in die hal verder enkel een witte DAF van het Nederlandse leger, daarmee werden de inwoners van de enclave geëvacueerd. Mogelijk, zegt Emir, is dit ook één van de vrachtwagens die hier in juli 1995 zijn gebruikt.

Iemand vertelde me het verhaal van een chauffeuse, soldate in Dutchbat, die haar truck overladen met mensen – mensen hingen aan de portieren, aan de achterzijde, zelfs aan de voorkant – naar veilig gebied loodste, de orders waren geen moment te stoppen, er viel iemand onder de wielen, ze reed door, wat kon ze doen, orders waren orders, alom heerste paniek. Ze heeft nadien geprobeerd een burgerbestaan op te bouwen, vergeefs.

De foto’s aan de muur zijn van Zijah Gafić. Emir loopt al door, ik volg hem maar, berg mijn telefoon weer op. Want zulke foto’s fotografeer je niet.

Koffie en sigaretten

Srebrenica bezoeken heb ik altijd uitgesteld. Ik hoorde dat er zelfs een ex-Dutchbatter was gaan wonen, die gaf rondleidingen aan weer andere Dutchbatters.

In de zomer van 2018 trof ik Emir na enige jaren stilte in de vriendschap. Dat was in Sarajevo, zijn moeder was in 2011 uit Sarajevo naar Bratunac teruggekeerd, hijzelf kwam er ook steeds vaker. Het ouderlijk huis. Zijn moeder had de groentekas hersteld, achter het huis lag een kleine boomgaard met walnoten, hij was er rakija gaan stoken. Je moet een keer langskomen, zei hij. We zijn er omringd door Serviërs maar ik kan daar aarden. Dan gaan we drinken, beetje hangen. Voelen wat het echte Bosnische leven is. Brede grijns.

In september 2019 kondigde ik onze komst aan voor november. Dat is goed, zei hij, maar mijn moeder ligt op sterven. Maar kom hoe dan ook. Ik zal tijd hebben, ik zal er zijn.

Zijn moeder stierf een week of twee voor onze aankomst. Over haar had hij jaren eerder een tweede manuscript geschreven, kort na Briefkaarten uit het graf. Over het leven na de genocide, als vluchtelingen in eigen land. Samen met haar en zijn zus in een klein appartement, weinig geld, slechte gezondheid, beurtelings het zwijgen en de verhalen, die eruit moesten omdat je anders gek werd, je werd ook gek van elkaars ellende en elkaars gezelschap maar je kon niet zonder elkaar. De buitenwereld begreep je niet.

Dat tweede manuscript had hij nooit uitgegeven. Inmiddels werkte hij aan een derde boek. Hij stuurde me het voor onze reis in de herfst van 2019 toe. Daarin schreef hij meer over het leven voor de oorlog. Zijn docent literatuur van de middelbare school, die hem met Baudelaire kennis had laten maken, die deel had genomen aan de moordpartijen, en daar zijn straf voor had uitgezeten. Spoorzoeken in het verleden: wie waren zij als gemeenschap geweest, ver voor de genocide. Juridische passages, over verantwoordelijkheid. Over schaamte, voortleven terwijl er zoveel vrienden en verwanten dood zijn. Een rijk en noodzakelijk boek.

Hij werkte inmiddels als directeur van het Srebrenica Memorial Center, een baan die even veeleisend was als ooit Loe de Jongs werk voor het RIOD. Wie weet of hij nog tijd zou hebben om te schrijven.

We arriveerden zaterdag vroeg in de middag. Emir zou ons in het centrum van Bratunac op komen halen.

De varoš Bratunac was sinds de oorlog een uitsluitend Servisch stadje. Maar vanaf 2001 waren er onder bescherming van internationale waarnemers overlevenden begonnen terug te keren. Wachtend op Emir in het centrum, bij een benzinepomp, hoorde ik de oproep tot het middaggebed van de minaret. Alleen al in de zomer van 1992, de eerste oorlogsmaanden, legden de Bosnische Serviërs tientallen moskeeën in de as. De stem van de muezzin, op deze zaterdagochtend eind november 2019, ontroerde me.

Emir kwam aanstuiven. Stoppelbaard, brakke ogen. Hij en zijn neef hadden het de vorige avond iets te bont gemaakt. Oude nummers gedraaid. Camp. Ongelooflijk gezellig. Maar wat was zo’n kater verschrikkelijk. Wat wilden we eigenlijk doen? Ach ja, jullie zijn hier voor de eerste keer… En was het goed als we niet bij hem sliepen maar bij zijn neef, Enver? Hijzelf had al een logé. Zo gaat het hier bij ons, altijd improviseren. We are a postgenocidal community, zei hij tegen mijn metgezellin bij wijze van uitleg.

We reden naar zijn huis, daar werden we aan Enver voorgesteld, en aan Monika, een jonge wetenschapster uit de VS, die als vrijwilligster bij het Srebrenica Memorial werkte. Emir ging meteen koffie zetten, en ging door met roken.

In de tuin toonde hij me de kas van zijn moeder. Paprika’s en tomaten, het was allemaal wat gaan woekeren, maar overal hing rijpe groente. Hij plukte een armvol.

Je kunt beter met Enver praten dan met mij, zei hij, terwijl hij, terug in huis, eieren voor een omelet brak. Enver heeft alles meegemaakt, hij heeft van begin af aan de enclave verdedigd, de vlucht door de heuvels meegemaakt, ik heb veel minder gezien.

Enver is even oud als wij, vertelde Emir ook, we zijn dus allemaal van dezelfde generatie.

Enver, rokend in de woonkamer, vroeg me wat voor boek ik aan het schrijven was. Een reisboek, antwoordde ik. Ik had zelf in december 1994 als tolk naar Srebrenica uitgezonden kunnen worden, maar ik ben daar toen voortijds uitgestapt, zei ik. Maar ik heb de gedachte nooit los kunnen laten over wat er gebeurd zou zijn als ik wel was gegaan. En al die jaren heb ik deze reis uitgesteld.

Wees maar blij dat je nooit gegaan bent, zei Enver. De beste beslissing van je leven.

Om eerlijk te zijn, zei ik, heb ik geen idee wat ik hier kom doen, behalve om tijd met Emir door te brengen. En nu dus ook met jou.

Maak je toch niet zo druk, kwam Emir uit de keuken, nieuwe sigaret tussen de lippen. We gaan gewoon een beetje rondrijden. Mensen bezoeken. Tijd doorbrengen. Moet je hem nou zien zitten, zei hij tegen Enver, wijzend op mij. We zouden broers kunnen zijn.

Enver lachte. Enver heeft groene ogen. Hij droeg een roze polo, een gouden kettinkje. Zijn haar is kortgeknipt, stug en zilverzwart. Zijn ogen zijn de warmste van de hele wereld.

Enver begon te vertellen, onderbrak zichzelf voortdurend om te vragen of ik hem echt wel begreep, en dan kwam Emir weer uit de keuken om te zeggen: maar hij spreekt de taal toch, dan begrijpt hij je ook.

Enver vertelde verder tijdens het bezoek aan de begraafplaats in Potočari, het museum van het Memorial; tijdens de koffie in de cafetaria van de supermarkt, tijdens het bezoek aan verwanten die avond. In de ochtend bij het ontbijt vertelde hij verder, bij de wandeling langs de Drina op de zondagmiddag, zelfs toen we al bijna in de auto zaten vertelde hij nog.

Hij kon ook vertellen, legde Enver zelf uit, omdat een psycholoog hem had gezegd dat vertellen goed is. Anders krop je zaken maar op, dan krijg je het aan je hart en ga je dood.

Ik begreep dat hij me vertrouwde omdat ik hier vanwege Emir was. Emir leidde een leven dat tot ver buiten Bratunac en Srebrenica reikte. Hij was kortstondig politicus geweest, hij was in Duitsland gepromoveerd, had als correspondent bij het Joegoslaviëtribunaal gewerkt. Hoe je het ook wendt of keert: Emir had het gemaakt.

Maar als Emir hier terugkeerde, was hij deel van de gemeenschap. A postgenocidal community.