De bevende aarde (3): Over de oordeelskracht
Guido Snel


11 juli is het 25 jaar geleden dat de door de VN gegarandeerde safe haven Srebrenica viel. De inname door Bosnisch-Servische troepen onder bevel van generaal Ratko Mladić werd gevolgd door de deportatie en genocide van meer dan 8.000 moslimjongens en -mannen onder het toeziend oog van ruim 400 Nederlandse blauwhelmen opererend onder een ontoereikend mandaat en met beperkte VN-ondersteuning. Guido Snel, schrijver, literair vertaler en tolk, reisde af naar de plaats des onheils en schrijft voor de Nederlandse Boekengids dagelijks over de verhalen die de overlevenden met zich meedragen en over onze en zijn eigen verhouding tot de oorlog. Vandaag deel 3: Over de oordeelskracht.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Dit is deel 3 uit een reeks van zeven over de val van Srebrenica. Lees hier de andere delen:
1. Terug naar Srebrenica
2. Over de kwetsbaarheid van manuscripten en de kracht van mensen
3. Over de oordeelskracht
4. Wie zal het verhaal vertellen?
5. Het geheugen van de bossen
6. Over ontaard engagement
7. Over de teruggekeerden

Sterke taal, slappe spieren

Pratend met Emir of Enver ben ik me elk moment bewust van wat ik zeg, van de waarde van mijn woorden. Spreken met Emir of Enver gebeurt zonder vaste grond onder de voeten. Niets heeft vaste waarde, behalve datgene waarover we het samen op dat moment kunnen hebben. Dat laatste wordt bepaald door het besef van verlies, en mijn erkenning van de volkomenheid van dat verlies, en dus van een absolute ongelijkheid tussen ons. Binnen dit pact treffen we elkaar als absolute gelijken.

Dat ik uit Nederland kom, is relevant.

De Nederlandse soldaten, schrijft Emir in Briefkaarten uit het graf (ik parafraseer), hadden keuzes, alleen maakten zij telkens de verkeerde. En Enver zegt: die Nederlandse jongens, ach, dat waren lammetjes. Je weet pas wat je gedaan zou hebben als je erbij was geweest. Het was oorlog, wie ik zelf tijdens de oorlog was, daar kijk ik nu met verbazing en ongeloof op terug.

Enver zegt dit wanneer we de begraafplaats in Potočari oplopen, hij wijst ons zes graven aan met de familienaam Suljagić. Zo heet hijzelf trouwens niet, hij en Emir zijn neven van moederszijde. Hij slaat zijn arm om mijn schouder. We kennen elkaar dan welgeteld een uur.

Keuzes maken, oordelen vellen. Waar sta je inzake een genocide, hoe bepaal je je positie? Als je, zoals onze generatie, opgroeit in een postmodern tijdvak van absolute twijfel aan alles, terwijl op de achtergrond de grote politieke systemen schuiven (de nieuwe wereldorde), hoe vel je dan de oordelen die nodig zijn om keuzes te maken, om stelling te nemen? Een collega wees mij er eens op dat Immanuel Kant niet spreekt van oordeelsvermogen, maar van oordeelskracht. En die collega maakte de vergelijking met een spier: de mens oordeelt vanuit kracht, de kracht van zijn voorstellingsvermogen, die evenzeer ethisch als esthetisch is omdat die de onoverbrugbare sferen van het natuurlijke, het schone en het morele verbindt.

Destijds, als student in het leger, wist ik op een gegeven moment: in dit uniform, met deze mensen, met dit wapen aan mijn zijde, met dit VN-embleem op mijn borst, moet ik niet rondlopen. Die beslissing kon ik rationeel onderbouwen (ik zou als tolk vaak de hoogste in rang zijn, terwijl ik als militair geen enkele ervaring had), maar de spier die zich in mij spande verbond ook hele andere sferen: vrijheidsdrang, en het morele besef dat mijn uniform zou komen tussen mij en de anderen, de mensen in de enclave, wier woorden in vertaling over mijn tong zouden gaan. Terwijl vertalen altijd een beweging naar de sprekers toe is, zoveel wist ik inmiddels.

Die spierbeweging was een heftige, pijnlijke, onloochenbare kramp. Een zweepslag die mij het spreken benam, destijds in de kazerne tegenover de overste, die mij godzijdank naar huis liet gaan.

Nog even over Immanuel Kant: in het jaar 1995 – het jaar waarin in de zomer de verwanten en vrienden van Emir en Enver en van duizenden anderen werden vermoord – werd herdacht dat de filosoof uit Königsberg (in onze eigen tijd het desolate Kaliningrad) zijn essay Zum ewigen Frieden publiceerde. Martha Nussbaum betoogt dat Kant in 1795 een stabiele wereldvrede mogelijk achtte omdat hij, schatplichtig aan de antieke stoïcijnen, meende dat de mens was geëvolueerd, de mens wist zich niet langer alleen ingezetene van de eigen polis, maar van de wereld als geheel, de cosmopolis. Zijn wereldburgerschap maakte hem nu evenzeer invoelend voor het leed van anderen als dat van hemzelf. Wat gij niet wilt dat u niet geschiedt, doe dat ook een ander niet.

Emir en ik hebben het over twee Nederlanders die telkens weer ter sprake komen in de geschiedenis van Srebrenica. Karremans, de overste, die leiding gaf aan de Nederlandse VN-militairen, en Blom, de historicus die het onderzoek van het NIOD in opdracht van de Nederlandse regering leidde. De een was een militair, een man van de actie, van de snelle beslissing, de ander een wetenschapper, een man van de reflectie, van het weloverwogen oordeel achteraf. Beider oordeelsspier velde een gelijkwaardig vonnis inzake Srebrenica.

Karremans arriveert bijna twee weken na de val in het VN-kamp in Zagreb. Bier en hamburgers voor de mannen en vrouwen van Dutchbat. Willem-Alexander, voor de polonaise klaargestoomd door zijn Leidse mentoren, de koninklijke historici, host mee. Zondag 23 juli 1995 is er een persconferentie. Karremans, in zijn memoires, voelt zich verraden door de VN, die nooit de beloofde luchtsteun heeft gegeven, en hij besluit zijn betoog met de opmerking dat Dutchbat geleerd heeft ‘dat de partijen in Bosnië niet kunnen worden verdeeld in good guys en bad guys’, woorden die hij in zijn memoires toeschrijft aan de dienst voorlichting van Defensie. Maar die hij uitspreekt, zijn kaak- en mond- en tongspier articuleren deze zin.

Ook ontkent hij eerder in dezelfde memoires dat hij chronische diarree zou hebben gehad. Zijn sluitspier heeft het in de dagen van de val niet begeven.

Karremens is een man van weinig woorden. Blom een man van vele.

Tijdens de aanbieding van het NIOD-rapport aan de Nederlandse regering, op 10 april 2002, vat Blom de oorlog samen tot een gewild samenspel van de lokale partijen, het Westen had er weinig invloed op. Het Westen, sprak Blom ook, ‘werd de gijzelaar van de eigen aanpak en kwam terecht in een ‘doormodderscenario’’. De aanhalingstekens zijn van de auteur zelf, en worden eerder in de toespraak ook gebruikt inzake ‘de ‘tragedie’ Srebrenica’. En een andere metafoor vraagt ook de aandacht: ‘Het excentrisch gelegen Srebrenica was de zwartepiet onder deze Safe Areas.’ De Engelse vertaler van het rapport, die de eerste metafoor vertaalde met ‘a scenario of ‘muddling through’, maakt van de zwartepiet the unwanted child.

Van Dale: ‘doormodderen: doorgaan met prutsen, knoeien: hij blijft maar doormodderen.’ En ‘de zwartepiet’ verwijst naar het kaartspel, degene die aan het eind de zwarte boer in handen houdt, die heeft verloren, die is de lul.

Hoewel er naar verluidt in Indonesië een spel ‘swartepit’ bestaat en men in Vlaanderen een gelijksoortig spel speelt onder de titel ‘piekenzot jagen’, is de metafoor van de zwartepiet vooral een Nederlandse. En die andere metafoor, ‘doormodderen’, die werd tijdens de oorlog wel vaker voor de westerse betrokkenheid in Bosnië gebruikt, maar in een Nederlandse context resoneert die op een geheel eigen manier.

Mensen, zei Blom eigenlijk tegen zijn publiek in Den Haag, waaruit een Bosnische delegatie demonstratief opstond en wegliep, we begrijpen toch met zijn allen prima wat er daar aan de hand was. Dutchbat liep hopeloos vast, in een spel waarvan zij zelf de regels niet hadden geschreven. Het zat samen met het Westen en de strijdende partijen aan de speltafel. Het Westen, dat zijn de VN, en de VN, dat waren Frankrijk en Engeland, en die hebben altijd al ons lot over en achter onze ruggen beslist. En de strijdende partijen, dat zijn de Balkanezen. En dan krijg je uitgerekend hier als poldermens met als levenservaring enkel modder aan je schoenen een zwartepiet toegespeeld.

Blom bracht uiteindelijk ook een bezoek aan Bosnië, aan Sarajevo en Srebrenica. Wat er precies door hem heen ging valt natuurlijk niet te zeggen, maar het verhaal gaat dat hij aldoor de frase ‘in dit soort landen’ bezigde, in antwoord op alles: op de mensen, de gesprekken, de koffie, de wijn, het eten, het historisch besef, de oorlog. Gevraagd welke landen hij dan bedoelde, dan zei hij: nou, Turkije bijvoorbeeld. Hij had ook Albanië kunnen noemen. Of Roemenië, Bulgarije. Kosovo. Macedonië. Ingewikkeld, een rommeltje, landen achter Gods rug. Vukojebina, daar waar de wolven neuken. Van die landen waar altijd stront aan de knikker is, waar je geen andere keuze hebt dan doormodderen, met de beste bedoelingen vanzelfsprekend, en waar je ten slotte toch altijd weer de zwartepiet krijgt toegespeeld.

The West and the Rest.

Beauty and the East.

Blom sprak in 1983 een oratie uit getiteld In de ban van goed en fout? Een hele loopbaan later, in 2007, keek hij in de Volkskrant terug op zijn eigen oratie en betoogde dat de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog zoveel verder was geraakt. Weg van de obsessie van Loe de Jong met onderdrukking, collaboratie en verzet, en, de regels van het vak volgend, die eisen dat men afstandelijk, onpartijdig en niet-moraliserend is, naar een geschiedschrijving ‘die de ban van goed en fout doorbreekt’.

In datzelfde stuk spreekt hij ook over de ontvangst van zijn Srebrenica-onderzoek in Nederland. En ook hier stelt hij dat het wetenschappelijke onderzoek zoveel verder is dan het publieke debat, dat hij oppervlakkig noemt, geobsedeerd door goed en fout.

Dat zijn onderzoek naar Srebrenica in ‘de Balkan’ (eindelijk noemt hij hier het beest bij naam, de tegenhanger van ‘het Westen’) als uiterst partijdig wordt gezien, dat kan hij zelf niet zien. Kan ik hem dat aanrekenen? Of ik het nu wil of niet, dat gebeurt hoe dan ook: de spier van de oordeelskracht spant zich onherroepelijk. Er velt zich een oordeel, niet over Blom als mens, maar over hem als wetenschapper: over zijn metaforen die niet alleen lui (ethisch oordeel) en lelijk (esthetisch oordeel) zijn, maar die verraden wat we in de academische wereld methodologisch nationalisme noemen: je stelt enkel de vragen die in je eigen nationale gezichtsveld vallen, omdat je enkel die vragen kunt stellen, je wereld wordt begrensd door je eigen perceptie, en je taalgebruik is daar een wezenlijk onderdeel van.

We hebben veel tijd doorgebracht met de mensen van het NIOD, zegt Emir. Achteraf allemaal voor niets. Dat is onze eigen schuld, dat hadden we moeten weten.

Maar, zegt Enver, we vertelden ons verhaal aan ieder die maar wilde luisteren. Dat is toch normaal.

Neka idu svi u kurac, zegt Emir, die graag en veel vloekt. De letterlijke vertaling zou zijn: ‘mogen ze allemaal naar hun lul gaan’, als in: mogen ze allemaal naar de hel lopen.

Laat ze allemaal in de stront zakken?

In de modder?

Het woord modder, verwant met Grieks mudros, gloeiende massa, ontleent zijn herkomst aan het Avestische, oud-Iraanse mūthra, feces, stront, waardoor, vast onbedoeld, een veel dreigender palimpsest onder deze metafoor verschijnt – die als gezegd, tijdens de oorlog veel breder gebruikt werd: een onderwereld van oergeweld, het absolute kwaad, kosmische drek, anus mundi.

Hoe dan ook: de vertaler ziet zich hier voor een onmogelijke opgave: een onoverbrugbare kloof.

Nogmaals over de lichamen

In de film Grbavica (Sarajevo, My Love) van Jasmila Žbanić uit 2006 vindt Esma, de moeder van Sara, een kind geboren uit serieverkrachting, een baan in een nachtclub. Eén van de bodyguards geeft Esma na haar dienst een lift naar huis. Ze raken aan de praat. Hij vraagt haar of ze elkaar niet al eens eerder hebben ontmoet. Misschien na identifikaciji, bij het identificeren van in massagraven gevonden lichamen? Zijn eigen vader is nooit teruggevonden.

Stel je voor, zegt de bodyguard, een keer dachten we echt dat we hem hadden. Jeans, aansteker, precies die van hem. Stond er een vreemde vrouw naast me, die zei: kijk, hij heeft een gouden tand, net als mijn vader.

Maar mijn vader had geen gouden tand, zegt hij tegen Esma.

Een ongemakkelijke stilte tussen de twee.

Ook haar vader is nooit gevonden, zegt Esma.

De bodyguard vraagt haar mee uit. Ze gaan koffie drinken in de čaršija. Hij vertelt dat hij op een visum voor Oostenrijk wacht. Zijn zus woont daar. In Bosnië is geen toekomst.

Aan het einde van de film komt de bodyguard afscheid van Esma nemen. Hij heeft zijn visum. Esma verstart. Wie zal er dan nog zijn om je vader te identificeren, als ze hem vinden? vraagt ze bits.

Ze kussen elkaar, hartstochtelijk en wanhopig.

Aan de universiteit van Tuzla werkt een collega van mij, hij doceert er Engelse literatuur en culturele studies. Hij werkt ook als tolk, in het mortuarium. Ik weet bijna zeker dat zijn salaris aan de universiteit ontoereikend is en dat hij daarom als tolk bijklust. Hij heet Damir Arsenijević. Arsenijević schreef een wetenschappelijk artikel over de politiek van de identificatie in Bosnië. Het is een belangrijk stuk, het dateert van 2011 en is geïnspireerd door de politieke protesten uit die jaren: de politiek was corrupt, het land leek in een eeuwige transitie verzand. Het leed van de oorlog werd misbruikt in de politieke conjunctuur.

Als je in het mortuarium staat, schrijft Arsenijević, dan hebben de lijkzakken codes. Bijvoorbeeld CSK-124. Of M-195. Dat zegt je niets, en toch dringen er zich vragen op. Je beseft: de vraag is niet: wat is dit, maar wie is dit? En ineens transformeert de inhoud van de zak in iemands vermiste vader, echtgenoot, zoon, iemand wiens DNA we nog snel even voor de lunchpauze moeten vaststellen.

Dit moment waarop je beseft dat het om een persoon gaat, is doorslaggevend, schrijft Arsenijević ook. Je laat dan een ander beslissend moment herleven, het moment van de moord, het sterven, toen dat leven werd weggenomen. En alles wat erop volgde: de inspanningen om de misdaad te verbergen, het verplaatsen van het massagraf van de ene naar de andere plek. Wat uiteindelijk rest, bij de opgraving, zijn fragmenten van een schedel, een tand of een kies, een rib. Nu dient zich dus die tweede keuze aan: wanneer besluit je dat je weer met een mens te maken hebt, met een volledige identiteit en geschiedenis? Volstaat dat schedelfragment, die rib, tand of kies?

Is dit een mens? vroeg Primo Levi na Auschwitz. Hij bedoelde iets anders, dat weet ik wel, maar ik moet toch aan die vraag denken, als ik Arsenijević lees.

Dagelijks, schrijft Arsenijević, wordt er in Bosnië verder gewerkt aan het openleggen van massagraven. Stoffelijke resten worden opgegraven, gerangschikt, herschikt, opgeslagen en vervolgens krijgt het een etnisch etiket. Arsenijević noemt dit ‘een ruwe, grove, gewelddadige alliantie tussen de forensische wetenschapper, de bureaucraat en de geestelijke’. Feitelijk bevestigen zij gedrieën de zienswijze van de dader, want het motief tot de moord was enkel en alleen de etnische of religieuze identiteit van het slachtoffer. Deze vervolgens als Bosniak, Kroaat of Serviër te identificeren, onderschrijft het motief van de dader, aldus Arsenijević.

En hij schrijft ook: we moeten dit tegengaan, we moeten dit denken openbreken. We moeten de logica blootleggen achter de politiek die vrouwen pas een rol van waarde geeft als hun man formeel vermist is, terwijl zij zelf slachtoffer van seksueel geweld zijn. We moeten de logica van uitsluiting, van wij of zij, blootleggen, de eeuwige logica van het etnische, misogyne nationalisme. We moeten oog krijgen voor die opgeschorte manier van leven die de nabestaanden van vermisten moeten verduren, in de eeuwige transitie waarin dit land verzeild lijkt geraakt. Nabestaanden die geen enkel recht hebben tot er een etiket op de zak is geplakt, en dat etiket is onvermijdelijk etnisch of religieus.

Arsenijević haalt de Amerikaanse politicologe Wendy Brown aan, die over rouwen het volgende schreef: rouwen is een staat waarin we struikelen en stotteren, waarin de grond onder onze voeten beeft, waarin we geen woorden kunnen vinden, verloren zijn in ruimte en tijd. Iemand die rouwt, schrijft Brown schrijft Arsenijević, moet opnieuw leren lopen, op bodem die zijn stevigheid ontleende aan iemand die er niet meer is (…) iemand in de rouw leert een ander tijdsbesef kennen, waarin het verleden en de toekomst elkaar direct raken, zonder bemiddeling van het heden, terwijl dat heden er natuurlijk wel is, zou ik zelf willen toevoegen, rauw en meedogenloos, elke dag weer, de tijd die men moet doorstaan om morgen te bereiken, een volgende dag in het heden, na weer een slapeloze nacht.