De bevende aarde (5): Het geheugen van de bossen


Overmorgen is het 25 jaar geleden dat de door de VN gegarandeerde safe haven Srebrenica viel. De inname door Bosnisch-Servische troepen onder bevel van generaal Ratko Mladić werd gevolgd door de deportatie en genocide van meer dan 8.000 moslimjongens en -mannen onder het toeziend oog van ruim 400 Nederlandse blauwhelmen opererend onder een ontoereikend mandaat en met beperkte VN-ondersteuning. Guido Snel, schrijver, literair vertaler en tolk, reisde af naar de plaats des onheils en schrijft voor de Nederlandse Boekengids dagelijks over de verhalen die de overlevenden met zich meedragen en over onze en zijn eigen verhouding tot de oorlog. Vandaag deel 5: Het geheugen van de bossen.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Dit is deel 5 uit een reeks van zeven over de val van Srebrenica. Lees hier de andere delen:
1. Terug naar Srebrenica
2. Over de kwetsbaarheid van manuscripten en de kracht van mensen
3. Over de oordeelskracht
4. Wie zal het verhaal vertellen?
5. Het geheugen van de bossen
6. Over ontaard engagement
7. Over de teruggekeerden

Sterke adem

De militaire hoofdverantwoordelijke voor de genocide werd uiteindelijk gearresteerd op 26 mei 2011 in de varoš Lazarevo in de Vojvodina, Noord-Servië. Een speciale eenheid van de Servische politie, gemaskerd, in zwart uniform en zonder insignes – mogelijk vreesde men de spontane woede van een volksmenigte – hield de verdachte aan in het huis van diens neef. Twee revolvers die hij bij zich had droeg hij zonder tegenstand over.

Alom werd aangenomen dat Boris Tadić, de toenmalige president van Servië, het bevel tot arrestatie had gegeven om het toetreden van zijn land tot de EU te versnellen. Er braken demonstraties uit. In Banja Luka, hoofdstad van het Servische deel van Bosnië, kwam er een aanzienlijke mensenmassa op de been. In het zachtaardige Novi Sad, hoofdstad van de Vojvodina, probeerden honderden demonstranten met geweld het kantoor van Tadić’ Democratische Partij binnen te dringen.

Sinds de genocide waren vijftien jaar en tien maanden verstreken. De verdachte, die in de loop der jaren af en toe was gesignaleerd – in Belgrado, aan de kust in Montenegro – en van wie ook wel foto’s in de pers waren opgedoken, was zichtbaar verouderd. Hij had een aantal lichte hersenbloedingen gehad, waardoor een van zijn armen gedeeltelijk was verlamd. De verdachte werd uitgeleverd en de gerechtelijke procedure begon onmiddellijk. Het vonnis viel op 22 november 2017: de gedaagde werd op tien van de elf punten van de aanklacht schuldig bevonden, waaronder genocide, vervolging, vernietiging, moord, deportatie.

Vervolging, vernietiging, literatuur, is de titel van een studie uit de jaren tachtig van Sem Dresden, literatuurwetenschapper, over de literatuur van de holocaust. Ik denk dat het te vroeg is voor literatuur, fictie, over Ratko Mladić. Ik kom zelf niet verder dan een montage.

Om te beginnen. De auteurs van het vonnis van het ICTY, het Joegoslavië-tribunaal, zijn behoedzaam en uiterst precies. De genocide in Srebrenica is uitgevoerd door een joint criminal enterprise, waar de verdachte een significante bijdrage aan heeft geleverd (en waar ook zijn kompaan Radovan Karadžić deel van was). De verdachte stond aan het hoofd van zowel het leger als de politie-eenheden die de feitelijke moorden pleegde, de graven groeven, de graven verplaatsten. De handelingen van de verdachte waren dermate instrumenteel dat zonder deze de gepleegde misdaden niet in deze vorm zouden zijn gepleegd.

Er werd – cruciaal voor een veroordeling tot genocide – voorbedachte rade vastgesteld, op grond van orders die hij aan zijn officieren gaf, van zijn ontkenning van de misdaden achteraf, de misleidende informatie die hij verschafte, en van zijn pogingen om de media van het gebeurde af te schermen.

Ik denk terug aan de film Serbian Epics van Pawlikowski, de documentaire uit 1992, waarin we een grimmige en ongeduldige Mladić in krijgsberaad met Karadžić en andere Servische leiders zien. Een maniak, niet te houden. Hij slaat nog net niet op tafel, maar hij onderbreekt Karadžić enkele keren. Het is tijd voor handelen, vindt hij. Wat onderhandelen.

Laten we ook de intiemere kennissenkring van de generaal raadplegen.

Journaliste Ljiljana Bulatović-Medić ontving in het jaar 2018 de Gouden Pen van de Journalistenbond van de Vojvodina voor haar verdiensten als onderzoeksjournaliste, onder andere ‘inzake het lot van de Servische natie’. Haar inspanningen resulteerden in twee boeken over de generaal, Srebrenica: de leugens en het bedrog tegen het Servische volk, en Rapport aan de commandant. Ik citeer uit het laatste:

Om een goede soldaat, een moedige held en een geliefde legerleider te zijn, die de vijand evenzeer respect als ontzag inboezemt, hoeft iemand niet per se een goede spreker te zijn. Maar als hij die gave ook nog bezit, is zijn aureool bij zijn manschappen even wijds als het hart en sterk als de hoop van het volk.

En de auteur citeert vervolgens woordelijk uit een toespraak van de generaal op 28 juni 2015, de dag van de Heilige Vitus, zo’n beetje een Servische nationale feestdag, op diezelfde dag in 1914, bij de Latijnse brug in Sarajevo, ‘stroomde de urine langs de dijen van Gavrilo Princip’ (in de gefingeerde versie van de Bosnisch-Amerikaanse schrijver Aleksandar Hemon). Nu, dat wil zeggen 28 juni 1995, dertien dagen voor het moorden begint.

Voor de zoveelste keer in de geschiedenis ziet het Servische volk zich genoodzaakt voor zijn voortbestaan te vechten, voor zijn vrijheid, onafhankelijkheid en het orthodoxe geloof. We voeren in deze eeuw al de vijfde oorlog ter verdediging van ons eeuwenoude thuis, dat door de alliantie van het Westen en de islam wordt bedreigd. (…) De dag van de Heilige Vitus markeert tragedie en triomf van ons volk. De tragedie van innerlijke tweespalt en de ondergang van de Servische roem; en de triomf van onze onovertroffen onverzettelijkheid als Servische ridders, die, hoewel wij sneuvelen, de woeste Arabische zee wisten te stoppen die ons en de rest van Europa dreigde te verzwelgen. (…) We verwerpen de constatering die je vaak kunt horen en die zegt dat er geen communicatie tussen ons en de rest van de wereld is. Dat is een grove leugen, en Serviërs accepteren geen leugens en vreemde waarden. Serviërs doen nooit afstand van hun nationale waarden, ook al hebben hun vijanden dat in de geschiedenis talloze keren geprobeerd, zo niet goedschiks dan wel kwaadschiks. Vanwege onze standvastigheid staan we nu weer voor dezelfde vijand. En daarom kunnen ook enkel wij, Serviërs, de ware betekenis van de dag van de Heilige Vitus begrijpen. (…) Vandaar ook vandaag de grote inschattingsfouten die men maakt bij hoe het Servische volk op dit historische moment zal gaan optreden.

Als je de redenering van de Bosnische dichter Semezdin Mehmedinović volgt – dat het visioen van Karadžić en de zijnen zo verknipt was, zo ver bezijden de waarheid, dat er wel een bloederige oorlog nodig was om hun fictie met de feiten in overeenstemming te brengen, dan vind je hier, gevat in rechttoe-rechtaan zinnen, de kromme gedachten die op het punt staan de daad bij het woord te voegen. Wij worden bedreigd, heel Europa wordt bedreigd, maar niemand begrijpt ons, daarom kunnen we niet anders dan wat we gaan doen.

De taal schept de nieuwe werkelijkheid, de vinger hoeft enkel nog de trekker over te halen. Meer dan achtduizend keer.

Emir werkte als journalist bij het ICTY vanaf 2003, maar hij was allang weer weg toen de zaak-Mladić begon. Dus in Den Haag zal hij Mladić nooit gezien hebben.

In Briefkaarten uit het graf beschrijft Emir de dagen van de val. Hij is in dienst van de UNHCR maar wordt buiten de poort van het VN-kamp door soldaten van het Bosnisch-Servische leger staande gehouden. Hij moet zich identificeren en geeft zijn officiële gele kaart.

Die gaat door een aantal handen heen en bereikt Mladić, die aan de overkant van de weg staat. Die gebaart met zijn wijsvinger dat Emir naar hem toe moet komen.

Waar hij vandaan komt. Bratunac?

Of hij ooit in het leger heeft gediend. Werkelijk niet?

Dan mag je terug naar het kamp.

Ik overleefde het omdat Mladić zich die dag God voelde: hij genoot de absolute macht over leven en dood. Nog maanden nadien droomde ik van hem: ik beleefde de ontmoeting telkens opnieuw, probeerde de details te vergeten die me achtervolgden. Ik ontwaakte oog in oog met zijn bloeddoorlopen ogen, ik werd kotsmisselijk van de stank uit zijn mond, in mijn neusgaten zat de waas van alcohol die om hem heen hing. Ik was bang dat ik gek zou worden van mijn pogingen om voor mezelf te verklaren waarom hij mij had gespaard, ik die in zijn ogen even onbetekenend was als mijn vrienden wiens executie hij wel had bevolen. Ik heb nooit een antwoord kunnen vinden.

Tijdens het bezoek aan het Memorial toont Emir me een foto op zijn telefoon. Mauthausen, geloof ik, zegt hij. De Amerikanen die het kamp binnentrokken hebben ter plekke een aantal van de Duitsers doodgeschoten. Misschien is dat beter. Wat denk jij? Misschien moet je de mensen die dit soort misdaden hebben gepleegd, meteen doodschieten, zonder nadenken.

Maar voor een nader gesprek over de doodstraf is dat weekend geen tijd.

In dezelfde ruimte in het Memorial wijst Enver op een foto waarop Mladić naast Karadžić prijkt.

En toch, zegt hij, vind ik dat die twee hier niet thuishoren. Deze plek behoort ons toe, niet hen.

Een laatste keer over de lichamen

De bossen herinneren zich van alles. Monika, die als vrijwilligster bij het Memorial is komen werken, trekt in de komende dagen samen met Enver en anderen de heuvels in om achtergelaten bezittingen van slachtoffers te verzamelen. Enver vertelde ons al over zijn belevenissen onderweg, langs Het Spoor van Leven en Dood. Vierentwintig jaar en vier maanden na de moordpartijen liggen de bossen nog bezaaid met spullen. Ze fotograferen die spullen, leggen de coördinaten vast, en nemen die mee. Wij zijn dan alweer terug in Amsterdam, maar Monica plaatst beelden en beschrijvingen op Facebook.

Eric Stover is in 1996 directeur van Physicians for Human Rights, Gilles Peress is als fotograaf aan het agentschap Magnum verbonden, eerder werkte hij in Rwanda. Het ICTY is in 1993 met een VN-resolutie in het leven geroepen. In maart 1996 stuurt het zijn belangrijkste wetenschappelijke adviseur, William Haglund, naar Vukovar, en later naar Srebrenica. Stover en Peress vergezellen hem op een aantal van zijn reizen.

De verleiding is groot om stil te staan bij de levensloop van Haglund, als beschreven in het boek The Graves van Stover en Peress. De aanwijzingen voor een vroege en aanhoudende fascinatie met de dood – met verdwijnen, sterven of vermoord worden, begraven worden, en dan ogenschijnlijk voorgoed verdwijnen door ontbinding – zijn overvloedig. De vader ontbreekt in het leven van de jonge Bill, zijn moeder struint de whiskeybars in de staat Minnesota af, het schaars bevolkte landschap dat men mogelijk kent uit de film Fargo. Gertie, zo heet zij, wordt doodgestoken door een ex-geliefde, schrijven Stover en Peress. Haglund, een jaar of zeventien, werkte toen al bij een begrafenisondernemer, hij haalde een diploma om in mortuaria te kunnen werken, en ging aan de slag als balsemer. Later bekwaamde hij zich als patholoog-anatoom. Nog weer later als tafonoom. De tafonomie, die methoden en technieken uit biochemie, biofysica, scheikunde, geologie en fysiologie combineert, verdiept zich in de uitwerking van de elementen op organische overblijfselen. Feitelijk gaat het om de transitie van het stoffelijk overschot uit de biosfeer, de ademende, ruisende wereld van ecosystemen, naar de gestikte, zwijgende lithosfeer, de ongeveer tachtig kilometer dikke laag die onze aardkorst vormt. De definitieve afdaling van onze lichamen in de onderwereld.

Stover en Peress beschrijven in The Graves de lotgevallen van Haglund, wiens secure, vaardige, koppige werk in de jaren tachtig wordt opgemerkt door ene Clyde Snow, die dan al de hele wereld over is geweest om slachtoffers op te graven en te identificeren. Vooral die van de junta’s in Argentinië, Chili en Guatemala.

Snow leidt voor de VN de opgravingen in Kroatië en Bosnië, Haglund voert ze uit, Stover en Peress schrijven en fotograferen. Er is tijdsdruk, de eerste zaken in Den Haag moeten gaan beginnen.

De enclave valt op 11 juli 1995, het moorden begon vrijwel onmiddellijk. Er zijn al luchtfoto’s (van Nova Kasaba) die goeddeels bevestigen wat iedereen (de daders, de nabestaanden, de VN) al weet. Maar er is nog geen forensisch bewijs. De eerste die bij de graven geraakt (afgezien van de doden en de moordenaars) is de jonge verslaggever David Rohde, van Christian Science Monitor. Dat is op 16 augustus 1995. In oktober keert hij terug en identificeert nog twee executieplaatsen. Zijn bewijs leidt mede tot de aanklachten van het ICTY tegen Radovan Karadžić en Ratko Mladić, op 16 november van dat jaar.

In het voorjaar van 1996 steekt Haglund net buiten het gehucht Kravica voor het eerst zijn 1.20 hoge, T-vormige metalen sonde in de aarde. Zo’n sonde wordt soms tot wel een meter diep in de grond gestoken. Voor de volgende stap volstaat de menselijke neus: de geur van lichamen in ontbinding is onmiskenbaar.

Voor de winter intreedt (de winter van 1996-1997) wil het ICTY een aantal van de massagraven zover hebben opengelegd dat er forensisch bewijs zal zijn dat als basis van een aantal aanklachten zal gaan dienen. Het tribunaal moet zich bewijzen, zo werkt politiek. Het is het eerste internationale tribunaal sinds dat van Neurenberg. Ik werkte in 1996 een half jaar als junior-vertaler voor het ICTY. Alles en iedereen haastte zich daar, rende door gangen, typte als een gek, verdrong zich bij het kopieerapparaat: recht moest geschieden.

Behalve tijd, het weer, de elementen, zijn er andere obstakels voor Haglund en zijn mensen. De NAVO-troepen, die de wankele vrede moeten bewaren, blijken niet bereid de locaties van de opgravingen te beschermen. Haglund en een collega besluiten ter plekke te gaan slapen.

En het werk is anders dan Haglund ooit heeft ervaren. De graven zijn relatief vers, en hoe dieper een lichaam ligt, hoe beter het bewaard blijft – verkrampt, geblinddoekt, handen op de rug gebonden. Peress en Stover beschrijven een middag na hevige regenval, Haglund en zijn mensen – archeologen, patholoog-anatomen – zijn uitgeput van het graven, staan kniediep in het water dat het opengelegde graf heeft overstroomd. Ze glijden uit, er wordt gevloekt en geschreeuwd van frustratie en uitputting. Beschrijft Stover, die elders de vergelijking maakt met de beeldentaal van Hieronymus Bosch.

Die winter worden er 517 lichamen uit de omgeving van Srebrenica naar Tuzla overgebracht. Het forensische instituut van de lokale universiteit neemt het werk over, waar dus mijn eerder genoemde collega, de anglist en cultuurwetenschapper Damir Arsenijević, als vertaler heeft gewerkt. Op het moment van schrijven zijn er 7.040 unieke DNA-profielen uit de gevonden botten samengesteld. Daarvan zijn er 6.838 geïdentificeerd. Dat betekent dat 934 van de gerapporteerde vermisten nog niet zijn geïdentificeerd. Het ICMP, het International Commission on Missing Persons, gaat er overigens van uit dat er in totaal tussen de 8.000 en 8.100 mensen zijn vermoord.