🤲🏼 De bevende aarde (6): Over ontaard engagement
🖋 Guido Snel


Morgen is het 25 jaar geleden dat de door de VN gegarandeerde safe haven Srebrenica viel. De inname door Bosnisch-Servische troepen onder bevel van generaal Ratko Mladić werd gevolgd door de deportatie en genocide van meer dan 8.000 moslimjongens en -mannen onder het toeziend oog van ruim 400 Nederlandse blauwhelmen opererend onder een ontoereikend mandaat en met beperkte VN-ondersteuning. Guido Snel, schrijver, literair vertaler en tolk, reisde af naar de plaats des onheils en schrijft voor de Nederlandse Boekengids dagelijks over de verhalen die de overlevenden met zich meedragen en over onze en zijn eigen verhouding tot de oorlog. Deel 6: Over ontaard engagement.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Dit is deel 6 uit een reeks van zeven over de val van Srebrenica. Lees hier de andere delen:
1. Terug naar Srebrenica
2. Over de kwetsbaarheid van manuscripten en de kracht van mensen
3. Over de oordeelskracht
4. Wie zal het verhaal vertellen?
5. Het geheugen van de bossen
6. Over ontaard engagement
7. Over de teruggekeerden

Zachtjes ruist de Drina

Stover en Peress beschrijven in The Graves ook de lotgevallen van iemand die aangeduid wordt als ‘Omer’. In juli 1995 was hij eenenveertig jaar oud. Omer is metselaar van beroep, vader van vier kinderen, sterke kerel, brede schouders, licht spraakgebrek. Eerst begeleidde hij zijn vrouw en vier kinderen, onder wie een zeventien jaar oude zoon, naar de Dutchbat-compound in Potočari. Vervolgens voegde hij zich bij de mannen die de heuvels in waren gevlucht. Hij behoorde tot een van de laatste groepen die de tocht naar vrij gebied aanvingen, in de richting van Tuzla. Toen Omer na vier maanden eindelijk Tuzla bereikte, bleek zijn oudste zoon in de julidagen van de rest van het gezin gescheiden te zijn en vermoord.

De dag nadat hij zich bij de overige mannen in de heuvels had vervoegd, bleek de weg bij Nova Kasaba, tot dan toe een plek van vrije doortocht, onder controle van de vijand. Er stonden twee pantserwagens, die hun luchtafweerkanonnen op de heuvels hadden gericht. Omer zat in de val. Ze verscholen zich in een oude molen. Ze bleven daar vier maanden. ’s Nachts, als de Servische patrouilles wegbleven, verzamelden ze bessen en doorzochten de zakken van de lichamen die ze in de omgeving aantroffen. Soms vonden ze wat zout, of tabak.

De dagen kortten, de koude trad in, het werd november. Het voedsel was op, wanhopig vingen ze dan toch de tocht naar Tuzla aan. In de bossen stuitten ze op nog veel meer lichamen, mannen die in de zomer in een van de hinderlagen waren gelopen. Wilde honden en andere aaseters hadden zich aan de lichamen te goed gedaan.

Ik ken niet de precieze datum waarop Omer de molen verliet en begon te lopen. Hij zal bij nacht hebben gelopen om niet opgemerkt te worden. Ik ken niet de precieze datum waarop Peter Handke aan de overzijde van de Drina stond, november 1995; te voet is hij vanuit het Servische Bajina Bašta aan komen wandelen. De sneeuw heeft ingezet.

‘Of ik van de andere zijde geobserveerd werd?’ vraagt Handke zich af. Aan de oever van de Drina, schrijft hij, ligt ‘een rulle hoop aarde, daarin massa’s patroonhulzen (nee, toch niet)’. Een ‘kindersandaal klotst tegen de oever’. Eerder heeft Handkes kennis in Bajina Bašta verklaard: als het werkelijk zo erg is geweest aan de overkant, dan zou de rivier vol moeten liggen met lijken. Zijn kennis denkt overigens wel dat de moordpartij plaats heeft gevonden, maar ‘zo is de oorlog in Bosnië, de ene nacht wordt een moslimdorp gebrandschat, de volgende nacht een Servisch.’

Nee, schrijft Handke, hijzelf wil de massamoord niet ter discussie stellen. Maar hij heeft wel vragen. En er volgt een tirade tegen de journalisten, de journalistieke kijk en de journalistieke weergave van de wereld, die eerst oordeelt en dan pas observeert.

Hoe is Handke tot hier geraakt?

In 1966 richten zijn acteurs zich tot het Duitse publiek:

Was er hier een zuiver spel gespeeld, dan had hier alleen de tijd van de toeschouwers bestaan. Omdat hier echter de werkelijkheid in het spel was, bestonden hier altijd twee tijden, uw tijd, de tijd van de toeschouwers, en de gespeelde tijd, die schijnbaar de werkelijke was. Maar de tijd laat zich niet spelen. Hij laat zich in geen enkel spel herhalen. De tijd is onherroepelijk. De tijd is onweerstaanbaar. De tijd is onspeelbaar. Tijd ís werkelijk.

En zoals de titel van dat vroege stuk, Publikumsbeschimpfung, aankondigt, wordt het publiek ten slotte uitgescholden. Voor van alles nog wat, vooral vanwege medeplichtigheid aan het schuldige verleden.

Daarmee zet Handke hoog in. Er is een waarachtiger geschiedenis achter de waan van de dag. De dichters hebben de taak die bloot te leggen. Door taal. Door, in dit vroege stuk, op het onontkoombaar fictieve van taal te wijzen. Door met taal ook het fictieve van de wereld bloot te leggen. In de taal van de dichter, die vertraagt, tot nadenken stemt, het oordeel opschort. Augenzeugenschaft, noemt hij dat in zijn Servië-geschrift: wat ziet de dichter als hij met eigen ogen kijkt, voorbij de waan van de media?

Doorslaggevend voor zijn besluit op reis te gaan lijkt het volgende moment. In augustus 1995, na een gecombineerd offensief van het Kroatische en Bosnische leger, worden Servische inwoners van de Krajina met duizenden verdreven. Handke, voor de tv, ziet aan deze vluchtelingen een authentiek lijden, want een lijden dat niet aan camera’s is gewend, dat zich niet wil tonen. De ‘moslims en Kroaten’, in de voorgaande maanden en jaren, hebben daarentegen iets gespeelds in hun slachtofferschap – ze zijn zich bewust van de camera’s – en dat vindt Handke verdacht. Wat Servië en het Servische echt was, dat bleef in de media op afstand – en daarom, besluit Handke, wil hij zelf gaan kijken. Mogelijk is hij de echte werkelijkheid op het spoor.

Achteloos stelt hij ook een aantal retorische vragen, zoals: is er nu echt bewezen dat de twee mortieraanvallen op Markale in Sarajevo door de Servische zijde zijn gepleegd? Hij bedoelt volgens mij: hoe werkelijk zijn die beschietingen zolang je ze niet zelf hebt aanschouwd, op de plek zelf bent geweest? Maar hij reist niet naar Sarajevo, of naar Srebrenica. Najaar 1995 reist hij naar Belgrado. Zijn schrijversoog neemt waar: de mensen, op straat, op de markt, in de supermarkt, zijn geen fanatici, geen nationalisten. Ze zijn juist uiterst beleefd, voorkomend. En Handke schrijft dat toe aan een al te grote nadenkendheid, het verhoogde bewustzijn van mensen die op hun hoede zijn omdat ze zich bedrogen weten: de hele wereld houdt hen in de gaten, de hele wereld kijkt verkeerd.

Het is herfst, er hangt mist over de Sava en de Donau, de werkelijkheid keert naar een vroegere oorsprong terug, zelfs nog verder terug dan de wereld op schilderijen van Hollandse meesters, waar Handke bij het zien van de bootjes op de rivieren aan moet denken. Later, als hij de mensen benzine uit plastic flessen in de tank van hun auto ziet gieten, schrijft hij dat Serviërs beseffen dat ze een ware bodemschat in de hand houden, en hij wenst dat de hele wereld deze verbinding met zijn oorsprong zal hervinden.

Dan zijn we nog maar net buiten Belgrado. Er is een semiofficieel deel van de reis. Schrijvers vergezellen hem. Zoals Europese schrijvers zich in de jaren dertig door de Sovjet-Unie lieten toeren, en bij terugkeer verklaarden dat het nieuwe Rusland niet was zoals de Europese media beweerden, zo aanschouwt Handke met eigen ogen het echte Servië. Of tenminste, hij spreekt schrijvers die zeggen: wij zijn niet zoals de buitenwereld denken dat wij zijn. Hij ontmoet de romancier Dragan Velikić, die in die jaren in Europa succes heeft met de roman Villa Pula. Die handelt over een jeugd in Pula, voor Handke wordt dat: zijn jeugd als Serviër in Pula. Terwijl ik Velikić in 1998 of 1999 in Belgrado te midden van een kritische groep intellectuelen tref, die niets met het nationalisme te maken willen hebben.

Handkes gids is de schrijver Milorad Pavić, die in de jaren tachtig een bescheiden Europese bestseller had met Het Chazaars woordenboek. Als academicus is Pavić specialist voor de Servische barok, maar er is nauwelijks een Servische barok, er was ooit een barok in Dalmatië, een fusie van het Italiaanse, Venetiaanse, Kroatische dialect van de kust, het geheel eigen dialect van Dubrovnik. Maar dat weet Handke niet. De heren wisselen bij het genot van een pannenkoekje verhalen over de genen uit, Handke over zijn Sloveense grootvader die zich in 1918 tot het Zuid-Slavische bekent, tegen het verschrompelde Oostenrijk. Uit zijn versleten reistas blijft Handke maar stickers halen, met daarop nationale etiketten, Servisch zus, Servisch zo.

Bij Bajina Bašta, Servisch stadje op de grens met Bosnië, zet de sneeuw in, het ‘Balkangebergte’ sneeuwt dicht, schrijft Handke. De eigenlijke bergrug ligt elders, in Bulgarije, maar het gaat om de poëzie, het andere kijken naar die andere werkelijkheid, dit hier is de Balkan.

De echte waarheid ligt altijd net verderop, aan de andere kant van de grensbrug over de Drina. Aan Servische zijde wordt hij met zijn gezelschap doorgelaten, maar de Bosnisch-Servische grenswachter laat hen niet door. ‘Voor mijn ogen vloeide de donkere Drina langs, een god, maar een machteloze god.’ Terug in het stadje op de Servische oever luistert hij naar de weeklachten van de mensen. Iedereen lijdt. Mensen zijn hun land kwijt. Iemand bespeelt de gusle, het eensnarige instrument, en reciteert ‘de tot Homerus teruggaande’ Servische epische verzen.

Handke herinnert zich een voettocht door de Sloveense Alpen, de voorbije zomer, daar ontspringt met de rivier de Sava een oude Slavische broederschap, en ik vul aan, ik interpreteer: daar werd ooit de Slavische eigenheid ontdekt, een traditie van koppig verzet tegen het opdringerige Europa en van behoedzaam koesteren van de culturele eigenheid. En de enige ware hoeder van het Zuid-Slavendom is de Servische natie die, schrijft Handke, inmiddels een volk in diaspora is. Verbannen uit Europa.

Volgt de bovengeciteerde epiloog waarin hij alleen, door niemand vergezeld, naar de oever van de Drina loopt en een hoop rulle aarde met patronen ziet (of toch niet), en natuurlijk de kindersandaal. Hij steekt zijn hand in het koude Drinawater en vraagt: had zijn generatie schrijvers oog in oog met deze oorlog niet volwassen moeten worden? En het is duidelijk dat hij het over de Duitse cultuur heeft en hoe die zich tot het eigen gewelddadige verleden verhoudt – hadden we niet bildsam moeten worden, citeert hij Goethe – niet betweterig, maar wel ferm, vastberaden en tegelijk open? Als Oostenrijks-Duitse schrijver hebben hij en zijn generatie allang met de nazi’s in hun families afgerekend, hij heeft het nu, in 1995, over Europa: Europa is blind voor het ware karakter van deze oorlog. Europa staat in 1995 waar het Duitse in 1945 stond.

En net als aan het einde van dat vroege stuk waarin hij de werkelijkheid van het theater ondergraaft, eindigt hij met gescheld. Jebi ga, wat hij vertaalt als Fick ihn, laat ze allemaal de klere krijgen: de journalisten van Die Zeit, Le Monde, de Franse intellectuelen. En zo eigent hij zich de koppigheid van de Servische Balkan toe, de hoogmoed van een miskende natie, die, als niemand hun ware aard wil zien, die ware aard liever voor zichzelf houdt. Pech, wereld: je zult nooit weten wie we werkelijk zijn.

Verder met de montage.

Ik weet dus niet zeker of Omer door de bossen zwierf, of nog in die molen school terwijl Handke peinzend aan de besneeuwde oever van de Drina stond. Wat zeker is, is dat bulldozers en graafmachines tot zeker eind oktober de massagraven aan het openleggen en verplaatsen waren, op verschillende lokaties in de wijde omgeving van Srebrenica. Van één van de slachtoffers zijn resten geïdentificeerd in wel zes verschillende graven. Sneeuw verstilt het landschap, en ik heb zelf aan de oever van de Drina gehoord: de rivier ruist zacht, zo zacht dat Handke, als hij twee weken eerder was gekomen, de bulldozers en graafmachines gehoord zou kunnen hebben.

Handke op de oostelijke oever, Omer aan de andere kant.

Nu kunnen we kiezen, uit de speech die Handke gaf op 7 december 2019, in Stockholm, toen hij de Nobelprijs voor Literatuur in ontvangst nam, of die van 6 maart 2006, toen de voormalige president van Joegoslavië en Servië, Milošević, werd begraven in zijn geboortestad, Požarevac.

Kiezen we voor de Nobelrede, dan verdiept zich het beeld van Handke de schrijver van het tragische, gespleten Europa: die ooit de ex-nazi’s uitschold en later een stem vindt voor het Wehrmachtleed in de eigen familie. Het half-Oostenrijkse, half-Sloveense kind Handke dat zijn eerste echte taalmuziek in de Sloveense hymnen in het dorp van zijn moeder hoorde, wolkjes authenticiteit die hij een leven lang met zijn vlindernet zal najagen. Handke in smoking, oud geworden, die misschien wel als enige van zijn generatie postmodernisten de echte wereld heeft gevonden.

Kiezen we voor de toespraak in de varoš Požarevac, dan moeten we eerst de leugen van Le Nouvel Observateur ontmantelen: Handke heeft er nooit met een Servische vlag gezwaaid, en hij heeft ook geen rozen op het graf gelegd. In een kort geding bevestigde de rechter zijn gelijk.

Als schrijver zou ik wensen dat ik nu niet in Požarevac was, maar in het gezelschap van een andere schrijver, Harold Pinter bijvoorbeeld. Die beschikte over krachtige woorden. Die van mij zijn zwak. Vandaag zullen hier zwakke woorden gesproken worden. Dit is niet enkel een dag voor krachtige, maar ook voor zwakke woorden.

[Vanaf hier gaat hij over op het Servisch, de tekst is de zijne maar is voor hem vertaald. Het Sloveens van zijn moeder zal hem geholpen hebben zijn tong in de juiste standen te krullen.]

 

De wereld, de zogenaamde wereld, weet alles over Joegoslavië, Servië. De wereld, de zogenaamde wereld, weet alles over Slobodan Milošević. De zogenaamde wereld kent de waarheid. Daarom is die zogenaamde wereld hier vandaag niet, en niet alleen vandaag, en ook niet alleen hier. De zogenaamde wereld is de wereld niet. Ik weet dat ik niet weet. Ik ken de waarheid niet. Maar ik kijk. Ik luister. Ik voel. Ik herinner me. Ik vraag. Daarom ben ik vandaag hier, dichtbij Joegoslavië, dichtbij Servië, dichtbij Slobodan Milošević.

Later verklaarde Handke dat hij zich ongemakkelijk had gevoeld. De spreker vóór hem was een gewezen generaal die de menigte opzweepte. Handkes uitgever, Suhrkamp, heeft een dossier samengesteld met de feiten: de precieze verklaringen en teksten van Handke. Tegen de storm van protest die opstak toen het nieuws van de Nobelprijs kwam. Ik citeer hieruit. Ik citeer ook uit een interview dat Handke aan de Servische krant Novosti gaf:

De westerse media bleven Milošević maar beschrijven als de slager van de Balkan, ze bleven maar op hem pissen. En daarom besloot ik met eigen ogen te gaan kijken. Ik wilde ooggetuige zijn van een geschiedenis waar ik op een dag mogelijk over zal schrijven.

Hij maakt de journalist ook deelgenoot van zijn voornemen om ooit christelijk-orthodox begraven te worden.

Handke heeft bij meerdere gelegenheden journalisten uitgescholden. In 1996, in een theater in Wenen, met de lachers van het publiek op zijn hand, adviseert hij een journalist die hem vraagt waarom hij niet ook naar Sarajevo is gereisd, om daar betrokkenheid met de inwoners van die stad te tonen, ‘die betrokkenheid van u in uw reet te steken’.

De lachers van het Weense publiek in 1996, de Koninklijke Zweedse Academie voor Wetenschappen in 2019: ze klappen voor Handke, het postmodernisme zegeviert. Omer aan de overkant, hij haalt Tuzla, maar zijn verhaal zal voor Handke maar fictie zijn, een van de mogelijke geschiedenissen.

Met Handke sterft de postmoderne literatuur een kleine, miezerige dood.

Het juiste hout (laatste keer over de oordeelskracht)

Chris Keulemans mailt: hij heeft het verhaal van Van Toorn gelezen. Het heeft hem onverwacht getroffen om na al die jaren terug te lezen over de zomer van 1996. Dat sommige elementen in het verhaal de feiten fictionaliseren, dat is niet zo belangrijk, schrijft Chris. ‘Wie van ons kan zeggen wat er wel of niet klopt aan James Salters herinneringen, en toch zijn ze prachtig.’

‘De feiten,’ schrijft Chris ook. ‘De kern: Emir zat daar inderdaad. En het zou kunnen dat de andere jongen naast hem Hasan Nuhanović was. (Of misschien de derde tolk, Senad Alić.)’ En Van Toorns beschrijving van dat tafereel is wonderwel secuur.

Over zijn eigen rol schrijft Chris: ‘ik was toen al een paar jaar diep met Bosnië en de oorlog bezig, was ook al een paar keer in Sarajevo geweest, maar: Srebrenica was mij op dat moment inderdaad nog te groot, te overweldigend.’

Hij legt uit waarom hij Van Toorn en K. Michel had uitgenodigd. Niet zozeer vanwege hun literaire werk. Mogelijk waren Van Toorns buurtgenoten uit Amsterdam-Zuid, Bernlef, Schippers, Matsier, spannender schrijvers. Maar Van Toorn was toen ‘een van de weinigen met een zichtbaar politiek engagement’. Hij was ‘uit het juiste hout gesneden’, schrijft Chris ook. Die metafoor is verwant met een oudere, die je minder vaak hoort: ‘hij is van het hout waarvan men helden maakt.’

In de straat in Amsterdam-Zuid waar Van Toorn woonde, en waar ik op de zomeravond in 1996 mijn vertaling kwam langsbrengen, staan monumentaaliepen. Ik geloof niet dat Van Toorn een monumentaal verhaal over Srebrenica heeft geschreven. Handke was ooit een spannende schrijver, misschien zelfs een monumentale. Engagement heeft niet zo heel veel met literaire kwaliteit te maken. Een tekst kan literair rammelen maar een belangrijke boodschap uitdragen. Een schitterende, monumentale tekst kan politiek uitschieten, en dan is hij alsnog waardeloos.

(Céline, Jünger; Handke.)