🤲🏼 De bevende aarde (7): Over de teruggekeerden
🖋 Guido Snel


Vandaag is het 25 jaar geleden dat de door de VN gegarandeerde safe haven Srebrenica viel. De inname door Bosnisch-Servische troepen onder bevel van generaal Ratko Mladić werd gevolgd door de deportatie en genocide van meer dan 8.000 moslimjongens en -mannen onder het toeziend oog van ruim 400 Nederlandse blauwhelmen opererend onder een ontoereikend mandaat en met beperkte VN-ondersteuning. Guido Snel, schrijver, literair vertaler en tolk, reisde af naar de plaats des onheils en schreef voor de Nederlandse Boekengids afgelopen week dagelijks over de verhalen die de overlevenden met zich meedragen en over onze en zijn eigen verhouding tot de oorlog. Vandaag het slot: Over de teruggekeerden.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Dit is deel 7 uit een reeks van zeven over de val van Srebrenica. Lees hier de andere delen:
1. Terug naar Srebrenica
2. Over de kwetsbaarheid van manuscripten en de kracht van mensen
3. Over de oordeelskracht
4. Wie zal het verhaal vertellen?
5. Het geheugen van de bossen
6. Over ontaard engagement
7. Over de teruggekeerden

De toekomst

Enver is wees vanaf zijn vierde levensmaand. Studeren was nooit zijn plan geweest, hij wilde mogelijk naar Duitsland of Zwitserland, zoals veel mensen uit Konjević Polje, het dorp een stukje naar het noorden, als je de weg naar Kravica neemt ben je er zo. De oorlog overviel hem in de schoolbanken, hij was zeventien en nam onmiddellijk de wapenen op. Tussen april 1992 en voorjaar 1993 heerste er, zo werpt Emir tussen, een darwinistisch experiment in de regio. Eten of gegeten worden. Met de komst van de VN in 1993 legde Enver de wapenen neer. Hij was toen net achttien.

Je woede moet je beteugelen

Een vrouw (Enver noemt haar etniciteit niet) verklaarde in 1995, vlak na de oorlog, dat ze ooggetuige was geweest van een moord in 1992 op een echtpaar (hij geeft hun etniciteit evenmin) dat levend verbrandde, in hun huis. In 2005 kwam er forensisch bewijs beschikbaar, een draad zo dun als een haar uit het beenmerg volstond voor identificatie. Nu kon er een rechtszaak komen. Maar de vrouw herriep haar getuigenis. Enver, als hij een geweer of handgranaat had, had de vrouw ter plekke in de rechtszaal willen doden. Maar dat heeft hij niet gedaan.

Zilverstad, spookstad

Voor we bij kennissen gaan eten, stoppen we in de supermarkt van Srebrenica. Die is gloednieuw, groot en uitgestorven. Emir en Enver bestellen er in het café koffie en roken er een paar sigaretten, wij kopen iets voor de gastheer en gastvrouw. Voor we naar hen toe rijden stuurt Emir eerst een hoogte op, een rots met een bankje, dat uitzicht biedt over het centrum. De avond is gevallen. Als je hier tijdens de oorlog doorliep, zegt Emir, bereikte je de Servische stellingen. Kijk, zegt Enver, dat gebouw daar, in hooguit een derde van de ramen brandt licht. In dat andere gebouw nog minder. We hebben gevochten, en een deel van ons heeft het overleefd, maar onze kinderen zitten zonder werk, en zijn weggetrokken.

De imam van Bratunac

De gastheer en gastvrouw zijn ook teruggekeerden. Dat wil zeggen: in het weekend komen ze hier, bewerken de moestuin, oogsten hun appels. Door de week zijn ze in Tuzla, waar ze ooit als vluchtelingen terecht zijn gekomen. Ze schenken hun eigen appelsap, en we dopen vers brood in pekmez van appels. Gesprekken zijn de stroop van de gemeenschap. We komen die avond veel te weten. Over deze of gene. Hier in Bratunac, of in Tuzla. Of in Oostenrijk, Duitsland, Nederland. We beginnen een idee te krijgen van wat diaspora betekent. En we horen over de lokale imam, die glimmende sportvelgen op zijn zwarte Audi heeft gemonteerd. Het gerucht gaat dat hij er vriendinnen op na houdt.

Lammeren en varkens

Als je, als kind, hoge koorts had, dan smeerden je ouders varkensreuzel op je borst. Je vond dat afschuwelijk, maar je beet op je tanden en je zette je er overheen, zegt Enver. Ismir, in Sarajevo, vertelt dat zijn vader een enkele keer een wild zwijn afschiet dat te dicht bij de moestuin komt. Hij ruilt het zwijn met zijn buurman, die hem een lam in de plaats geeft. Maar dat is aan de rand van Sarajevo.

Dierenlevens

Op de heenweg, op een parkeerplaats op de berg Romanija, komen van tussen de bomen vandaan drie zwarte pups op ons afrennen. Broertje en zusjes. Ze likken onze handpalmen, eten de stukken brood die we van onze sandwich afscheuren. We kunnen ze niet meenemen. Envers buurvrouw, vertelt hij, ook een teruggekeerde, heeft inmiddels tien zwerfhonden in huis opgenomen. Ze wil ze alleen maar wat verzorging geven, africhten, en dan stuurt ze hen weer weg, heeft ze beloofd.

Blauwhelmen

Eerst kwamen er Canadezen, maar die waren met te weinig. Toen het Nederlandse bataljon arriveerde, dachten ze, dacht Enver: de oorlog is voorbij. Maar het bleken ook maar gewoon soldaten, die bevelen moesten gehoorzamen. In de julidagen van 1995 waren ze in paniek. Ik zeg je, zegt Enver, één regendrupje op hun hoofd en ze waren in tranen uitgebarsten.

What if, als ob, stel je voor

Als we de begraafplaats in Potočari oplopen, kennen Enver en ik elkaar nog maar een uur. Maar ik kan me niet beheersen en ik vertel over mijn dilemma: ik had kunnen gaan, ben niet gegaan, wat als ik was gegaan? Je hebt geen idee, zegt Enver. Wij hadden zelf geen idee. Wie ik tijdens de oorlog werd, wat ik allemaal gedaan heb, wat de Serviërs allemaal gedaan hebben, niemand had dat vooraf kunnen zeggen. Stel je voor, we waren natuurlijk ook gewoon jong, en dan wil je je af en toe bezatten. We dronken het zuur uit de accu’s. Als je me dat voor de oorlog had verteld.

Voor koningin en vaderland

In het memorial in Potočari kom je langs een tijdlijn met talloze foto’s ten slotte in het kantoor van de commandant. Karremans en zijn twee voorgangers van Dutchbat I en II zaten daar in een bureaustoel onder een portret van Beatrix. Elders hangen foto’s van Karremans, maar ook van majoor Franken, de man die met een lichtgevende stift de naam van de broer van Hasan Nuhanović van de lijst streepte. De gezichten van de vorstin, de overste en de majoor zijn voor de camera in een nationale kramp verstard: autoriteit en gehoorzaamheid in een uiterst ongemakkelijke verstrengeling. Typisch Nederlands: ik herken die blikken uit duizenden. Ik vertel Enver het volgende niet. Toen het Nederlands elftal in 1988 de finale van het EK speelde, zaten mijn ouders, broer en zussen en iedereen in de wijk, in onze varoš Uithoorn, in Noord- en Zuid-Holland en Utrecht en de rest van Nederland, eensgezind op de bank voor de tv, maar ik voelde gêne en afkeer en weerzin, en ook vlamde er een onbekend soort trots op, koppigheid ook: ik wil dit niet. Ik stapte op mijn fiets en verdween voor een lange tocht door het stroomland van de Amstel. Mogelijk, denk ik daarom, was ik, als ik in Srebrenica als tolk had rondgelopen, al ver genoeg voorbij de taalgrens, de nationale grens geweest, en had ik de juiste zijde gekozen. Maar als gezegd, dit vertel ik niet. Emir zegt over het memorial: Dutchbat is hier nog altijd veel te zichtbaar, ze waren niet meer dan een voetnoot.

Envers arm

Enver stroopt zijn mouw op. Hij en zijn geliefde delen dezelfde initialen, alleen in de omgekeerde volgorde. Hij liet haar initialen op zijn bovenarm tatoeëren, zij de zijne. Na de oorlog trof een arts een rest van een granaatscherf aan in zijn arm. Om niet nog een wond te maken sleepte de arts, gebruikmakend van een magneet, de splinter, die aan de wandel was gegaan, terug naar de oude wond, die hij daartoe maar kort hoefde te openen.

Peter Handke

In december 2019 reist Emir naar Stockholm om deel te nemen aan protesten tijdens de uitreiking van de Nobelprijs voor Literatuur. Ze moeten natuurlijk buiten blijven, het ceremonieel binnen mag niet verstoord worden. Emir kent Stockholm, daar heeft hij, mede daartoe aangespoord door Semezdin Mehmedinović, een eerste versie van Briefkaarten uit het graf geschreven. Enver heeft niets van Handke gelezen, maar Emir wel. En die zegt tegen Enver: ik heb de indruk dat het een zielige figuur is, die in 1995 niets beters te doen had dan naar op dat moment het meest zielige, meelijwekkende deel van Europa te reizen, Servië.

Herfstkilte

Enver heeft een slaapplaats voor ons geregeld. Hij noemt het zijn huis, maar zelf woont hij elders met zijn gezin. Dit huis is weer van anderen, verwanten, die hier niet komen, niet meer komen, of er niet meer zijn. De bovenverdieping is nog casco, die zou later nog eens worden afgebouwd, was destijds, begin jaren negentig, vermoedelijk het plan. Het beeld van het leven van voorjaar 1992 is hier blijven hangen. Er hangen geen familiefoto’s. Er is water, er is thee in de kast, er zijn genoeg dekens om een hele familie in te warmen. ’s Middags was de zon nog aangenaam maar de kilte, hier binnen, zit diep in de slaapbank, de stoelen aan de eettafel, de toiletpot. Pas vroeg in de ochtend zijn onze lichamen wat opgewarmd, en heel even, lucide van het slaapgebrek, begrijp ik hoe het moet voelen om het echt koud te hebben. Hoe het is om na maanden de warmte van je dierbare weer te voelen. Ik besef: begrip voor de ander begint bij de eigen ervaring. In het doosje met theezakjes heeft een spin een web gespannen.

De reis van Enver

Op de dag van de val vluchtte hij met duizenden andere jongens en mannen de bossen in. Misschien waren ze wel met vijftienduizend. De dagen daarop hielden ze zich schuil. Bejaarden, kinderen, vrouwen werden in die dagen gedeporteerd van en rond de VN-basis in Potočari. Boven de stad, in de heuvels, was het voedsel schaars, de angst verterend. De vrijheid lag richting Tuzla, wat daartussen wachtte was onbekend.

De zevende dag vertrokken ze. Meteen die dag liep de stoet in een hinderlaag. Dat was bij een enorme beuk. Bukva. Buche. Beukenwoud. ‘Onderweg kwamen we een enorme boom tegen, zo groot dat die zich niet in zijn geheel laat beschrijven.’ Enver was in het gezelschap van zijn punac, schoonvader, en zijn šurak, zwager. Artillerie slaat in, kogels overal om hen heen, de beuk wordt gespleten, ze horen stemmen die roepen: grijp ze levend. Hij ziet zijn schoonvader, dodelijk getroffen. Verderop zijn zwager, zijn enkel door een kogel verbrijzeld. Zijn zwager bezweert hem: als je nu niet gaat, Enver, ben je ook dood.

Zijn zwager is later in een massagraf teruggevonden. Van het lichaam van zijn schoonvader geen spoor.

Op de tweede dag zag hij tussen de bomen een rijk gedekte tafel, vol burek. Sirnica, zeljanica, krumpiruša, burek met kaas, groen, aardappels, en natuurlijk met vlees, dat ze al wie weet hoe lang niet gegeten hadden. Een vriend sloeg hem in het gezicht. Je hallucineert, Enver, kom bij je positieven. Vanaf dat moment begon hij net als de anderen de kleine zure appels te eten, die ze op de vochtige bosbodem aantroffen. De kleine slakken die daar rondgleden roosterden ze boven vuur. Als je eens wist hoe goed die smaakten.

Op de zevende dag kwamen ze ter hoogte van Kladanj, waar de Serviërs zich hadden ingegraven. Zwaar geschut, veel manschappen. De stoet had de kracht van het getal. Ze ondernamen een stormloop. Er was alleen maar paniek, doorlopen, niet stilvallen. Ook daar moeten talloze slachtoffers zijn gevallen, denkt Enver. Maar dat hoor je pas achteraf, in de dagen, weken erna, wanneer je ineens doorkrijgt dat het grote wachten is begonnen: wie wel, en vooral: wie niet.

Envers terugkeer

We staan aan de Drina. Een kennis, ook een teruggekeerde, heeft hier een café geopend, met zelfgestookte rakija, tien meter van de oever. Enver en de uitbater hebben het over de lokale politie, die geregeld bonnen aan hen uitschrijft, voor te hard rijden, voor rijden zonder veiligheidsgordel. Pesterijtjes natuurlijk, de agenten zijn Serviërs. Als ze geflitst zijn en hun rijbewijs dreigt te worden ingenomen, gaat hun vrouw naar het bureau, zo kunnen de mannen zelf blijven rijden.

Dus echt vrij leven ze hier niet, nee. Maar ze zijn er en ze laten zich niet nog een keer verjagen.

Enver heeft een hartkwaal. Zijn arts, dokter Jovanović, bestierde tijdens de oorlog het lokale ziekenhuis. Tijdens en na de val kwamen Envers kameraden daar terecht. Die zijn voor een deel ook verdwenen.

Maar zij is zijn arts. Ze is inmiddels zevenenzestig. Elke maand moet hij bij haar op controle. Ze meet zijn bloeddruk, luistert naar zijn longen en hart, en ze schrijft een herhaalrecept voor zijn medicijnen uit. Hij meldt zich op tijd, in de ochtend. Ze laat hem dan de hele dag wachten, alle anderen gaan voor. En als ze hem ontvangt is ze stuurs, zwijgzaam, als ze spreekt blaft ze hem bijna af. Hij probeerde het op de traditionele manier: hij nam een pak koffie of een fles rakija voor haar mee. Een arts is een betere arts als je een geschenk meeneemt. Maar het maakte geen verschil.

Hij wond zich steeds meer op. Tot hij begreep: hoe meer hij zich opwindt, hoe meer hij in haar ogen wordt wat ze al vermoedde: een minderwaardig iemand, één van hen. Hoe groter misschien zelfs haar voldoening. Hij veranderde zijn houding. Als hij nu na een lange dag wachten haar spreekkamer wordt binnengelaten, glimlacht hij altijd, beminnelijk, en hij zegt: wat een geluk heb ik toch, dat ik van alle artsen in de wereld u getroffen heb. Want u, beste dokter, bent de allerbeste.

Hij heeft een oorlogspensioen. Dat is niet voldoende om van te leven. Familie in het buitenland stuurt hem af en toe wat geld. Hij is zich gaan bekwamen in de kunst van het bijenhouden. Milina, zegt hij, wat zoveel betekent als: heerlijkheid, zoetheid, gerieflijkheid, lieflijkheid. Een imker kent rust. De eigen wereld van de bijen, waar de mens zijn plaats kent.

Onze huurauto staat boven aan de weg geparkeerd. Ik heb de rakija vriendelijk geweigerd, ik moet rijden, en de vorige dag, op de heenweg, zagen we al de talrijke politiecontroles. Ik ben een schijterd aan grenzen, bij politiecontroles, zeg ik tegen Enver, die daar vreselijk hard om moet lachen.

Als hij bedaard is vraagt hij: ik heb je gisteren en vandaag van alles en nog wat verteld. Maar je moet nu heel eerlijk zijn. Nu je zoveel over me weet, hoe oordeel je nu over mij?

Die vraag had ik stiekem aan hem willen stellen, over mezelf.

Waarom zou iemand over jou moeten oordelen? vraag ik hem. Maar daar neemt hij geen genoegen mee, hij kijkt mij strak aan.

Ik ben je dankbaar, zeg ik. In jouw plaats had ik misschien niet het geduld opgebracht om een volslagen vreemde mijn verhaal te vertellen. En ik geloof niet dat iemand ter wereld het recht heeft om over jou te oordelen.

Achteraf denk ik: ik had veel eerlijker moeten zijn: ik ben overrompeld, onthutst door zijn ontvangst. Twee dagen lang heeft er verdriet in mijn keel gezeten, pijn in mijn buik, tranen in mijn ooghoeken.

Maar je bent geen volslagen vreemde, besluit Enver. Je was hier nota bene bijna zelf terechtgekomen.

Zo, brate, broeder, zegt Emir met een arm om mij heen. Het zit erop, jullie bezoek eindigt hier.

Hoe noemt Handke het? Jullie winterreis. Het wordt zo donker.

Ja, zeg ik, we kunnen maar beter gaan rijden.